I
Ik ben op vakantie in Noord-Duitsland. Bij de fietsenverhuur op het station van Travemünde, de kustwijk van de Noord-Duitse oude Hanzestad Lübeck, zie ik een vrouw op een fiets wachten. Ze intrigeert me. Ik denk dat ze achter in de dertig is, een meisje, nog steeds. Ze heeft een lichtgele rok aan, een wit coltruitje, daaronder leuke kleine borstjes en lang, donkerblond, loshangend haar. Ze heeft mooie, natuurlijke volle wenkbrauwen, heel lichte grijsblauwe ogen, een smalle maar kloeke neus, een brede mond met volle lippen en een kaaklijn die niet opvalt maar het geheel mooi complimenteert. Verder is ze vrij lang, slank en relatief breed geschouderd. Haar manier van bewegen is wat jongensachtig en dat maakt haar voor mijn gevoel authentiek.
De eigenaar van de fietsenverhuur neemt zijn tijd. Er staan heel wat mensen die op deze schitterende dag de kustroute willen volgen. Hij behandelt elke klant of het de enige die dag is met aandacht. Een grapje, verhuurformulier opzoeken, nog even terug voor een pen, de fiets pakken, zadel afstellen, zelf een proefrondje op fietsen, de klant er een proefronde op laten fietsen, een slot pakken, het slot uitleggen, een kaart pakken, vragen waar de klant naartoe wil, de route die duidelijk aangegeven staat uitleggen en tenslotte in alle rust afrekenen. Borg is niet nodig.
Zij merkt op dat ik Nederlander ben als ik voor haar groepje aan de beurt kom. Twee Nederlanders tussen de Duitsers wekt de behoefte aan een praatje in de eigen taal op en zij trekt mijn aandacht als de fietsenman zijn proefrondje rijdt. ‘Hoi, ik hoor aan je accent dat je ook Nederlander bent.’ Ik neem mijn zonnebril af om haar aan te kijken terwijl ik mijn Nederlanderschap glimlachend bevestig. ‘Je viel me al op’, zeg ik. ‘Wat leuk! Ik ben Anna’, antwoordt ze en ze ze steekt haar hand uit om mijn hand te schudden. Ik schud haar hand dankbaar met haar enthousiasme. Ik stel mezelf voor vraag en vraag haar hoe ze in Travemünde verzeild geraakt is. Ze blijkt normaal ‘s zomers zeilinstructrice in het Zeeuwse stadje Veere te zijn en door Duitse toeristen die ze de vorige zomer les gegeven had uitgenodigd te zijn om het enorme stalen zeilschip ‘Passat’, dat in de haven van Travemünde ligt, te bezoeken. Aangezien ze een liefhebber van de in Lübeck geboren schrijver Thomas Mann is, had ze besloten om een bezoek aan zijn geboortestad met de uitnodiging van de toeristen te combineren.
Ik vertel haar dat ik simpelweg een dartpijltje op de landkaart van Europa gegooid heb. In de buurt van Lübeck had het pijltje zich in de kaart geboord dus het werd Lübeck. Anna zegt dit ontzettend banaal te vinden maar ik zie dat ze toch geamuseerd is. Ik vertel haar dat ik geoloog ben. ‘Dit is mijn vakantie. Ik leef in een woongroep van oud studenten van mijn vroegere, nogal alternatieve, studentenvereniging. Alleen op vakantie voelt als even echt vrij zijn van de groep. Daar heb ik echt behoefte aan.’ Anna knikt mij aanmoedigend toe.
‘De laatste tijd voel ik dat ik de idee van een woongroep ontgroeid ben, dat ik steeds meer mijn best moet doen om mijn deelname aan het groepsgebeuren ongecompliceerd te laten lijken. Ik ben geen mens voor gedoe en ik doe mijn uiterste best om niet in gedoe betrokken te raken. Zonder dat andere woongroepgenoten er van af weten staat ik voor een huurwoning ingeschreven. Ook een kamer zou ik accepteren, maar het schiet niet op.’ ‘Je hebt al een poosje met niemand gesproken denk ik zo, Simon.’, merkt ze op. ‘Dat klopt’, zeg ik. Ik voel me een beetje betrapt en ik glimlach tegen haar.
Praten, tja, ik heb vriendin, al is het inmiddels alleen in naam. Na haar studie vertrok ze voor een promotietraject naar Berlijn. Aanvankelijk vond ik dat heel moeilijk. Ik had geen gelegenheid haar te volgen en na het eerste jaar veel gereis, vooral van mijn kant, heel veel bellen, vooral door haar, vooral om als uitlaatklep voor haar gevoelens, was er de klad wat ingekomen. Het is nu bijna twee jaar geleden dat ze vertrok en vooral op Facebook zie ik dat ze het met een klein groepje mensen gezellig heeft waarbij één man wel heel vaak op de foto staat. Te vaak naar mijn zin.
II
De fietsenman geeft mij mijn fiets. Anna vraagt mij waar ik heen zal fietsen en ik antwoord dat ik een stukje langs de kust wil gaan. Het land ligt aanzienlijk hoger dan het water weet ik en ik ziet uit naar mooie uitkijkpunten. Gewoon eigenlijk wat fietsen en daarna nog even het stadje in. Zij vraagt mij of ik geen zin heb om samen met haar en de groep het zeilschip te bekijken. Hoewel ik daar wel degelijk zin in heb zeg ik toch dat ik liever een stukje fietst. Onverwacht legt zij haar hand op mijn hand, kijkt mij lachend aan en zegt dat ze hoopt dat ze mij nog zal tegenkomen. Dan wordt ze door de fietsverhuurder aangesproken, in beslag genomen, en ik fiets met een gevoel van spijt weg.
Ik ga de lange straat richting de boulevard in. Waarom sluit ik mij niet bij de vrouw en de groep aan? De vrouw! Ik weet niet eens hoe ze heet. Hoe groot is de kans dat ik haar nog tegenkomt als ik niet direct naar het zeilschip ga of bij de fietsverhuur op haar blijft wachten? Die hand op mijn hand. Wat een toenadering! Het verwart me. Terug gaan? Voor haar zou ik het wel willen, maar ik zie die groep Duitsers niet zitten. Toch? Nee, ik ga wel terug. Het heeft totaal geen zin om nu te gaan fietsen. Het is raar maar de rust is uit m’n donder. Durf ik het denken; zonder haar is er geen donder meer aan? Hoe kan dat nou zo snel? Is dit het dierlijke? Is dit op slag verliefd zijn? Is het eenzaamheid die keihard doorbreekt en is zij de mogelijke verlosser?
Ik zet er de vaart in. De verhuurder is nog met de fietsen van de groep bezig. De vrouw ziet mij aankomen en zwaait. Waarom ben ik zo krankzinnig opgetogen? ‘Hoe heet je’ vraagt ik als ik met mijn fiets naast haar kom. Zij lacht en noemt nogmaals haar naam; ‘Anna, ik heb me net aan je voorgesteld. Ben je het nou alweer vergeten?’. Ik stel mezelf ook voor en zij schudt haar hoofd; ‘Simon, jongen, dat weet ik toch!’ Ik geneer me kapot. Ze moet wel heel goedhartig zijn als ze mij niet volstrekt belachelijk vindt. ‘Ga je toch mee?’ vraagt ze. Dat lijkt mij toch geen goed idee want ik zie een van haar groepsgenoten wat grimmig naar me kijken. ‘Dat wordt geen leuke middag zo.’ zeg ik en ik knik met zijn hoofd richting de man die nu wegkijkt. ‘Ach wat’, zegt Anna; ‘dat is Werner. Hij heeft vannacht bij mij geslapen en sommige jongens worden daar wat bezitterig van. Dat kan ik mij wel voorstellen en ik probeer mijn jaloersheid jegens Werner met een glimlach te maskeren. Een glimlach die mij als gegoten zit, die heb ik vaak ook in de woongroep ingezet.
‘Wat doen we’ zeg ik. Anna glimlacht en herhaalt het woordje ‘we’. ‘We bevalt me’ antwoord ze. Ik druip bijna van sentimentaliteit. Het voelt allemaal als zo verdomd tintelend. Misschien ook net of ik als planeet een nieuw onbekend sterrenstelsel in duik. Een geestelijk orgasme en in mijn broek een kloppend lid dat goddank niet opvalt omdat ik achter mijn fietszadel sta. ‘Vanavond een hapje en een drankje in mijn hotel, is dat een idee?’ vraagt ze. Ik ben blij, maar verschuil me achter een meer hoffelijke, dan blije, glimlach. Zij noemt mij de naam van haar hotel en we spreken af elkaar daar om zeven uur te zien. Dan fietst ze weg en ik besluit me op ontspannen van mijn zinnen te concentreren.
III
Ik kies het fietspad langs het water in de tegenovergestelde richting van het zeilschip. Broodjes en een flesje water heb ik mee, gekocht in een supermarkt onderweg van mijn hotel in Lübeck naar het station. Zo’n zin als ik vanmorgen in dit tripje had, zo’n onrust beroert mij nu. Het is de kunst om de onrust weg te laten vloeien. Hoe? Ik fiets een heel eind tussen boomgroepen en langs velden die aan mijn linkerhand liggen. Het parcours is heuvelachtig. Ik stop, doe oordopjes in en zet de eerste symfonie van Mahler op. De magie van het openingsdeel wordt sterker dan mijn onrust. Net voorbij een boerderijachtige woning kan ik via een lange stalen trap naar het water. Er is hier geen strand. Keien en kiezels, betonnen richels en een doodkalme Oostzee.
Ik ga op een richel liggen. Even verderop lopen wat mensen, stelletjes zo te zien. Hoe had ik kunnen denken dat alleen weg zijn iets voor mij was? Ik ben een groepsmens, daarom in eerste instantie ook de woongroep. Alleen zijn betekent gedachten de vrije loop bieden. Ik heb sturing nodig. Niet voor het dagelijks leven, maar voor de geest. Ik vind het een problematische gedachte, maar met een ander bij me voel ik me het meest mezelf. Dat ik überhaupt, zonder concreet doel, in mijn eentje naar Lübeck reisde! Met een vriendin, of vroeger met vrienden, voel ik mij overal thuis. Thuis bij mezelf eigenlijk ook. Ik weet nog hoe het met Elza, in naam nog altijd mijn vriendin, was als we in een hotel overnachtten. Samen in bed voelden we ons overal thuis.
Elza was aanwezig. Ze was de storm waarbij ik juist door haar onrust in het oog rust vond. Zoals je op je lijn let wanneer iemand in je buurt zich onverschrokken laat gaan, minder drinkt als je je tussen pathetische alcoholisten weet, juist een drankje neemt als iedereen voor appelsap gaat.
Elza, uit Brabant. Lohengrin. Ik vond het leuk om haar zo aan te spreken. Ik was er vooraf al bang voor dat haar promotietraject in Berlijn onze relatie zou schaden. We pasten echt goed bij elkaar maar dat ging op voor de Elza uit Brabant. Elza in Berlijn maakt van alles mee zonder mij. Daar kunnen we beiden niets aan doen. Ik voel het als het lot. Krampachtig vasthouden aan de relatie wil ik niet. Dat stuit mij tegen de borst. We kwamen laat bij elkaar, onze wegen kruisten.
Ik heb Anna net verteld dat ik geoloog ben. Dat ben ik niet. Ik ben schrijver. Eigenlijk journalist voor een regionaal katern van een landelijke krant. Ik studeerde geschiedenis, in Utrecht, en daar woon ik in de woongroep. Ik leef voor literatuur. Ik vond het een beetje creeperig om gelijk zoiets groots met Anna gemeen te hebben, daarom presenteerde ik mezelf als geoloog. Dat van het dartpijltje op de Europese kaart was wel waar. Waarom ik dat nou gedaan had, het zit niet in mijn natuur. Dat was het lot.
De zon schijnt, het is bijna drie uur, wat dunne bewolking, zacht over kiezels kabbelend water. Zeilbootjes buigen af naar de haven van Travemünde of komen juist vanaf de haven de zee op die eigenlijk nauwelijks zee genoemd kan worden. De steile zanderige helling waarlangs de trap omhoog leidt biedt boven een wankele basis aan bomen die er uit zien of ze elk moment naar beneden kunnen storten. Een koel windje maakt het aangenaam. Het is een graad of vierentwintig. Met mijn telefoon in mijn hand twijfel ik. Zal ik Elza bellen? Van het telefoongesprekje laten afhangen hoe ik de avond in ga? Ik heb haar al drie weken niet gesproken. Ik belde niet, zij evenmin. Ik zat wel op een berichtje van haar te wachten. Als ik contact op zou nemen zou ik niet weten of zij dat nog zou doen. Niets bindt haar aan mij. We woonden niet samen, niets van betekenis dat van haar is heb ik op mijn kamer. Wat ondergoed, een jurkje, maandverband, deodorant en een tandenborstel voor als ze zou besluiten om bij me te blijven slapen. Ze heeft het zelf bij me achtergelaten, toen ze nog in Nederland woonde. In Berlijn heb ik niets liggen. Daar blijf je niet plotseling slapen. Dat plan je.
Ik bel. Elza neemt enthousiast de telefoon op. Ik zeg; ‘Vind je het goed als ik vanavond bij een andere vrouw blijf slapen?’ Gelijk daarna zeg ik dat ik haar mis. Het is even stil. ‘Ik mis je ook Simon, maar ik mis je als een vriend’ zegt ze met een zucht. Het blijft weer even stil waarna zij zegt dat ze geen spijt heeft maar dat ik gelijk had met mijn zorg over uit elkaar groeien. ‘Ken je die Film, Manhattan, Woody Allan met dat veel te jonge meisje, die actrice, Mariel Hemingway? Tracy, zo heet ze in de film, gaat voor een theateropleiding, meen ik, naar Londen, hij, Isaac, ziet dat niet zitten want dan zouden ze uit elkaar groeien. Zij vindt dat hij wat vertrouwen moet hebben. Ik dacht ook zo over ons. Simon, wij hebben een geschiedenis samen, nog niet zo’n lange geschiedenis maar we hebben het verleden. Laat het ons niet binden. Jij wil de nacht met een andere doorbrengen. Als je dat echt wilt dan ben ik daar blij mee. Laten we vrienden zijn. Is dat goed?’
Ik denk kort na. Daar zit ik dan. Ik bel mijn vriendin op het kruispunt van relaties. Ze is vriendelijk, lief zelfs. Ze heeft mij ongetwijfeld niet gevraagd of ze het bed met een ander mocht delen. Dat doet ze, denk ik, al. Ik voel me in de getrooste positie, daar zit ik eigenlijk ook in maar dat is ongemakkelijk. Een aai over mijn bol heb ik weliswaar nodig, maar ik vind het knap vernederend. ‘Dat is goed.’ zeg ik met vaste stem, vriendelijk rustig maar beslissend. ‘Je bent een leuke meid Elza. Tot ziens.’ Direct hang ik op, blokkeer haar nummer en verwijder het van mijn telefoon. Ik wis mijn berichten over en weer met haar en verwijder de sms-berichtjes van gemiste oproepen uit het verleden. Ik log uit bij sociale media waar zij ook op zit. Ik moet me echt voor haar afsluiten. Ook al heb ik geen hoop dat ze me nog een berichtje zal sturen, de mogelijkheid om mij nog een bericht te sturen mag er niet zijn. Niet uit wraak, maar om mijn geestelijke gesteldheid te beschermen. Alleen op deze manier kan ik echt verder. Los van haar, open voor een ander. Is dit normaal, zo snel, zo abrupt? Het voelt raar. Hoewel ik natuurlijk niet weet of er iets tussen Anna en mij zal ontwikkelen, mengen gevoelens van verlatenheid en verwachting. Is het mogelijk, probleemloos wisselen? Ik probeer voor zichzelf helder te krijgen of mijn gecharmeerd zijn van Anna voortkomt uit een onbewust gevoel van Elza missen, of dat Anna iets in mij oproept ondanks mijn, tenminste in naam, verbonden zijn met Elza. Een cruciaal verschil. Vind ik Anna om haarzelf interessant, of als compensatie voor Elza? Echt met Elza bezig was ik de laatste tijd niet. Ik werd door werk in beslag genomen. Stomvervelend werk. Ik had zelfs nauwelijks rust om te lezen en van werken aan mijn literaire verhalen kwam het al helemaal niet. Als ik Elza al mistte, dan was dat onderbewust. Ik slaap goed en heb zin. Bijvoorbeeld in deze vakantie, al heb ik Lübeck na deze paar dagen ook wel gezien.
