Gevolgen

Terug in mijn appartement. Het is warm voor de tijd van het jaar. De krant onder mijn arm. Ik loop er mee naar het balkon, leg hem op het klaptafeltje, loop terug naar de keuken, schenk mezelf een glas pils uit de koelkast in en nestel mij in de gemakkelijke tuinstoel met uitzicht op zee.

Het is net na vijf uur, half juni. Mijn vrouw is weg. Met vriendinnen een paar dagen Gent. Voordat ik de krant lees sta ik nog even op en loop naar de rand van het balkon dat uitzicht geeft over de boulevard van Vlissingen. Het is druk met toeristen. Veel Duitsers. 

Hun lome gang van strand naar friettent geeft mij dezer maanden zelf voortdurend een vakantiegevoel. 

Op het terras van de frietzaak zie ik een gezinnetje. Vader nog redelijk jong maar toch al een bierbuik. De moeder druk in de weer met een meisje van een jaar of vier. Huilerig, moe van de dag. Het jochie praat in een stuk door tegen zijn vader terwijl deze hoofdknikkend af en toe antwoordt terwijl hij door het felle zonlicht moeizaam op het scherm van zijn telefoontje staart.

De jonge moet een jaar of zes zijn. De buzzer, het apparaatje waarmee ze gewaarschuwd worden dat ze hun bestelling kunnen ophalen licht rood op. Vader komt overeind, zijn zoontje loopt met hem mee. Moeder is met een zakdoekje in de weer. Ze veegt de handjes van haar dochtertje af dat opveert als vader en zoon met hun vangst terugkeren.

In de monding komen, met de grootste rust, allerlei schepen voorbij. Gewoon fijn gedoseerd, met tussenpozen, lang genoeg om individueel zoals modellen op de catwalk bewonderd te worden. Beroepsvaart. Schepen die aan varende fabrieken doen denken, nu en dan een containerschip en telkens weer de loodsboten die af en aan varen om de schepen door de vaargeul te begeleiden.

Een meeuw landt op de rand van mijn balkon. Hij staart stom om zich heen. Hier is niets te halen. Hij klapwiekt en is weer weg. Ongetwijfeld richting friettent.

Ik ga zitten. Mijn bier is ondertussen doodgeslagen, maar nog koud genoeg. Met een paar snelle slokken drink ik het glas leeg en loop naar de keuken voor nog maar een glas dat ik nu niet laat doodslaan. 

Een blik erwtensoep moet het vanavond maar doen. Ik heb geen zin om te koken, te bestellen of zelf friet te halen. 

Terwijl de soep opstaat snoep ik wat kaas. De pils maakt mij wat rozig. 

Met de kom soep ga ik terug naar het balkon. Ik leg mijn benen op de klaptafel, vouw de krant nog eens dubbel, leg hem op mijn schoot en ik zet de soep daarop.

Van beneden hoor ik mijn naam roepen. Het is Charles. Of ik zin heb eens flink wat vlees en raki naar binnen te werken? Ik ben een pleaser dus zet ik de kom en de pan waar nog wat in zit in de koelkast. Ik zoek een bij mijn kleding passende cap uit en trek de deur achter mij in het slot.

Charles staat bij de voordeur van het appartementencomplex. Lederen sandalen, halflange broek, half open overhemd, daardoor blote borst. Een dun zilveren kettinkje, gebruind, vol zwart haar en net als ik eind veertig.

Met zijn zonnebril op lijkt hij wel een Amerikaan, een gladde rijke zakenjongen. In werkelijkheid is hij kunstenaar. Telkens weer een ander meisje dat hem een poosje onderhoudt.

Hij draait een shaggie en steekt hem op. Die heerlijk vrije geur van vers brandend tabak verspreid zich rond hem heen. Charles is avontuur. Je hoeft er niets voor met hem te beleven. 

We worden gastvrij in het restaurant ontvangen. De hele avond blijft de raki maar komen. Minstens de helft ervan wordt niet in rekening gebracht. We vreten ons barstensvol en rekenen dronkengul meer af dan dat de eigenaar inclusief fooi van ons had kunnen verwachten als hij wel alles in rekening gebracht zou hebben. 

Als boezemvrienden verlaten we het restaurant. Van daaraf is het maar een paar minuten lopen naar het vestigingwerk, het bolwerk, het havenhoofd van het stadje Vlissingen. Het is al na middernacht als we dronken van onze wandeling genieten. 

We lopen de gang onder het bolwerk door, de kazematten, en zo komen we op het zeegat uit. Het is hoogwater en Charles wil een houten pier op waar we eigenlijk niet mogen komen. Charles doet het wel, verdrinkt natuurlijk en hier zit ik dan.

Het ging zo snel en ik ben zo verdomd dronken. Hij gilde niet eens. Hij gleed uit, viel in het water en was vrijwel direct kopje onder. Net of er niets gebeurd was. 

Ik moet ontzettend pissen en dat doe ik in het water. Het stinkt hier al genoeg naar urine. Dat van mij hoeft er niet bij…

…Ik word met vreselijke hoofdpijn wakker. 

Met kleren en al ben ik op bed in slaap gevallen. De bel. Die heeft mij dus gewekt. Wederom, de deurbel.

Ik wil de intercom beantwoorden maar er wordt al op de deur van mijn appartement geklopt.

Het is de politie. Charles is aangespoeld. U bent het laatst met hem gezien. ‘Klopt’, zeg ik; ‘Charles is bij het bolwerk verdronken.’

De agent ziet dat het nu niet de tijd is om te praten. Hij raadt mij aan een flinke bak sterke koffie te nemen en mij aan het einde van de middag voor verhoor bij het politiebureau te melden.

Ik beloof dat ik dat zal doen en zo loop ik nu in godvergeten hitte naar het politiebureau. Er valt niet veel te vertellen. Dat zullen ze wel begrijpen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *