De drank was een slecht idee geweest, maar goed, dat is achteraf bekeken.
In de warmte geklooi met trein en bussen om eindelijk te komen waar we wilden zijn; de bootverhuur in de Hollandse Biesbosch.
Mijn vrouw in een sportieve rolstoel. Lopen gaat moeizaam, in en uit een bootje klimmen heus wel. Thuis red ze zich ook. En als de boot zou omslaan kan ze zwemmen. We verwachten geen problemen. Beperkt maar niet zonder mogelijkheden.
We huren een roeiboot, werken er de ingeklapte rolstoel in en beginnen aan het middagje op het water.
Onze waardevolle zaken doen we in de daarvoor bestemde witte plastic ton met rood draaideksel. Je weet maar nooit! Een papieren kaart van het watergebied moet afdoende zijn.
Na een uurtje of twee varen hebben we trek en we zoeken een weitje op waar we even onze benen kunnen strekken. De rolstoel laten we in de boot. Het is maar een paar meter naar het picknicktafeltje aan de waterkant. Het is hier beheerste natuur. Je hoeft niet op een kleed te zitten.
Als we net onze boterhammen uitgepakt hebben komt er een prachtigmooi jong stel achter het groepje struiken op het eilandje vandaan gelopen.
Toch enigszins melancholiek kijken wij elkaar aan. Wat is jong zijn toch een lieve staat van zijn! Ik hou van mijn vrouw en zij houdt van mij. Ik hou van haar lichaam en zij van het mijne maar we zijn elkaar zo gewend, zo vertrouwd. Wij houden van elkaar ondanks lichamelijke onvolkomenheden die nu eenmaal het gevolg zijn van blijven leven. Zij houden van elkaar als twee goden die elkaar ontdekken. De snoepkraam die jeugd heet. Voor buitenstaanders verboden.
Zij glimlacht naar ons met de glimlach van vergevingsgezinde schoonheid. Hij is wat meer schuchter. Zijn alleen zijn met haar is verstoord en nu moet hij zich hier, voor haar, dapper doorheen slaan. Galanter dan dat hij eigenlijk zijn wil biedt hij ons een slokje aan uit een flesje met een of andere sterke drank.
Verlegen met de situatie maar ons ongedwongen voordoend drinken wij een slokje. Ik vind het altijd wat vreemd om uit eenzelfde flesje te lurken als waar anderen uit drinken, maar ik doe het alsof ik het heel normaal vind. De zoetige smaak, al aan de opening van het flesje, associeer ik met de mooie volle lippen van het meisje. Voilà, zo is het nou eenmaal. Ik moet er wat plezier aan beleven.
Ze gaan zitten. Mijn vrouw biedt ze wat koekjes aan en gooit de verpakking, onze lege pakjes drinken en het zilverfolie waarin ons brood zat in de vuilnisbak en we drinken nog een slokje van het sterke spul totdat het tijd is om afscheid te nemen en naar de boot terug te gaan.
Hun boot ligt aan de andere kant van het eilandje en we nemen, door de alcohol iets meer geroerd dan natuurlijk zou zijn, afscheid.
In de boot wachten we een poosje. Ik zou het ongemakkelijk vinden om ze nu weer tegen te komen. Om onze vrijheid geef ik niet zo, wel om de hunne. Een zwaaiend paar van middelbare leeftijd als je denkt weer fijn samen te zijn lijkt mij helemaal niet leuk.
Ik stuur een klein kreekje in en na een kwartiertje varen merk ik dat de boot niet meer zo lekker door het water gaat. Het is hier ook wel behoorlijk smal. Omkeren wordt lastig. Het water staat laag. Door de droogte van de laatste tijd wellicht. Ik zie het aan droge modder aan onderkant van begroeiing aan de waterkant. Wat mij verontrust is dat er ook een deel nog natte modder boven water uitsteekt. Zo’n tien centimeter, schat ik. ‘Laagwater’ zeg ik hardop; ‘snel, maken dat we terugkomen. Terug naar het diepere deel!’