IV
Tijd om verder te gaan. Ik verlaat mijn plek aan het water en fiets naar de verhuur bij het station terug. In de hoofdstraat naar het station neem ik nog een biertje. Vanaf het wat onbetekenende terras met voornamelijk oude Duitsers, heb ik uitzicht op het station. Rond kwart over vier fietsen de Duitse mannen met Anna langs. Ze zien mij niet en zo observeer ik Anna. Over twee en een half uur zullen we elkaar in het hotel begroeten. Ik ben benieuwd en vind het maar wonderlijk. Nu niet nog een biertje nemen. Het gevoel van magie mag geen aangeschoten zijn worden. Dat zou de avond niet helpen, zeker niet als zij niet met mij opdrinkt. De groep oogt wat futloos. Het valt mi nu op dat er eentje bij is die niet helemaal goed is. Gewoon zijn houding, die is anders. Ze verdwijnen in het station. Ik zal de volgende trein nemen. Een begroeting waar de mannen bij zijn lijkt mij niet wenselijk.
Over een paar uur zal ik met een vrouw eten die ik absoluut niet ken. Een uur geleden sprak ik nog met wat inmiddels mijn voormalige vriendin is. Het is surrealistisch. De zin in een tweede, overdenkbiertje wordt groter, maar ik beheers me. Ik reken af en wandel met mijn fiets aan mijn hand richting de verhuur. De trein gaat pas over twintig minuten. Een moeder probeert haar dochtertje te vermaken die duidelijk wel genoeg heeft van de dag. Ik lach naar het kind. Moeder lacht naar mij. ik voel het gelijk aan. Een flirt, de tweede vandaag. Nu een, waarschijnlijk alleenstaande, moeder. Ook zij heeft recht op wederzijdse interesse maar ik besluit zogenaamd een langer telefoongesprek te moeten voeren. Ik glimlach nog eens naar haar, hou mijn telefoon met een verontschuldigend gebaar op en bel mijn moeder. Lang gesprek verzekerd. Zij is niet verbaasd als ik bel. Zij is ook niet verbaasd als ik om niets bel.
Terwijl ik met zijn moeder over haar tuin praat wandel ik over het perron. De trein komt aan en ik stap een flink eindje van moeder en dochtertje in. De volle twintig minuten van de reis blijft ze aan de lijn. Als ik op station Lübeck uitstap hang ik haar, verzekerend dat ik volgende week langskom, op. In de boekenzaak op het station koop ik een krant. Waarschijnlijk zal ik er amper inkijken, zo gaat dat wel vaker als ik een krant op het station koop, maar het geeft mij naast wat mijn telefoon biedt tussen nu en de afspraak nog iets te lezen. In het toeristenwinkeltje aan de andere kant van de hal koop ik een stalen, rond ondiep, blikje marsepeintaart, de traktatie waar Lübeck bekend om staat, voor Anna. Het is kwart voor zes als ik mijn hotel tegenover het station inloop. Nog even tijd om te douchen, daarna een wandeling van ongeveer een half uur naar Hotel IV Jahreszeiten, Anna’s hotel.
V
Zeven uur. Ik sta vijf minuten bij de receptie van het hotel. Ik heb het makkelijk kunnen vinden. De buurt is niet aantrekkelijk. Zakelijke bebouwing, kantoren, ik zag een bouwmarkt en een autowasbedrijf. Het hotel valt echter niet tegen. De receptie is achter een glazen pui, de medewerker is vriendelijk.
Tien over zeven. Ik weet dat Anna op de trein gegaan is maar of ze bij het hotel is aangekomen kan ik niet uitmaken. Bij de receptie wordt dat niet bijgehouden. Ik weet haar achternaam niet dus kan ik verder niet veel. Ja, haar voornaam noemen, haar omschrijven en laten weten dat ze een Nederlandse is. Ik vraag niets maar besluit tot kwart over zeven te wachten. Om tien voor half acht zit ik er nog. Ik kan mezelf niet bewegen weg te gaan. Dan zou al het perspectief dat ik tussen vanmiddag en nu had wegvallen. Wat kan haar bezielen? Waarom komt ze niet?
Met mijn hoofd tussen mijn handen kijk ik naar de grond als ze plotseling uit een deur de receptie in stormt. ‘Gelukkig, je bent er nog! Ik was in slaap gevallen. Sorry, sorry, sorry! Kom mee, ik moet me even opfrissen. Daarna kunnen we eten.’
