Het toneel

“Wreed, je stilte. Wreed, het sluiten van je ogen. Wreed, mij hier zo laten staan.

Vrouw. Kijk me aan. Zie mijn pijn. Gun mij tenminste je ongemak.

Neem mijn hand. Niet? Ik ben gewond lieverd. Eindelijk kwetsbaar. Mijn narrenmasker is af.”

‘Tot zover Geert. Heel goed Tessa. Een perfecte ijskoningin. Zo wil ik jullie vanavond zien. De tranen lopen verdorie over mijn wangen. Lunch mensen!’

‘Ik vind het allemaal nogal bombastisch’, zegt Geert terwijl hij achter Tessa aanloopt, het podium af. ‘Vind je dat?’, antwoord ze zonder haar mening te geven. ‘Wat vind jij dan?’, vraagt Geert terwijl hij naast haar gaat lopen. ‘Ik vind het heel goed gedaan’ merkt ze op en ze gaat haar kleedkamer in.

Geert gelooft er niets van. Tessa is een ervaren actrice. Dit soort rotzooi, hij had gedacht dat zij er haar neus voor zou optrekken. Het spijt hem dat hij de opmerking maakte. Nu is hij echt kwetsbaar. Hij heeft zichzelf laten kennen. Terwijl hij niet anders kan denken dan dat ze van eenzelfde mening zou zijn, kiest ze de kant van de schrijver die ook de regisseur is.

Hij en Tes waren lang vriendjes geweest, maar de laatste tijd voelde hij een zekere onaangename spanning. Haar lachen om zijn grapjes was hooguit gegeneerd glimlachen geworden, de cadeautjes die hij voor haar kocht konden niet meer op dat lieve enthousiasme rekenen. Wat de verandering veroorzaakt had vond hij moeilijk te vatten.

Wat hadden ze samen moeten lachen om idiote teksten, wat waren ze beiden in vervoering geraakt van echt mooi toneel. Ze waren maatjes geweest. De spil van dit gezelschap.

Voor zover hij kon weten was er niemand tussengekomen. Geen ‘upcoming leading man’, geen concurrerende actrice. Alleen de huisschrijver/regisseur was nieuw. Maar Tessa is lesbisch dus in de emotionele sfeer verwacht hij het niet.

Of toch? Met de nieuwe schrijver/regisseur was het woordje ‘zelfbewustheid’ het theater binnengedrongen en sinds dat woordje klonk gedroegen veel mensen zich geleidelijk aan anders dan eerder. Voor hem voelde de omgang steeds meer als de anderhalve meter afstand die in de pandemie een paar jaar geleden voorgeschreven werd.

Anderhalve meter emotionele afstand. Hij vond het moeilijk, maar met een raar soort blijmoedigheid leken collega’s het op te nemen. Vrolijkheid werd zoals het nooit tevoren geweest was. Een vrolijkheid die hij als een surrealistische dans zag. Een stoelendans waarbij hij steeds niet snel genoeg was.

Geert besluit na zich omgekleed te hebben er bij Tessa op terug te komen. Ze is nog in haar kleedkamer en hij kan binnenkomen. ‘Tes, ik heb er nog eens over nagedacht. Ik vind het eigenlijk best een goed stuk. Die kwetsbaarheid, die is eigenlijk wel nodig. Ivo heeft dat goed gezien.’

Tessa kijkt hem aan en geeft hem een goedkeurend hoofdknikje. Hij voelt dat hij er nog lang niet is, maar hij komt in zijn rol.

Die avond, de première, is een doorslaand succes. Fantastische acteurs!

Twee schrijvers

‘Doe je best. Je kunt het ook!’

Ik voel me een boerenlul. De literaire schrijver zit tegenover mij en heeft net een van mijn verhalen gelezen. 

‘Je geeft nauwelijks om stijl. Je maakt het zo gewoontjes. Jij schrijft; “Het meisje was bang.” Ik wil die angst voelen Jasper.’ 

‘Maar daar gaat het mij niet om. Zie zelf maar voor je hoe het meisje bang is. Ik wil daar als schrijver niet tussenzitten.’

‘Probeer het eens. Laat eens zien wat je in huis hebt.’ 

‘Dit heb ik in huis Erik. Dit is mijn stijl. Jij vindt het geen stijl. Jij vindt het gedachten op papier kwakken en klaar.’

‘Een beetje wel. Verhaaltjes vertellen kan iedereen. Je moet het naar literair niveau trekken.’

‘Wat mag dat dan wel zijn, literair niveau?’ 

‘Daar is geen vaste omschrijving voor. Je verhaaltjes zijn zo eenduidig. Er staat wat er staat. Je doet bijvoorbeeld amper moeite om metaforisch te schrijven. Ook zie ik bij jou helemaal niets van aansluiting bij wat voor maatschappelijk debat dan ook. Je doet niet mee. Je hebt niets essentieels te zeggen.’

‘Ik schrijf over de mens. Het onveranderlijke.’ 

‘Ik neem daar geen genoegen mee. We leven in deze wereld. Heb je er helemaal niets over te zeggen, zelfs niet in het klein? Wil je het veilig houden? Weet dat je niet lauw kunt zijn. Geen mening uiten betekent er niet toe doen.’

‘Ik wil er niet toe doen. Ik wil doen wat ik mooi vind; La condition humaine. Los van ‘het nieuwe denken’, veranderende machtsstructuren, opwarming van de aarde, nou, zo’n beetje alles. De mens blijft hetzelfde’! Probeer de mens te kennen en weet dat het gewoon mens zijn door al het idealisme heen breekt. We blijven altijd met onze natuur te maken hebben. Niets kan daar omheen; het opheffen. Al lijkt het soms zo.’

Mijn vriend schudt zijn hoofd. Tot mijn verbazing staat hij op, legt wat geld op het cafétafeltje, neemt mijn hand en drukt hem stevig. ‘Ik moet gaan jongen. Weet je…’ Hij zucht, blijft staan, lijkt te twijfelen, schuift zijn stoel weer naar achteren en gaat zitten. 

Het is zijn zoon. Zo’n drie jaar geleden begon het. Net student, vers van het VWO. De wereld leek voor hem open te liggen. 

Met zijn blonde kop en flinke, niet slungelige, lengte, zijn beweeglijke gezicht met die lichtblauwe ogen van hem. Een aantrekkelijke knul. Lijkt op zijn moeder. Een gelukje van de natuur noemt zijn vader hem.

De vrouw van mijn collega schrijver was ook zo’n mooi blond ‘hoe kan zoiets bestaan’ wezen. Ze was op hem gevallen omdat hij zo fijn poëtisch is. Nu word je dat ook wel van zo’n vrouw, zelfs ik zou er minder rechttoe rechtaan van gaan schrijven. Haar poëtisch bezingen veranderde in de jaren van smachtend naar minnend, tot vandaag waarop het betreurend schrijven overblijft. De godin bleek van de jeugd en daar bleef ze ook in. 

Op een dag had ze zich verhangen. Mijn collega schrijver zag het aankomen want het ging al een poos niet goed met haar. Zijn zoon was nog zo jong. Hij omklede haar sterven met een mythische verhaal wat zijn kracht in de loop van de tijd, het opgroeien van de jongen, haar kracht wel wat verloor maar toch altijd iets van troost voor het gemis bood. 

De jongen, niet in het minst door zijn fysieke verschijning algemeen geliefd, vond moedermiscompensatie in liefdevolle vriendinnetjes en toffe onbekommerde vrienden. 

Zo verscheen hij op de universiteit, maar het studentenleven dat vroeger als zo’n beetje de mooiste tijd van een jeugdige gezien werd, heeft in de moderne prestatiemaatschappij een deel van haar glans verloren.

Student zijn is daarnaast een toestand van het innemen van posities in zoveel uiterst belangrijke debatten. Zo veel is zo beladen geworden. Zelfs het constateren dat zaken beladen zijn is al oppassen geblazen. De twee zaken die vermeden moeten worden zijn verbazing en verontwaardiging over wat je in een discussie brengt. 

De grote blonde knaap zag in dat idealisme altijd beter is dan onverschilligheid. Helaas begon de zwaarmoedigheid die zijn moeder zo fataal geplaagd had ook bij hem op te spelen. Hij zocht ontsnapping aan zijn spoken in met overgave geloven in waarmee hij bezig is; zowel studie als activisme.

Mijn collega trekt wit weg. Helemaal vergeten dat hij wilde vertrekken vraagt hij het barmeisje om een glas jonge Jenever. Nadat ze het voor hem op tafel zet, voor mij ook want ik ging mee met zijn bestelling, nemen we een flinke slok en hij buigt zich voorover, tot vlak voor mijn gezicht.

Vanmiddag gaat zijn zoon voor euthanasie. Heel wat netter dan verhangen. Hij heeft graag dat zijn vader er bij is. 

‘Godverdomme Jasper. Ik probeer het te verdringen. Daarom zit ik hier met jou in dit rotcafé. Ik probeer me vast te houden aan  het enige dat me trouw was in het vasthouden; het verhaal. De mythe.’

Zo blijven we tegenover elkaar zitten. We kunnen niet tot opbreken komen. Hij maakt een nieuwe mythe, ik schrijf dit verhaal. Dit einde heb ik zelf in de hand.

Erik kijkt mij aan. Wat vind jij acceptabel vraagt hij? Ik zeg dat een verhaal drama nodig heeft. 

‘Laat het dan maar zo.’

Achter het raam

Mijn tweede glas wijn nadat ik al een stevig biertje op heb.

Een terras van een Italiaan in B. Mijn vrouw begint aan haar hoofdgerecht en laat mij proeven van wat ze op haar bord heeft. Heerlijk, maar ik ben blij dat ik het mijne koos.

Zij kijkt op het plein uit. Ik op de bedrijvigheid van terras en de ingang van de zaak waardoor eigenaar en bediend personeel af en aan lopen. 

Mijn vrouw voorspelt regen. Ik betwijfel het en kijk naar de lucht voorbij de parasol waaronder wij voor de zon schuilen. 

Nadat ik de lucht bekeek gaat mijn oog langs de gevel van het pand naast het terras waar wij eten. Waarschijnlijk negentiende eeuws. Boven vier grote ramen met kleinere ramen daarboven. De twee rechtse vallen mij op. Zwarte duisternis achter de ruiten, in tegenstelling tot de andere twee ramen waar iets als lichte vitrage voor hangt.

Ik wil er verder geen aandacht aan besteden maar telkens worden mijn ogen er naartoe getrokken. Ik probeer het te negeren maar dat gaat zo moeilijk. Een derde keer kijk ik nu en de rillingen lopen over mijn rug, ik laat mijn vork vallen en mijn vrouw schrikt. 

Klopt het wat ik zie? Het is eigenlijk nog wat te warm om alcohol te drinken. Wat zou mijn vrouw zien?

Ik vraag haar met mij van plek te wisselen. Zachtjes fluister ik over tafel wat ik zag. Ze kijkt sceptisch, wil eerst niet om zo iets belachelijks wisselen, maar ze geeft toe als ik aandring.

Ik kijk haar gespannen aan terwijl ze naar de eerste verdieping van de gevel naast ons kijkt. Donker ja, dat klopt. Maar een meisje? Nee. Nu niet en tien minuten later nog niet.

Ik wil weer van plaats wisselen en ik zie het meisje niet meer. Heel ongemakkelijk. Rot als je niet op je waarneming kunt rekenen. Niets aan te doen.

Thuis, ‘s nachts, heb ik een droom. Het meisje wenkt naar me, van achter het raam. Verder niets.

Ik zie het als gevolg van de drank en negeer het als ik wakker word. Dagen besteed ik er geen aandacht aan. Dagen vertel ik het niet aan mijn vrouw.

Na twee weken vind ik het echt wel genoeg geweest. Elke nacht droom ik het één of meerdere keren. Het meisje achter het raam wenkt. Verder doet ze niets. De droom komt uit het niets op en lijkt uit het niets af te breken.

Ik besluit het niet met mijn vrouw te bespreken. Eerst onderzoek te doen.

Dat begint met de zaak te bellen waarboven de ramen zijn. Van hen krijg ik te horen dat ze het binnenkort als restaurantverdieping gaan inrichten. De zaken gaan goed. Nu staat het leeg, althans, dat denken ze. De verdieping is nog niet aan het restaurant verhuurd. Na de zomer hopen ze overeenstemming te hebben met de verhuurder. Ik krijg zijn nummer tegen de belofte dat ik zelf niet iets met de ruimte van zins ben en het dan met een mooi huurbedrag voor de neus van het restaurant wegkaap. Ik beloof het op straffe van eeuwige verdoemenis als ik woord breek en ik bel de verhuurder.

Ik besluit hem uit te horen zonder dat ik andere bedoelingen laat weten dan huur van de verdieping. 

Hij is loslippig omdat hij iets interessants verwacht. Toch is het teleurstellend wat hij mij kan vertellen. Ik loop eigenlijk vast en besluit om een bezichtiging te verzoeken. Dat kan. Morgen al.

Het is dinsdagochtend. Het restaurant is nog niet open. De eigenaar doet de boehouding, de kok is de keuken aan het voorbereiden en bedienend personeel rommelt ook wat rond.

De verhuurder leidt mij op het afgesproken uur door de zaak naar een trap achter een deur net voor de toiletten van het restaurant. Ik vraag hem wie er naast hem een sleutel van deze deur heeft. Hij laat mij weten dat de deur nooit op slot is omdat er een nooduitgang van het pand via het dak is. 

Nu zie ik het. We gaan naar boven. Er zijn twee ruimten en een gang langs achter. Door die gang gaat de noodweg naar een raam het platte dak op.

In de gang zijn twee deuren naar vrij grote kamers. De verhuurder zegt dat dit alles doorgebroken kan worden zodat het één grote ruimte wordt. Ik knik geïnteresseerd maar vraag hem de deur van de kamer met de donkerte uitstralende ruimte te openen. 

De verhuurder lacht onbegrijpend. Van donkerte uitstralende ruimten heeft hij nog nooit gehoord. Als hij de deur van het slot wil draaien is hij verbaasd dat het slot al geforceerd blijkt te zijn. Hij stapt naar binnen. De deur klapt achter hem dicht voordat ik hem kan volgen.  

Ik probeer de deur weer te openen maar het lukt mij niet. Ik hoor een geluid als veel messen die tegen elkaar aan bewegen. Daarna een soort afzuigend geluid zoals bij een stofzuiger. Dan wordt het stil.

Ik klop op de deur en probeer hem te openen. Dat lukt. Binnen is het bijna zo zwart als de nacht. Door het raam schijnt een beetje licht naar binnen. Gedaantes op de vloer. Lichamen waaronder dat van het meisje dat ik toch nog herken..Vijf mensen in totaal. Stank.

Kokhalsend vlucht ik naar de deur terug. In het gangetje komt restaurantpersoneel mij tegemoet. Ze houden mij tegen. Het gestommel boven heeft hen gealarmeerd en nu komen ze polshoogte nemen.

Mijn voetstappen door bloed op de vloer in de kamer. De lichamen. De afspraak met de verhuurder. De conclusie is snel getrokken.

Politie is snel ter plaatse en ik word aan hen overgedragen.

Ik zit er nu op het politiebureau mijn hoofd over te breken hoe dit alles toch kan. Hoop op een goede afloop heb ik niet. Ik ben er gloeiend bij!

Nautisch avontuur

De drank was een slecht idee geweest, maar goed, dat is achteraf bekeken.

In de warmte geklooi met trein en bussen om eindelijk te komen waar we wilden zijn; de bootverhuur in de Hollandse Biesbosch.

Mijn vrouw in een sportieve rolstoel. Lopen gaat moeizaam, in en uit een bootje klimmen heus wel. Thuis red ze zich ook. En als de boot zou omslaan kan ze zwemmen. We verwachten geen problemen. Beperkt maar niet zonder mogelijkheden.

We huren een roeiboot, werken er de ingeklapte rolstoel in en beginnen aan het middagje op het water. 

Onze waardevolle zaken doen we in de daarvoor bestemde witte plastic ton met rood draaideksel. Je weet maar nooit! Een papieren kaart van het watergebied moet afdoende zijn. 

Na een uurtje of twee varen hebben we trek en we zoeken een weitje op waar we even onze benen kunnen strekken. De rolstoel laten we in de boot. Het is maar een paar meter naar het picknicktafeltje aan de waterkant. Het is hier beheerste natuur. Je hoeft niet op een kleed te zitten.

Als we net onze boterhammen uitgepakt hebben komt er een prachtigmooi jong stel achter het groepje struiken op het eilandje vandaan gelopen. 

Toch enigszins melancholiek kijken wij elkaar aan. Wat is jong zijn toch een lieve staat van zijn! Ik hou van mijn vrouw en zij houdt van mij. Ik hou van haar lichaam en zij van het mijne maar we zijn elkaar zo gewend, zo vertrouwd. Wij houden van elkaar ondanks lichamelijke onvolkomenheden die nu eenmaal het gevolg zijn van blijven leven. Zij houden van elkaar als twee goden die elkaar ontdekken. De snoepkraam die jeugd heet. Voor buitenstaanders verboden.

