Aanraking

Een kringverjaardag. Iris buigt zich over mijn schoot om haar kop thee op het tafeltje aan de kant van de bank waar ik zit te pakken. Waarom vraagt ze het niet gewoon denk ik terwijl ik naar haar rug, haar nek, haar donkere haar over mijn benen kijk. Raken haar borsten mijn rechterbeen of haal ik mij dat in mijn hoofd? Ja, dat doen ze!

Iris zit weer recht, mijn lid groeit en daarom sla ik mijn rechterbeen over mijn linkerbeen. Ik doe of het de normaalste zaak van de wereld is dat ze over me heen boog dus ik schenk er geen aandacht aan. Tegelijkertijd spijt me dat. Wat kan ik anders? Meisjes zijn kampioen in ambiguïteit. Zal ik? Zal ik mijn linkerarm over de bankleuning leggen, niet tegen haar schouders maar wel zo dat ze er tegenaan zou kunnen leunen? 

Ik rek mij uit, beweeg naar achteren en leg mijn arm over de leuning en begin een gesprekje met Arie die mij geen donder interesseert maar op zijn telefoontje zit te kijken waardoor ik niet in een conversatie hoef in te breken. Iris beweegt schijnbaar zonder reden, enthousiast in gesprek met Belle, naar voren, blijft zo een paar seconden zitten, leunt weer achterover en zegt verontschuldigend; ‘oh sorry’ als ze met haar nek tegen mijn arm komt. Ik haal mijn arm pratend tegen Arie weg en Iris leunt nu echt naar achter.

Ik heb het wel gehad.

De val

Vannacht? Ik weet eigenlijk niet zeker of het vannacht was, maar laten we dat voor het gemak aannemen. Ik had me al een paar keer omgedraaid. De druk op mijn blaas bleef en waak won het van halfslaap waardoor de tegenzin om onder de warme dekens uit te komen en naar het toilet te gaan het verloor van de wetenschap dat ik er na de gang van af zou zijn en lekker door zou kunnen slapen.

Bij het van de trap afgaan hield ik mij vast aan de reling en steunde bij het naar beneden gaan met mijn rechterhand op treden. Nachtstramheid noopte daartoe.

Na mijn blaas geleegd te hebben wil ik de trap opgaan, maar de keukendeur zwaait open en een donkere gestalte wordt zichtbaar. Ik schrik terug met mij rug tegen de voordeur, de gestalte duikt naar de vloer, komt naar voren en richt zich ongeveer een pas voor waar ik sta op. In het licht dat door de ruit in de voordeur valt zie ik een mensgrote muis op zijn achterpoten voor mijn neus staan. Ik ben te verbaasd om te schreeuwen. Hij houdt zijn kop wat schuin, kijkt mij met zijn in het nachtlicht oplichtende kraalogen aan, schiet dan plotseling naar mij toe en krijst; ‘AAAHG!!!’

Ik zink half door mijn knieën maar de muis begint gelijk onbedaarlijk te lachen. Zo ontzettend dat hij er slap van wordt.

‘Is dat even schrikken!’ Roept hij als hij de controle over zijn lachspieren weervonden heeft. ‘Wat een lol!’

Ik probeer mezelf wat te herpakken maar het is als een droom waarin ik mijn stem niet heb. Muis draait zich half van mij af, stapt naar de keukendeur, wenkt mij en zegt; ‘komt u mee, komt u mee! Ik wil u iets voorleggen.

Ik neem het leven zoals het komt. Natuurlijk verbaas ik mij over dingen maar het ligt niet in mijn gewoonte om ze te bevragen. Staat er plotseling een levensgrote muis voor mij die mijn taal beschaafd gebruikt, dan doet het vreemde er niet meer toe. Het zij zo. 