Verbaasd maar gelukkig loop ik met haar mee naar de lift in een volgende ruimte van het gebouw. Ze geeuwt. ‘Zo moe?’ vraagt ik lachend. ‘Ik ben net wakker. Ik dacht niet dat ik moe was maar ik ben zomaar op bed in slaap gevallen. Ik had denk ik een reset nodig. Ik ben blij dat je er nog zat.’ Ik wilde eigenlijk; ‘Maar dan zou ik zo’n leuk meisje als jij mislopen.’ zeggen, maar de opmerking zwakte ik af tot; ‘ik was zelf wat later. Ik was eerder bang dat ik jou gemist had.’ Ze glimlacht. De lift stopt op de zesde en we gaan haar kamer binnen. Er staat een stoel naast het bed waar ik op ga zitten terwijl zij wat kleren pakt en in de douche verdwijnt. ‘Neem een stukje marsepein’ roept ze. Het ligt bij de tv.
Ik neem het en luister naar het geluid van de douche. Ik stel me voor, maar fluit mijn voorstelling weg met het melodietje uit de film Turks Fruit. Zij hoort het en tot mijn verrassing fluit ze mee. ‘Lastig’, roept ze, ‘mijn lippen zijn te vochtig door het douchen.’Kon het maar altijd nu zijn, denk ik. Kon het maar altijd de eerste periode van kennismaking zijn. Die tijd waarin haar geur nieuw is, nog niet gemengd tot de geur van samenwonen, alles aan haar voor mij voor het eerst is. Verrast zijn door haar reacties, opmerkingen, bewegingen; betovering die wel verbroken moet raken, gewoonte wordt en misschien zelfs ergernis zal opleveren. Ik denk aan Elza, alleen haar naam al was magisch. Voor mij was het de meest speciale naam ooit geweest, maar na een tijdje, toen eerste ruzies geweest waren en ik de naam niet al te liefdevol uitgesproken had, was het speciale naar lagere regionen afgedaald. Zij was gewoon mijn vriendin geworden, niet meer de hoofdprijs waarvan ik mijn altijd bewust was. Toen ik haar in Berlijn opzocht, haar een tijd niet gezien had, toen was de magie grotendeels terug. Hoewel de huisgeur in haar kleding nooit de mijne geworden is, kwam ik in Nederland wel zo vaak bij haar over de vloer dat haar geur mij niet meer opviel. Toen in Berlijn rook zij weer exotisch. Anders dus, niet van mij, in de buurt van spannend. Ander territorium dat aantrekkelijk maakt.
Anne komt gekleed uit de badkamer. Ik ruik zeep van het hotel. Die geur overheerst. Pas na heel wat uur zou ik haar er doorheen kunnen ruiken. We zijn gewoon dieren, denk ik. Ik heb dan wel geen behoefte om aan haar kont te ruiken, maar geur is belangrijk. Veel belangrijker dan we elkaar toegeven. Anna is nu klinisch. Ik heb haar in de lift geroken. Niet dat ik daar mijn best voor deed of dat ze sterk geurde, ze had in de kleine ruimte bewogen en ik heb haar haren en adem geroken. Heerlijk, maar alleen van degene waartoe je je aangetrokken voelt. Van een ander is het nogal onaangenaam.
Ze heeft een dun kettinkje Dat ik achter in haar hals mag vastmaken. Ik weet heus wel dat ze dat voorlangs makkelijk zelf kan, maar haar haren met mijn pols weghouden, mijn handen tegen haar nek, het is de uiterste intimiteit bij iemand die je eigenlijk niet kent. Zij is er klaar voor, ik ben er klaar voor.
Als ik zijn jack bij het uit de kamer gaan van de stoel wil meepakken merkt zij op dat het toch niet nodig is om mijn jack mee te nemen naar het restaurant twee verdiepingen hoger. Hoewel die opmerking niet als een ticket voor een overnachting met haar gezien moet worden geeft het mij wel een vooruitzicht waarnaar ik, gezien mijn niet tegenvallende ervaring tot nu toe, uitkijk. We nemen de trap. We worden verwacht.