Zij glimlacht naar ons met de glimlach van vergevingsgezinde schoonheid. Hij is wat meer schuchter. Zijn alleen zijn met haar is verstoord en nu moet hij zich hier, voor haar, dapper doorheen slaan. Galanter dan dat hij eigenlijk zijn wil biedt hij ons een slokje aan uit een flesje met een of andere sterke drank. 

Verlegen met de situatie maar ons ongedwongen voordoend drinken wij een slokje. Ik vind het altijd wat vreemd om uit eenzelfde flesje te lurken als waar anderen uit drinken, maar ik doe het alsof ik het heel normaal vind. De zoetige smaak, al aan de opening van het flesje, associeer ik met de mooie volle lippen van het meisje. Voilà, zo is het nou eenmaal. Ik moet er wat plezier aan beleven.

Ze gaan zitten. Mijn vrouw biedt ze wat koekjes aan en gooit de verpakking, onze lege pakjes drinken en het zilverfolie waarin ons brood zat in de vuilnisbak en we drinken nog een slokje van het sterke spul totdat het tijd is om afscheid te nemen en naar de boot terug te gaan. 

Hun boot ligt aan de andere kant van het eilandje en we nemen, door de alcohol iets meer geroerd dan natuurlijk zou zijn, afscheid.

In de boot wachten we een poosje. Ik zou het ongemakkelijk vinden om ze nu weer tegen te komen. Om onze vrijheid geef ik niet zo, wel om de hunne. Een zwaaiend paar van middelbare leeftijd als je denkt weer fijn samen te zijn lijkt mij helemaal niet leuk.

Ik stuur een klein kreekje in en na een kwartiertje varen merk ik dat de boot niet meer zo lekker door het water gaat. Het is hier ook wel behoorlijk smal. Omkeren wordt lastig. Het water staat laag. Door de droogte van de laatste tijd wellicht. Ik zie het aan droge modder aan onderkant van begroeiing aan de waterkant. Wat mij verontrust is dat er ook een deel nog natte modder boven water uitsteekt. Zo’n tien centimeter, schat ik. ‘Laagwater’ zeg ik hardop; ‘snel, maken dat we terugkomen. Terug naar het diepere deel!’

Een klein stukje komen we terug, maar dan loopt de boot vast.

Mijn vrouw opent de ton en vindt daar tot haar verbazing niet onze waardevolle eigendommen terug. ‘Ze moeten het er door ons niet opgemerkt uitgenomen hebben’, jammert ze. ‘Hoe kan dat nou?, vraag ik haar; ‘je moet dan toch gemerkt hebben dat de ton minder woog dan toen we uit de boot stapten?’ ‘Jij droeg de ton toen joh, mijn dichte schoenen zaten er ook in. Ik heb het gewoon niet opgemerkt.’

Ik wist niet wat ik moest doen. Mijn vrouw hier, slecht ter been, in dit stomme kreekje; ‘goddomme die klotedrank! Overmoedig word je van die teringzooi. En onoplettend. Jezus nog aan toe. Waar zijn we in terechtgekomen?’ Ik huil bijna van schaamte en frustratie; ‘Die heerlijke jongelui, wat een klootzakken!’ 

‘Don’t judge a book by its cover’, zegt mijn vrouw toch nog grappig en opeens moeten we lachen. De waanzin van dit alles!

‘Ja jongen, we zullen iets moeten. We kunnen hier niet blijven zitten.’ En dat, dat was precies wat we besloten. Er wel blijven zitten. Wat zakt zal ook weer stijgen en het leek mij geen goed idee om hier Indiana Jones avonturen te gaan beleven. Gewoon blijven zitten.

Al snel werd het, ondanks dat we aardig beschut zaten, vies zweten en insecten van onze lijven houden. We hadden nog vier pakjes drinken en we besloten er zuinig mee te zijn. 

Zeven lange uren later, we hadden gezongen, toch nog door de ontmoeting geïnspireerd de liefde bedreven en wat gedut, kwam de boot ver genoeg omhoog om terug te kunnen varen. 

Nog eens twee uur later, het was inmiddels donker maar gelukkig een avond met voldoende maanlicht, kwamen we bij de botenverhuur terug. 

Op het bankje, voor het kantoortje, zat het meisje. Alleen. 

Ze hadden ruzie gekregen. Ze had het gemeen gevonden wat haar vriendje gedaan had. Oude, gehandicapte mensen, zo naaien. Ik dacht, ik, gehandicapt? In discussie ging ik niet.

Ook zij waren na sluitingstijd teruggekomen, hadden het nummer van de bootverhuur gebeld en gezegd dat ze samen met ons de boot inleverden. We zouden een boete van de verhuur krijgen. Daar konden we niet onderuit. Zij was blijven wachten. Haar vriendje, haar ex moest ze zeggen, was weggegaan. Ze had hem gedwongen om haar daar achter te laten. Anders zou ze de politie bellen.

We hadden onze waardevolle spullen terug en ik wilde de politie nu wel bellen. Mijn vrouw weerhield mij. ‘Ze is gewetensvol blijven wachten lieverd’, zei ze vergevingsgezind. ‘Maar er had ons van alles kunnen overkomen’, antwoordde ik.

‘Ze huilt. Ze is schuldbewust. Een kind. Laat het zo zijn’, zei mijn vrouw terwijl ze het meisje over haar hoofd streek. ‘Kom, we kunnen hier niet zo blijven’. Zo nam mijn vrouw de leiding. ‘Heb je hier ouders in de buurt wonen? Er rijden al lang geen bussen meer.’

Het meisje belde haar vader die een half uurtje later verscheen. Hij behandelde haar als een klein stout kind en ik zag dat kind. Mijn god, vanmiddag was ik nog van haar gecharmeerd geweest.

De nacht brachten we door in de kamer van het meisje. Een tienerkamer nog, die ze ontgroeid was. Zij lag voor deze keer boven, op een matje naast de cv-ketel. 

Wij waren uitgeput en we sliepen een droomloze slaap.

In de piepzak

Al jaren was hij internationaal succesvol auteur van christelijke fictie. Het soort boeken dat vele christenen lezen als ze nou eenmaal van lezen houden maar tegelijkertijd veilig binnen hun wereldje willen blijven. 

Hij was helemaal geen christen, wisten zijn lezers veel! Hadden ze het wel geweten dan hadden ze zijn werk niet gelezen. De schijn ophouden was voor hem dan ook bijzonder belangrijk.

Tegelijkertijd schreef hij enigszins succesvol literair werk dat in literaire tijdschriften, opiniebladen en de betere kranten goed besproken werd. 

Van zijn lectuur kon hij leven, van zijn literatuur niet. 

Zijn gezin was heel christelijk, dat moest wel. De schijn ophouden moest hij tot in de intimiteit van zijn gezin, tot in de intimiteit met zijn vrouw.

Er waren mensen in de literaire wereld die bekend waren met zijn situatie. Ze smulden van hun voorstelling van de spanning die het hem moest geven. Verwachtingsvol zagen ze het doorbreken van de leugen tegemoet.

Hij was inmiddels rijk te noemen. Zijn twee dochters, een tweeling, kwamen in de leeftijd dat er over een te kiezen middelbare school gedacht moest gaan worden. 

Zijn vrouw had haar voorkeur voor een Evangelische scholengemeenschap. Vriendinnen uit de kerk zouden er ook naartoe gaan. Veilig in hun eigen wereldje puberen, zo zag zijn vrouw dat.

Hij had het al moeilijk met het voor de gek houden van zijn dochters, ze waren bepaald niet dom maar zo vreselijk bleu. Hij kon het niet aanzien! 

Ze waren absoluut niet op de hoogte van het deel van zijn wereld waarin hij zich echt thuis voelde. Zaten ze met hun lieve koppies bij hem op de bank dan las hij uit eigen werk, of het werk van een collega-auteur uit de christelijke wereld voor. 

Ze spraken samen over wat ze gelezen hadden en hij merkte dat ze intelligent redeneerden maar voor hem wel in een leugenachtige wereld. Hij voelde dat hij, zolang hij ze niet in aanraking bracht met wat hij de echte wereld vond, ze verraadde. Dat deed pijn.

Hij nam een besluit en wist dat zijn rol in het christelijke wereldje uitgespeeld zou zijn. 

Waar hij in het literaire wereldje altijd onder pseudoniem gepubliceerd had, slechts schriftelijke interviews gegeven had, wat volgens de kleine groep ingewijden die van zijn dubbelrol op de hoogte waren, er de verklaring voor was waarom hij geen literaire grootheid was, besloot hij zijn ware indentiteit te onthullen.

Omdat de verwachting was dat dit een smeuïge zaak kon worden kon hij in een literair programma op tv terecht. 

Inderdaad; smeuïg werd het. Waarom als niet-christen boeken voor dat wereldje schrijven? Omdat hij kon schrijven en er een goede boterham mee wilde verdienen. Hoe hij het zo lang had volgehouden? Doordat hij plezier had in zijn werk en omdat de mogelijkheden, binnen de kaders van het christendom, grenzeloos waren. Bijna alles kon hij behandelen. Onder het kwaad dat bijvoorbeeld bestreden moest worden kon hij heel ver gaan, zo lang het christendom maar triomfeerde. Waarom hij nu toch zijn coming out als literair schrijven en christelijke leugenaar had? Dat van leugenaar had hij proberen te nuanceren maar de interviewer was niet genadig geweest. Het was toch een leugen geweest? Dat was het. 

Aan de reden van zijn coming out waren ze in het programma niet meer echt toegekomen maar hij wenste zijn oprechte emotie over te brengen. Het lukte hem niet. Een volgend item, iets uit de gedichtencorner, en het was klaar.

Toen de aftiteling van het programma liep en hij de presentator, inmiddels beiden buiten beeld en gehoor van het televisiepubliek, toch nog iets ter rechtvaardiging van zijn situatie wilde vertellen, schonk hij er nauwelijks aandacht aan. ‘Schrijf er maar een boek over. Misschien nodigen we je dan nogmaals uit.’

Het was hem niet meegevallen. De dichteres viel hem ook tegen. Het was duidelijk; hij was een verraad-christen, niet de naar buiten getreden literaire schrijver. Dat liet ze wel blijken.

De kranten in de dagen na de uitzending waren ook niet mals. Hoe ze ook om christenen konden gniffelen, verraad lag niet goed. Thuis had hij het moeilijk. Zijn vrouw had het moeilijk en zijn dochters, want zoiets dringt op school door.

Zijn carrière binnen de christelijke wereld was voorbij. Zijn boeken verdwenen uit de boekenhoeken van kerken, de verkoopcijfers stortten in. Financieel was het geen ramp. Zijn vrouw moest wel voor Jezus kiezen en zijn dochters hoorden bij de kudde. Ze werden liefdevol opgevangen.

De gevierde christen-auteur was niet meer. Nu hij voor oprechtheid gekozen had kon hij het zichzelf niet meer aandoen om gelouterd, als verloren zoon, weer binnen het christenwereldje aangenomen te worden. Uren zou hij er op spreekbeurten over kunnen praten, prachtige boeken zou hij er over kunnen schrijven. Nee. Voorbij.

De waarheid is hard. De wereld die hij boven de christelijke wereld had verkozen was hem niet meegevallen. Zijn literaire werken leidden eronder. Er was nauwelijks belangstelling meer voor.

Moralisten, dacht hij. Moralisten zijn we. Allemaal.

Het compensatiemeisje

Hij was alleen thuis. Warm. Verveling. 