Een klein stukje komen we terug, maar dan loopt de boot vast.
Mijn vrouw opent de ton en vindt daar tot haar verbazing niet onze waardevolle eigendommen terug. ‘Ze moeten het er door ons niet opgemerkt uitgenomen hebben’, jammert ze. ‘Hoe kan dat nou?, vraag ik haar; ‘je moet dan toch gemerkt hebben dat de ton minder woog dan toen we uit de boot stapten?’ ‘Jij droeg de ton toen joh, mijn dichte schoenen zaten er ook in. Ik heb het gewoon niet opgemerkt.’
Ik wist niet wat ik moest doen. Mijn vrouw hier, slecht ter been, in dit stomme kreekje; ‘goddomme die klotedrank! Overmoedig word je van die teringzooi. En onoplettend. Jezus nog aan toe. Waar zijn we in terechtgekomen?’ Ik huil bijna van schaamte en frustratie; ‘Die heerlijke jongelui, wat een klootzakken!’
‘Don’t judge a book by its cover’, zegt mijn vrouw toch nog grappig en opeens moeten we lachen. De waanzin van dit alles!
‘Ja jongen, we zullen iets moeten. We kunnen hier niet blijven zitten.’ En dat, dat was precies wat we besloten. Er wel blijven zitten. Wat zakt zal ook weer stijgen en het leek mij geen goed idee om hier Indiana Jones avonturen te gaan beleven. Gewoon blijven zitten.
Al snel werd het, ondanks dat we aardig beschut zaten, vies zweten en insecten van onze lijven houden. We hadden nog vier pakjes drinken en we besloten er zuinig mee te zijn.
Zeven lange uren later, we hadden gezongen, toch nog door de ontmoeting geïnspireerd de liefde bedreven en wat gedut, kwam de boot ver genoeg omhoog om terug te kunnen varen.
Nog eens twee uur later, het was inmiddels donker maar gelukkig een avond met voldoende maanlicht, kwamen we bij de botenverhuur terug.
Op het bankje, voor het kantoortje, zat het meisje. Alleen.
Ze hadden ruzie gekregen. Ze had het gemeen gevonden wat haar vriendje gedaan had. Oude, gehandicapte mensen, zo naaien. Ik dacht, ik, gehandicapt? In discussie ging ik niet.
Ook zij waren na sluitingstijd teruggekomen, hadden het nummer van de bootverhuur gebeld en gezegd dat ze samen met ons de boot inleverden. We zouden een boete van de verhuur krijgen. Daar konden we niet onderuit. Zij was blijven wachten. Haar vriendje, haar ex moest ze zeggen, was weggegaan. Ze had hem gedwongen om haar daar achter te laten. Anders zou ze de politie bellen.
We hadden onze waardevolle spullen terug en ik wilde de politie nu wel bellen. Mijn vrouw weerhield mij. ‘Ze is gewetensvol blijven wachten lieverd’, zei ze vergevingsgezind. ‘Maar er had ons van alles kunnen overkomen’, antwoordde ik.
‘Ze huilt. Ze is schuldbewust. Een kind. Laat het zo zijn’, zei mijn vrouw terwijl ze het meisje over haar hoofd streek. ‘Kom, we kunnen hier niet zo blijven’. Zo nam mijn vrouw de leiding. ‘Heb je hier ouders in de buurt wonen? Er rijden al lang geen bussen meer.’
Het meisje belde haar vader die een half uurtje later verscheen. Hij behandelde haar als een klein stout kind en ik zag dat kind. Mijn god, vanmiddag was ik nog van haar gecharmeerd geweest.
De nacht brachten we door in de kamer van het meisje. Een tienerkamer nog, die ze ontgroeid was. Zij lag voor deze keer boven, op een matje naast de cv-ketel.
Wij waren uitgeput en we sliepen een droomloze slaap.