Voorzichtig sluit hij de deur. Het is laat. Buiten hoort hij nog even stemmen maar wat er gezegd wordt kan hij niet opmaken. Portieren van auto’s slaan dicht. Motors starten. Weg zijn ze.
Het huis, opeens zo leeg. Zo zonder woorden. Zo zonder haar. Hij loopt de keuken in. Ze hadden zo aardig afgeruimd. In de kamer hoefde hij niets meer te doen. Of, jawel, de stoelen op hun plaats zetten. Lege stoelen. Hij gaat op de bank zitten.
Het nummer dat begon toen ze vertrokken loopt af. Op de tafel ziet hij een portemonnee liggen die niet van hem is. Diana. God, zou ze er nog voor terugkomen?
Hij gaat op de bank liggen…
De bel. Zij is het. Ze vraagt of ze nog even binnen mag komen. Dat had hij gehoopt maar niet durven verwachten. Heeft hij vanavond nog wat te doen? Natuurlijk niet. Het is half twaalf. Wat zou hij nog moeten doen? Ze vraagt of hij het leuk zou vinden als ze samen de afwas zouden wegwerken. Dat hoeft niet, zegt hij. Ze is lief en eigenlijk is het hem te veel om een tweede keer die avond de deur te moeten dichtdoen.
Dat zegt hij natuurlijk niet. Die verdomde melancholie. Dat verlangen. Daar kan hij haar niet mee lastigvallen. Zijn zwaarte mag haar niet afschrikken.
Toch voelt ze het aan. Hoe luchtig hij ook doet.
‘Ik blijf vannacht bij je Joris. Als jij dat goed vindt.’
…Hij schrikt wakker. De bel. Erik. Diana heeft haar portemonnee laten liggen. Ze had hem gebeld. Zij woont een stuk verder weg en Erik zou haar morgen toch zien.
‘Bedankt Joris. Het was gezellig. Moeten we vaker doen. Doei!’
Joris sluit de deur voor de tweede keer. Met deze avond is hij wel klaar.
