Een vreemde situatie

Misschien is het u ook wel overkomen. 

Ik nam een vroege trein uit de stad waarin ik sinds een aantal jaar woon. Het was onverwacht warm voor de tijd van het jaar. In de bus naar het station was het vrij rustig. Een meisje keek in een kookboek over recepten met pasta, een jongen achterin de bus hield als een goochelaar met zijn handen tennisballen hoog. Telkens als de bus remde schoten de ballen naar voren en ging de jongen ze achterna. Een oude mevrouw had nu eens een looprek in plaats van de gebruikelijke rollator. Ze had het ding hinderlijk in de weg gezet. Wie zich er langs maneuvreerde kreeg een verontschuldigende oude damesglimlach. De buschauffeur was vrolijk. Waarschijnlijk voor het eerst dit jaar was een zonnescherm nodig. 

Hoewel ik hem half open geritst had  zat ik in mijn winterjas te puffen. De bus remde voor een halte, de deur ging open, het meisje met het kookboek stapte uit en een tennisbal rolde de stoep op. De jongen sprong de bal snel achterna, de busdeur sloot. Jas en tas van de jongen bleven achter in de bus. Ik merkte het niet direct op, de buschauffeur pas een aantal haltes later. “Daar belt hij wel voor” was zijn laconieke commentaar. Hij liet er zijn vrolijkheid niet door verpesten.

Ik haalde mijn schouders op. Wat kun je anders doen? 

De trein stond al op het perron. Ik ging onderin op een tweepersoonsbankje zitten en trok mijn jas uit. Zelfs de pullover die ik aanhad was te warm. Ik keek wat op mijn telefoon, de trein vertrok en ik verbaasde me over de stem van de conducteur over de intercom. Ik herkende het maar ik kon het niet plaatsen. Zelfs zijn manier van spreken was mij opmerkelijk vertrouwd. 

Ik verdiepte mij in een boek en dacht er verder niet meer aan. 

Toen hoorde ik hem het trapje naar de onderste coupé afkomen. Hij zei iets tegen een man die hij passeerde en dat deed mij naar hem omkijken. 

Ik was totaal, maar dan ook totaal verbijsterd. Ik stond op en liep als een haas de trein door naar voren. Achter mij hoorde ik de conducteur; ‘die krijgen we zo wel’ zeggen. Drie coupés verder, op een balkon, wachtte ik  in spanning op het volgende station. Ik moest wel uitstappen voordat ik met hem zou moeten praten. 

De trein minderde vaart. Ik zag de conducteur aankomen maar hij kon mij nog niet goed zien. Zijn manier van bewegen ontroerde me onverwacht.

Hij moest weer eens iets vriendelijks tegen een meisje zeggen. Dat gaf mij tijd om snel uit te stappen. Ik was al bijna het perron af toen ik omkeek. Ik zag hem niet duidelijk meer maar ik wist wie hij was. Hij keek mij na maar met zijn slechte ogen werd hem bespaard wat ik had waargenomen. Ik was het.

Hoe dat soort dingen kunnen? Ik weet het niet. Ik heb het er met verschillende mensen over gehad. Ik ben mezelf tot nu toe niet meer tegengekomen maar zo nu en dan lach ik naar de spiegel. Ik ben toch wel tevreden met mezelf.

Doorkomen

In de hete schaduw in een hoog zomerse achtertuin van een jaren vijftig rijtjeshuis, overdenk ik, terwijl ik de gastvrouw door de open deur in de keuken bezig hoor, terwijl haar buurman hoest en in de flat die op de achtertuinen uitkijkt volksmuziek klinkt, mijn leven. 

Ik weet er nog niets van want ik ben zo jong maar dat voelde ik toen nog niet. Ik loop vast in onbelangrijke details als ik denk. Er zijn zo veel zijwegen! Van het al dan niet bestaan van God dwaal ik af naar wat een grasspriet daarover zou denken als een grasspriet denken kon. Van de grasspriet gaat mijn gedachte over op de droge brokjes aarde in het perkje waarin rozenstruikjes staan. Ik kijk naar de dakrand van de rijtjeshuizen en dan weer naar het tegelpad naar de achterdeur. 