In de keuken is het rechtsaf de woonkamer in. Middenin de kamer staat een reusachtige muizenval. Ik herken het gelijk want die avond had ik nog zo’n exemplaar, maar dan kleiner, achter de gashaard gezet. Net als ik gisteravond had gedaan stond deze gespannen met pindakaas als lokmiddel.

Er begint mij iets te dagen. Een oude televisiereclame schiet mij te binnen. De boodschap was dat je van pindakaas groot en sterk zou worden. Maar nee, dat kan het niet zijn. Een muis overleeft de greep naar pindakaas namelijk niet.

Toch wat teleurgesteld over mijn spaak lopend verklaringsmodel, ontevreden omdat ik niet aannam maar conclusies probeerde te trekken, kijk ik de muis aan. Zijn vuist raakt mij voluit tegen mijn hoofd en ik ga onderuit.

Ik ben net bijgekomen. De koffie loopt. Ik lag middenin de kamer waarin alles is zoals het altijd was. Alleen de muizenval is weg. Ik ben als de dood voor muizen!

Interview met een duikbootkapitein

‘We zijn hier in een Marinehaven in het noorden van het land.’

‘Den Helder ja.’

‘Is dat niet geheim?’

‘Daar kan ik geen uitspraken over doen.’

‘Goed. Duikbootkapitein. Wat moet de luisteraar zich daarbij voorstellen?’

‘Is dit live?’

‘De uitzending bedoelt u?’

‘Nee.’

‘Goed. Gaat u er in knippen?’

‘Ik niet. Dat doen anderen.’

‘Als er geknipt wordt, wil ik wel weten of ik er in blijf zitten.’

‘Dat moet geen probleem zijn.’

‘Goed, wat wilde u weten?’

‘Niets specifieks.’

‘Ik vind dat er maar weinig om de mening van duikbootkapiteins gevraagd wordt.’

‘Bent u van mening dat daar iets aan moet veranderen?’

‘Dat ligt er aan of de kapitein iets te vertellen heeft.’

‘Heeft u iets te vertellen?’

‘Ik niet. Dat heb ik nooit gezegd.’

‘Maar nu wij er toch zijn?’

‘Kunt u mij net zo goed even helpen met mijn veter.’

‘Wat zijn dit voor grapjes?’

‘Duikbootkapiteinshumor’

‘Daarom vragen wij duikbootkapiteins doorgaans niets. Tabee.’

‘Tot uw dienst!’

De kinderwinkel

‘Zijn ze rustig?’

‘Als ze eenmaal slapen wel.’

‘Kunnen we ze dan ook parttime hebben?’

‘Ik zal even achter vragen.’ 

‘Laten we het gewoon maar niet doen Hans.’

‘Verstandig. Mijn idee.’

‘Snel. Weg.’

Valentijnsrouw

Ik heb op een bericht zitten wachten. Alles wees er op dat er iets zou komen. Tot vijf over twaalf ‘s nachts heb ik gehoopt. Nog eenmaal keek ik bij de berichtjes, ververste mijn mailbox. Ik keek zelfs op de mat. Niets.

Nu ga ik slapen. Het is koud in bed. Mijn nachthemd met een vrolijke tekst er op wordt door niemand gelezen, behalve door mijzelf in spiegelbeeld. Twee beertjes die elkaar vasthouden. Ik huil. 

Onder de deken met sokken aan. Mijn armen, mijn benen om een kussen heengeslagen. Ik lispel; ‘ik hou van jou. Met heel mijn hart en ziel hou ik van jou’. In mijn hoofd hoor ik de mooie stem van Herman van Veen en ik laat mij door hem troosten. Ik val in slaap. 

Vijftien februari. Misschien is hij origineel. Misschien verrast hij mij vandaag.