Na even in de verduisterde slaapkamer op bed gelegen te hebben stapte hij de door zon verlichte overloop op. In een gekke bui deed hij net of hij daar iemand tegenkwam en hij stelde zich voor.

Op dat moment kwam zijn vrouw net thuis en hoorde zijn praten. Hij hoorde haar niet thuiskomen. De ventilator in de slaapkamer achter hem stond aan zodat geluid van beneden moeilijk tot hem doordrong. 

Zijn stem klonk op de overloop. Een monoloog. Zo sprak hij ook. Het grapje voor alleen hemzelf dat hij iemand op de overloop tegenkwam ging namelijk al snel over in hardop nadenken. Zij was daar nu getuige van.

‘Had ik het maar nooit gedaan. Maar ja…en…verdomme! Blijft het…maar dat.’ Een grote zucht; ‘Ik kan het haar niet vertellen. Over. Uit.’

Ze had hem zo ook weleens horen dromen. Wat zou hem toch bezighouden? 

Ze besloot naar buiten te sluipen en wat meer geluid makend binnen te komen. Er was niets meer van zijn zorgen te merken. 

‘S avonds na het eten, toen ze samen aan de afwas stonden, besloot ze hem er toch naar te vragen.’

‘Tom, soms, ‘s nachts, als je ligt te slapen dan hoor ik je praten. Ik vind het moeilijk om het je te vragen maar wat kun je me niet vertellen?’

Tom probeert het eerst nog te bagatelliseren. ‘Iedereen droomt wel eens. Weet ik veel wat me dan bezighoudt. Jij droomt ook weleens.’

Natuurlijk Tom, maar mijn nachtmerries zitten niet zo hoog dat ik er overdag, als ik denk dat ik alleen ben, hardop over praat.’

Tom is verbaasd. Hij is oprecht vergeten dat hij die middag even hardop liep te piekeren maar hij snapt ook wel dat hij nu iets moet zeggen.

Eerst schiet het door hem heen dat hij haar natuurlijk een onzinverhaal op de mouw kan spelden, maar hij begrijpt ook wel dat ‘het ding’ dan blijft bestaan en wellicht later alsnog naar buiten komt.

Hij kijkt haar aan en zegt; ‘Toen ik student was heb ik een kat vermoord.’ Hij wacht op haar reactie en dat is er een van afschuw. Zij, de liefste dierenliefhebber die hij zich kan voorstellen. Zij, die hem vertedert met haar zorg voor alles dat leeft. Zij, zijn compensatiemeisje. Zijn goedmakertje voor het onrecht dat hij beging. In een studentendronkenbui. Met zijn vrienden. Althans, zijn nu gewezen vrienden.

Zo was het gegaan. Ze hadden de nacht doorgehaald en toen ze eindelijk wilden gaan slapen, ze woonden in één studentenhuis, stonden er twee katers als baby’s te krijsen. Vreselijk!

Hijzelf had een klinker tussen zijn raam en het kozijn inzitten. Nam die, schoof met zijn rug het raam verder omhoog en mikte één van de twee katers de steen van boven ongenadig hard op zijn kop. Voor het beest kwam het onverwacht, zo opgaand in territoriumzaken, als een dolle schoot het heen en weer door de steeg om uiteindelijk gestrekt te gaan. De andere kater was niet meer te zien.

‘Je hebt het niet met je vrienden gedaan. Je deed het in je eentje’, zegt zijn vrouw. 

Dat klopt, maar de nazorg was wel met zijn vrienden. Het was Paul die verzon om kat en klinker in een plastic zak te stoppen en in de gracht even verderop te gooien. Dat deden ze. 

Dagen heeft er nog een bericht met foto van Pluis gehangen, ook aan de deur van hun pand. Ze hadden zo met het vrouwenhuis meegeleefd omdat hun kat was weggelopen.

Sindsdien bleef die avond zijn geweten kwellen. Hij was zo blij geweest dat zijn vrouw een uitgesproken dierenliefhebster was. Hij was daarmee namelijk de man van een dierenliefhebster en daarmee maakte hij wat hij gedaan had misschien een beetje goed. Het was een idiote redenatie. Dat snapte hij zelf ook wel.

Katja, dat ook nog eens, zo heette zijn vrouw, keek hem verbluft aan. Het was allemaal veel minder erg dan ze zich had voorgesteld. Hij zei dat hij een kat vermoord had. Het was wel erg, natuurlijk, maar dat iets wat hij niet uit martelzin gedaan had hem zo kwelde vond ze toch aandoenlijk. 

‘Jongen, het is allemaal niet fraai maar het mag voor jou nu ook wel voorbij zijn. Ik vergeef je namens de kat, namens de studentes uit het vrouwenhuis. Dat je je schuld zo zwaar droeg heeft het weggewassen.’

Ze wist dat het theatraal klonk maar ze wist ook dat er waarheid in school en dat het voor hem een bevrijding zou zijn.

Hij kuste haar op haar voorhoofd en omhelsde haar vrijer dan dat hij zich sinds zijn jeugd gevoeld had. 

De man

Hij was helemaal niet getrouwd en daar zat hij weer. Met een foto van een lachende vrouw op het beginscherm van zijn telefoon en een trouwring om zijn ringvinger op een speciaal door hem uitgekozen plekje naast een leuk meisje in de trein. 

Er waren vrije plekken geweest maar hij had verstrooid geacteerd. Het meisje had naar hem geglimlacht. Zo’n soort meisje was het. Niet het soort dat onverschillig wegkeek en zich afsloot.

Waar het opeens vandaan kwam wist hij niet maar hij zei; ‘Ik ben helemaal niet getrouwd.’

Het meisje schrok duidelijk. Het was ook wel een beetje raar. Zelfs van een man waarvan je wel iets geks kon verwachten. Zo’n man die bij je komt zitten terwijl er plaats genoeg is.