VI
Het was de klassieke klick. Ik heb het vaker gehad als ik iemand tegenkwam waarmee ik gewoon van nature veel te bepraten had. Zou je me achteraf gevraagd hebben waar ik al die uren mee volgepraat had zou ik wel wat onderwerpen kunnen noemen, maar me nauwelijks voor kunnen stellen dat ik er zo veel uren mee vol had gekregen, en ook nog eens het gevoel had dat de ontmoeting te kort geduurd had. Zo ging het met Anna. Waarom ze hier was, wat ze gestudeerd had, wat voor werk ze deed, waar ze woonde natuurlijk, wat haar interesses waren en hoe de dag met de mannen verlopen was. Ik vertelde over de woongroep, hoe ik mij daar al in mijn studententijd bij had aangesloten, als alternatief studentenhuis met naïeve gasten die net als mij het leven dat ze op dat moment leefden altijd vast wilden houden. Dat had nog verbazend lang gewerkt maar in de loop van de tijd ging de een en kwam de ander als aanvulling. De geschiedenis samen raakte zoek, het wilde nooit meer zo’n groep worden als de oorspronkelijke. Toen de eerste man introk die niet gestudeerd had, en later toegaf dat het hem vooral vanwege de kosten en de geringe kansen op de woningmarkt ging, was de lol er voor mij helemaal af.
Ik vertelde over mijn ex-vriendin in Berlijn maar verzweeg dat we het vanmiddag pas hadden uitgemaakt. Anna sprak over het leven in open relaties en hoe dat toch minder mooi werd naarmate ze ouder wordt. we spraken het tegenover elkaar niet uit maar het was wel duidelijk dat we beiden vrij waren en open stonden voor verkenning van iets nieuws. Anna dronk een biertje en ik bestelde een bruiswater nadat ik van Anna te weten was gekomen dat ze haar eerste alcoholisch drankje die dag dronk. Ik wilde gelijk op gaan, het risico minimaliseren dat ik zat zou zijn en Anna dat hoogstens licht aangeschoten moest aanzien. Niet dat ik een kwade dronk heb, ik word er filosofisch van. Terwijl ik dit overdacht moest ik aan een vriendin van heel vroeger denken. Ik was het me toen nog niet bewust dat drank mij filosofisch maakt, zo noemde zij dat althans, zij had dat wel leuk gevonden en zette mij bij bezoekjes aan haar al snel een glas wijn voor de neus. De combinatie drank en filosofisch heb ik er ingehouden. Ik vind het wel een uniek selling point. Dat de vriendin misschien wel bedoelde dat ik van drank ging wauwelen kwam niet bij me op.
Anna vermaakt zich zichtbaar prima. Ik probeer niet uit te stralen overdreven van haar onder de indruk te zijn, ik luister aandachtig naar wat zij zegt en antwoord niet naar haar instemming zoekend. Nog een drankje doen, dat denken we beiden na de koffie. Het is geen omgeving voor een avondwandeling. ‘Ik neem nog wat, jij ook?’ vraagt Anna. ‘Wel ja’, zeg ik. ‘Ik lust wel een whiskey, jij ook eentje?’ Nee, Anna drinkt geen whiskey. Ik trek, wat voor mij blijkt te pleiten, mijn voornemen niet in om dan maar samen met haar een glas port te drinken, waar zei erg van houdt.
Na de port en de whiskey, het loopt al tegen elf uur, wordt het tijd om het restaurant te verlaten. Het meisje dat ons bediend heeft is heel geduldig. We waren na een uur of half negen nog de enig overgeblevene gasten. We weten het niet zeker maar ze moet zich verveeld hebben. Ik betaal, daar sta ik op, en ik geeft een flinke fooi. Niet dat Anna dat ziet. Ik doe het aan de bar.
Dan doe ik iets dat Anna aangenaam ouderwets galant vindt. Als zij opstaat sta ik achter haar stoel en geef haar ruimte door de stoel wat naar achter te schuiven. Ik maak een gebaar van insteken en zij biedt haar arm aan. Zo schreiden we naar de lift. Dit voelt niet als uitsloverij. Dit is gelukkig zijn in handelen uitdrukken.
Wat volgt? ik weet het niet. Elza had het vaak over in het moment zijn en dat probeer ik nu ook te zijn. Anna opent de deur van haar kamer en zegt; ‘Ik pak even je jas.’ Toch perplex blijf ik buiten de kamer wachten. Het is onverwacht maar ik heb het te accepteren. Het doet zelfs een beetje pijn en een gevoel van radeloosheid maakt zich van me meester. Terwijl ik mij afvraag hoe ik dit moet duiden komt Anna op mij aflopen en hangt mijn jas aan de kapstok bij de deur. ‘Kom binnen lieverd’, zegt ze; ‘Je bent op en top een gentleman. Je keek zo beteuterd als Isaac in de film Manhattan’, zegt ze. Ken je die film?’ Ja, die film ken ik.