Het afscheid (samenspraak)

Voorzitter (Nico):

‘Vrienden. Nu wij voor het laatst bij elkaar zijn, wij elkaar voor het laatst spreken, elkaars nabijheid zoeken, na al die jaren genoeg hebben aan een gezichtsuitdrukking, gebaar, om elkaar te verstaan. Nu wij deze trap beklommen hebben, de deur sloten en de politie hebben ingelicht, vraag ik jullie af te sluiten zoals wij gewoon waren bij elkaar te zijn. 

Ik geef jullie de beker door. Neem en spreek je laatste woorden. Rien?’

Rien:

‘Nico, aan mij het genoegen om het spits af te bijten? Welja. Wat moet ik zeggen. 

Ten eerste ben ik blij dat we dit met z’n allen mogen doen. Vijftig jaar. Wat had er in vijftig jaar niet kunnen gebeuren?’

Voorzitter (Nico):

‘Iets minder woorden Rien. Wij zijn met zes en het kan niet lang duren.’

Rien:

‘Je hebt gelijk. Doortastende voorzitter. Dankjewel. Mensen, nu word ik toch wat melancholiek. Ik drink op onze vriendschap. Op wat ons bindt. Voila! Alsjeblieft Els.’

Els:

‘Lieve mensen. Ik weet niet waar ik het allemaal aan te danken had. Erg, heel erg bedankt. Hier, Sjaak.’

Sjaak:

‘Lieve Els, zonder jou hadden we hier nooit samen gezeten. Ik drink op jou. Ik drink op vuur. Koos, oude jongen, moet ik je er mee helpen?’

Koos:

‘Dank je Sjaak. Ik bibber nogal. Verspillen wil ik dit goedje niet. Maar hoor mij. Ik verspil woorden aan handelingen. Ik twijfel. Zie het gouden uur waarop wij hier in de Lange Jan over Middelburg en Walcheren uitkijken. Willen wij dit nooit meer zien?’

Els:

‘Onze zon is onder Koos. Wat ons wacht is de kou van de nacht. Laten we dit uur eeuwig laten duren.’

Koos:

‘Omdat we het samen doen. Ik drink. Evelien, aan jou de beker.’

Evelien:

‘Ik zie Rien voorover zakken. Vrienden, ondersteun hem. Rien, heb je pijn?’

Rien:

‘Ik zak niet voorover lieve Evelien. Mijn veter is los maar als ik voorover buig dan duizelt het me. Ik krijg geen adem.’

Evelien:

‘Nu ik de consequentie van onze daad niet alleen overdenk maar voor mijn neus aanschouw…’

Els:

‘Drink Evelien. We hebben allemaal gedronken. Wat is er zonder ons nog aan? Doe het anders voor mij!’

Evelien:

‘Nico heeft niet gedronken! Els, Nico dronk niet.’

Voorzitter (Nico):

‘Ik zou als laatste drinken Evelien. De voorzitter moet een kort alleen zijn dragen. Had jij die taak liever gehad?’

Evelien:

‘Maar ik wil zien dat je drinkt Nico. Ik wil er zeker van zijn dat je ons niet in de steek laat.’

Sjaak:

‘Laten wij dit mooi afsluiten.’ 

Evelien:

‘Noem je dit mooi? Kijk naar Rien. Kijk naar de worsteling van Els. En jij zelf. Je loopt blauw aan.’

Sjaak:

‘Hebben we nog een keuze? Het is dood of smaad. Blijven wij over dan hebben wij iets uit te leggen! Samen dood heeft iets moois, de consequenties van overblijven zullen vreselijk zijn. Wil je dat? Denk na Evelien!’

Stilte.

Geluid van een sirene in de buurt. 

Evelien:

‘Nico. Wij zijn samen over. Willen wij dit echt? De groep is niet meer. Wij zijn zomaar twee oude mensen.’ 

Voorzitter (Nico):

‘Ik heb mijn ereplicht. Ik drink.’

Evelien:

‘Ik heb een verhaal. Ik doe het niet!’

De politie komt binnen. Evelien loopt naar een raam en kijkt uit over Walcheren. Nico sterft.