Ze kon niet doen alsof ze het niet gehoord had. Dat ze schrok moest hij gezien hebben. Hij wachtte duidelijk op haar reactie. 

Waarom was ze zo? Waarom had ze toch dat lieve gezichtje? Waarom dit frêle lichaam. Waarom deze donkere ogen die de eenzamen aantrekt? Waarom dat aura van onschuld waarvan ze zich bewust was?

Het gaf eenzame oudere mannen, want het gebeurde vaker, moed om het bij haar te proberen. Van hun kant zoekende gesprekjes.  Bijna altijd voorzichtig maar hoopvol. Soms echter ronduit vrijpostig. Onaangenaam. Maar altijd ergens bedreigend. 

Voor haar was het zoeken naar antwoorden. Vriendelijk afhouden. Heel weinig tot niets over haarzelf loslaten. Het gesprekje dood proberen te laten bloeden.

Niet zelden zei ze dan dat ze moe was. Dat ze even wilde rusten. Ze sloot dan haar ogen en ze voelde telkens hun ogen op haar gericht. Terwijl ze wel of niet echt sliep droomden de mannen haar een relatie met hen in. Ze wachtte met uitstappen totdat ze zeker was dat de man die bij haar was het opgegeven had en naar een uitgang liep. Dan stond ze op en nam de andere uitgang. Of bleef zitten.

Nu, bij deze man, die helemaal niet getrouwd was, werd het gelijk een beetje eng. Wie gaat er nou met een trouwring lopen als je niet getrouwd bent? Misschien als weduwnaar, daar kon ze zich iets bij voorstellen, dus ze besloot dit misschien voor hem onverwachte te vragen; ‘Bent u misschien weduwnaar meneer?’

Hij schudde zijn hoofd; ‘Nee, zelfs dat kan ik niet zeggen.’ Ik heb nog nooit een meisje gehad. Zo lang niet dat ik een ring ben gaan dragen omdat ik me een beetje schaam.

Ze voelde sympathie voor de man maar ze wist dat ze op haar hoede moest zijn. Sympathie heeft de neiging om te ontwapenen. Het kon een trucje van hem zijn.

Plotseling stond de man op. ‘Ik moet er uit mooi meisje. Dankjewel dat ik even bij je kon zitten. Dag hoor.’

Hij knikte haar toe. Zij prevelde verrast en keek hem achterna terwijl hij stiekem hoopte dat ze achter hem aan zou komen lopen. 

Dat deed ze niet. Goed voor haar!

Zomerzondagmiddag

Een koel briesje op een bloedhete dag. Ik sta met een grote ventilator achter mij in onze slaapkamer en kijk door het open balkonraam uit over boulevard en strand. De tv staat aan, een film noir uit de jaren veertig waar ik verder niet naar kijk, maar waarvan ik het geluid wel waardeer. 

Het is zondagmiddag. Mijn vriendin ligt op bed in een magazine te bladeren. Af en toe merkt ze iets op over wat ze leest.

Ik kijk door de rustig bewegende vitrage naar wat er zich buiten afspeelt. Niet veel. 

Er zijn toch nog heel wat mensen op het strand die verkoeling zoeken in de zeemond. De strandwacht is aanwezig. Hij let goed op. De hitte, het ventilatorbiesje, het filmgeluid op de achtergrond, het geblader van mijn vriendin en af en toe haar opmerkingen maken mij prettig loom. Slaperig ontspannen.

Mijn half leeggedronken glas whiskey in mijn hand begint dientengevolge wat zwaar aan te voelen en ik ga op mijn rug op het bed liggen. Mijn vriendin moet er een beetje voor inschikken maar dan lig ik. Aan de verkeerde kant van het bed. Het glas naast mij op haar nachtkastje. 

Ze gaat tegen me aanliggen met haar hoofd op mijn borst. De film gaat door, wat geluid van buiten, de ventilator, het koele briesje en haar warme adem die door mijn shirt dringt. 

Ik kan nu geen slok nemen. Ik aai met mijn hand over haar hoofd en zo dommelen we weg.

Hoe lang zou het geduurd hebben? Ik zou denken niet lang, maar ik word wakker en zie gelijk dat de rust weg is. De lucht buiten is heel donker geworden. Schitterend gewoon door het licht nog op de achtergrond en de zee die mooi tegen het donker en dat licht afsteekt. 

De vitrage waait naar binnen, maar zo dat hij boven de luchtstroom van de ventilator wappert. Buiten is het zacht geroezemoes weg. Ik hoor snelle slippergeluiden over de boulevard, stemmen van haast, kinderen die aangespoord worden om vlugger te zijn.

De film noir is afgelopen. Wat klinkt is onaangenaam modern. Mijn vriendin slaapt nog. Voorzichtig maak ik haar wakker. Ze moet zich even oriënteren. De natte plek in mijn t-shirt negeer ik.

Ik sta op en zet ventilator en tv uit. De vitrage hangt nu naar verwachting naar binnen. 

Ik neem mijn glas met de rest whiskey weer in mijn hand en drink het in een teug leeg. 

De strandwacht loopt een beetje nutteloos alert voor zijn post heen en weer. Ik zie niemand in zee. Hij tuurt nog eens, loopt naar de vloedlijn en ik zie dat hij zekerheid probeert te krijgen. Als een kapitein van een zinkend schip wil hij als laatste het strand verlaten.

Ik ga op mijn balkon staan en ik voel de eerste grote druppels regen terwijl het in de verte rommelt. Heerlijk vind ik dit. Ik ben niet gelovig maar ik stel mij God voor die de mensheid even laten zien wie er de baas is.

De strandwacht maakt aanstalten om te vertrekken. Hij sluit de wachtpost af.

*****

En dan…

*****

Heftige regen. Flitsen en een klap. Vrijwel gelijktijdig. Ik zie het gebeuren. 