Een iets minder warm briesje dan de stilstaande lucht voel ik langs mijn armen. Ik sta op en open de deur van het schuurtje waarin het naar een opgewarmde variëteit van spullen ruikt.

De gastvrouw komt de tuin weer in met een dienblad waarop twee glazen met frisse cola staan. De glazen zijn zo leeg! 

Ik wil goed gezelschap zijn maar het is te warm. Ik ben te loom. Ik kom tot niets. Zij is sowieso geen prater.

‘Ik moet maar weer eens gaan’; zeg ik en ik neem het dienblad met de glazen voor haar naar de keuken waar ik ze op het aanrecht zet en het dienblad tussen het fornuis en het keukenblok.

Ik kijk de woonkamer in en kan me bijna niet voorstellen dat ik hier ook ‘s winters kom.

Ze staat achter mij in de gang als ik nog even in de spiegel kijk. Dat ik het heet heb is mij aan te zien.

Dan open ik de voordeur en neem afscheid. Aan het einde van de straat kijk ik voordat ik de hoek omsla om. Ze zwaait. Ik zwaai terug. Ik weet niet wat ik nu ga doen. Misschien een rondje over het winkelplein. Maar het is zondagmiddag en bovendien 1998. Nee; ik weet het niet.  

Het vrijdagmeisje

Lagere school. Eerste verliefdheden. Vaak niet veel verder komend dan groep acht.

Ze heette Lisenke. Donkerbruin haar, donkere ogen, klein neusje en haar mond heeft u niet van mij. Ik herinner mij haar als een leeftijdsgenootje en zo moet u de geschiedenis ook lezen.

Het was de Dammanschool in het hartje van de stad R. Groep acht. De klas bestond uit kinderstemmetjes en gebroken stembanden, meisjes en jonge vrouwen. 

Met mijn stem wilde het niet vlotten. Ik was dan ook stil, want eerzuchtig. Lichamelijke ontwikkeling was toen nog iets om naar uit te kijken. Een centimeter meer op de meetlat. Puisjes? Daar dacht je nog niet aan.

Lisenke was ook altijd wat stilletjes geweest maar er veranderde iets in haar. Ik wist niet wat maar ik begon haar te zien. Ik was overigens niet de enige. Gelukkig niet een van de velen. Lisenke was niet voor de massa. Ze was voor fijnproevers. Ze kreeg wat later ‘ze heeft hét’ zou zijn. Ze hoefde er niets voor te doen. 

De tafeltjes in ons lokaal stonden als eilandjes verspreid in een zee van grijsgroen linoleum.

Ik zag haar vooral en profil. Licht en schaduw in de klas tekenden haar beeld en zo herinner ik mij haar. Uitgelicht of half in schaduw.

De zegen van het einde van het schooljaar is dat het in het begin van de zomer valt. De laatste tijd van mijn lagereschooltijd hangt dan ook zonnig, of door zonnescherm beschut, in mijn herinnering. Vuil kunstlicht was voor de winter waarin niets opbloeit.

Ik begon haar te missen. Dat was het. Niet letterlijk want we waren er met z’n allen nog maar de idee dat het ooit afgelopen zou zijn met ‘ons’ greep mij aan. Ik zag haar nu met de voorpost van heimwee aan. Het weekend werd de wenperiode voor altijd.

Lisenke had, dat hoop ik tenminste, niets in de gaten. Ik wist ook dat mijn liefde bekennen de betovering zou verbreken. Liever ongestoord verlangen dan verloren illusie!

Zo gingen ongeveer twee maanden voorbij totdat het de laatste vrijdag was. Lisenke was er niet. De meester vertelde dat ze een beetje ziekjes was en haar moeder had hem gezegd dat we allemaal de groetjes van haar moesten hebben.