De strandwacht strijkt net de vlag bij zijn post. De bliksem slaat in en dat wordt hem fataal. Als een gek ren ik naar buiten terwijl mijn vriendin de hulpdiensten belt.

Er is niets meer aan te doen.

Wat een oen, denk ik in mijn verslagenheid om het verschrikkelijke. Wat een lieve, goedbedoelende oen.

*****

Nog veel hete dagen volgden. Zelfs dagen waarin ik in de buurt gekomen ben van dat heerlijke, die zondagmiddag. Maar als het weer omslaat, wat vaak gebeurt met die hitte, loop ik toch naar buiten om de strandwacht te waarschuwen.

Lief proberen ze me altijd weer gerust te stellen. Ze kijken uit. Toch blijf ik op hen uitkijken. God weet waar het goed voor is.

Een flits

Hij zag haar daar zo liggen. Niet meer wie ze was. Nooit meer bereikbaar. Toen hij zijn portemonnee opende om haar lieve pasfotogezicht te zien werd zijn pijn adembenemend. In volheid van eenzaamheid voelde hij zichzelf. Helemaal alleen. Zo ver hij kon denken. Hij wilde niet meer en een besluit schoot als een flits door zijn hoofd.

Natuurlijk wilde hij dood maar hij was bang voor de dood. Bang voor de seconde pijn bij het springen. Bang om het lichaam waar hij ondanks alles van hield kapot te maken. Bang voor hoe hij er uit zou zien als gevonden lijk, al zou hem dat niet moeten uitmaken.

Klaar met het leven maar niet klaar voor de dood.

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis stapte hij in zijn auto, reed naar een verzorgingshuis en schepte twee, drie bejaarden die hij met een rollator op de stoep zag lopen. Vervolgens parkeerde hij zijn auto rustig aan de kant van de weg, daar waar helemaal geen auto’s mogen staan, en ging hij op een bankje zitten dat op een parkje, vijver en een verzorgingshuis uitkijkt. Hij wachtte rustig af.

Een paar minuten maar. Natuurlijk hoorde hij geschrokken stemmen en verontwaardigd geschreeuw. Geen burgerman durfde hem echter te benaderen.

Toen de politie verscheen liet hij zich eenvoudig arresteren. Hij werd naar het bureau meegenomen, ondervraagd en in de arrestantencel gezet.

In het verhoor was hij volkomen duidelijk geweest. Zijn vrouw was overleden, hij zag geen weg meer om nog alleen door te gaan en had in een flits besloten dan maar voor altijd de gevangenis in te moeten. Zichzelf van kant maken kon hij niet en alles wat hem aan zijn vrouw herinnerde, huis, baan, vrienden, kennissen en familie, zouden alleen maar vreselijke pijn doen.

Waarom hij dan andere mensen vreselijke pijn deed? Er waren immers twee mensen op slag dood en de derde, een meneer, vocht voor zijn leven.

Hij had er zijn schouders over opgehaald. Hij had mensen uitgekozen die tegen het einde van hun leven liepen. Het viel hem niet moeilijk te erkennen dat het vreselijk was voor de families, maar een steeds verder aftakelende geliefde is ook vreselijk. Er zou verdriet zijn, zeker, maar al snel zouden de voordelen voor de nabestaanden opwegen tegen het verdriet. Daar was hij van overtuigd.

Waar hij echter geen rekening mee gehouden had was zijn opname, ter observatie, in een bewaakte psychiatrische kliniek.

Wegrotten wilde hij. Helemaal niet meer bezig zijn met begrepen worden. Nooit een kans op vrijheid krijgen. Hij wilde zitten, discipline, routine en uiteindelijk sterven. Hij wilde haar geïsoleerd van de wereld waarin zij samen leefden kunnen vergeten, zodat hij niet meer kapot moest leven totdat het over zou zijn. Hij wilde niet reflecteren. Niet op het overlijden van zijn vrouw, niet op zijn gruwelijke daad.

Op een dag. In de gymzaal die de instelling rijk is, besloot hij dat het zo niet kon.

In een onbewaakt ogenblik rende hij in volle vaart van de ene kant van de zaal naar de andere kant. Toen hij vlak bij de muur was bracht hij zijn hoofd in een houding waarin hij hoopte dat hij zijn nek zou breken. Hij klapte tegen de muur op.

Hij brak zijn nek niet, maar verloor wel zijn verstand. Als een kraaiende baby zit hij voortaan in een speciale rolstoel. Blij met aandacht die hij krijgt, sabbelend op zijn rammelaar.

Vredig voortlevend, maar niet het einde.

Laatste bericht

Aankondiging:

De vereniging ‘De optimistische suïcidaal’ wordt komende vrijdag bij gebrek aan vers bloed opgeheven. De geschiedenis van de vereniging mag met recht grotesk genoemd worden. Het einde zal dan nog eenmaal spetterend zijn! De uitschrijving wordt door de bewindvoerder der vereniging om klokke 13:00 uur bij notaris D. Eindsma met een handtekening bekrachtigd. Aansluitend is er een receptie, met koffie en cake, bij begrafenisonderneming ‘Het zwarte gat’ die met haar snelcursus ‘Hoogtevreesbestrijding voor springers’ het verenigingsleven veel goed heeft gedaan. Met de sponsverloopactie die de vereniging afgelopen maandag onder het mom: ‘Groepsgewijs springen, korting bedingen’, met succes op haar laatste beentjes heeft gelopen, heeft de vereniging de verenigingskas nog in leven weten te houden.

Een initiatief tot het oprichten van de ‘Vereniging der pessimistische suïcidalen’, als tegenbeweging van de optimistische variant, kon op weinig enthousiasme rekenen. In het vervolg staat de aspirant zelfmoordenaar er dus alleen voor. Wie kan ze over hun drempelvrees heen helpen? ‘Het zwarte gat’ ziet er gelukkig wel wat in. Hou het suïcidalenbestaan in leven!