De doorn in het vlees

I

Vandaag spreekt Johan in een kleine evangelische gemeente in Dordrecht. Vorige week stond hij in Puttershoek, twee weken geleden in Rhenen. ‘Gods zegen is groot.’ zegt hij tegen zijn vrouw Deborah. ‘Amen?’ ‘Amen!’ kraaien zij en haar peuter. Het is acht uur ‘s ochtends en Johan maakt zich klaar voor de dienst. Gisteren is hij heel de dag in gebed en studie geweest en heeft door de Heilige Geest openheid in het woord van God gekregen; de bijbel. In een visioen zag hij zijn vader die hem riep. Niet zijn Hemelse Vader, nee, Gerard, een Evangelisch voorganger, die alweer twintig jaar geleden met een groepje broeders uit de kerk op evangelisatiereis in Thailand verdwenen is. Er is nooit meer iets van hem vernomen. Tien jaar geleden heeft de moeder van Johan hem voor de wet dood laten verklaren. Johan, is in de voetstappen van zijn vader getreden en reist als jonge voorganger, als gastpredikant van Evangelische kerk naar Evangelische kerk. Johan is er van overtuigd dat zijn aardse vader leeft en zo kwam hij in de droom tot hem. ‘Hij strijdt met zijn medebroeders tegen de macht van het kwaad. Ik zag hem spreken, voor hem macht der demonen, achter hem een engelenschaar die met hem gaat. Mijn vader draagt het licht van Christus in duisternis. Halleluja, God is groot!’

De vrouw van Johan, Deborah, kijkt bewonderend naar het spreken van haar man. Hij merkt het op en zegt; ‘kind, zie niet op mij. Zie op De Heer die mij als spreekbuis gekozen heeft. God heeft een groot plan met deze generatie!’

Hij is nog thuis maar toch is hij alweer vertrokken, denkt Deborah. Oh, ze bewondert haar man maar hij is eigenlijk nooit echt bij haar. Wel lijfelijk, maar de Heer is zo groot in zijn leven dat zij zich soms een Martha voelt, dienend. Als hij haar in de ogen kijkt lijkt hij toch afwezig. Hij omhelst haar maar ze voelt dat het meer uit innerlijk enthousiasme is dan om haar. Maar, hij heeft een belangrijke taak, grote verantwoordelijkheden. God heeft hem gaven gegeven en hij gehoorzaamt. Over haar eigen gaven is ze nog niet zo zeker. Ze kan goed luisteren en ze is gehoorzaam, dat komt goed uit. Niet dat Johan veel van haar vraagt, helemaal niet, maar soms zou ze ook gewoon wat meer op gewone mensen willen lijken. Wat geld om het hier thuis gezellig te maken. Ze zijn hier een jaar geleden ingetrokken en afgezien van de meubels die ze van alle kanten af cadeau kregen hebben ze het huis niet eigen gemaakt. Gewoon nog het oude behang, het laminaat beneden en boven liggen er zelfs kleden op de kale betonnen vloer waar de vloerbedekking door de vorige bewoners verwijderd was. Ze hebben een oude computer, een oude tv, geen stereomeubel, als ze al eens muziek draaien dan is dat via internet. Ze hebben geen andere boeken dan wat bijbels, christelijke lectuur. Johan speelt gitaar, zij harp. Dat is het wel zo’n beetje.

De voor- en achtertuin zijn betegeld. Voor staan twee fietsen, die van hem, een afgetrapte herenfiets, die van haar, een oude damesfiets met een kinderzitje achterop. Voor hun huis geparkeerd staat een oude auto, ze hadden tot God gebeden toen hun vorige auto niet meer door de keuring kwam en gelukkig hadden ze hun gebed met een gemeentelid gedeeld die via via met dit oude exemplaar op de proppen kwam. De Heer voorziet!

Deborah werkt als kraamverzorgster. Nu even wat minder sinds hun zoon David geboren is. Ook zij komt uit een Evangelisch gezin, al speelt het geloof bij haar ouders thuis een minder prominente rol dan in haar gezin met Johan en David. Zij kende hem al van heel jongs af aan in de kerk. Het oudste kind van de voorganger die in Thailand verdwenen is. Ze had medelijden met Johan gehad, hij was altijd zo trots op zijn vader. Gebroken was hij toen die verdween, maar Jezus heeft hem uit de put gehaald en een doodlopende gang ingetrokken, denkt ze wel eens. Goed, hij is gewoon waanzinnig, dat weet ze wel. Ze is niet dom. Maar wat moet ze? Ze hadden zo lang verkering, al vanaf hun zeventiende! Ze had nooit een ander vriendje gehad en de toekomst lag nog een beetje open. Ze wist niet dat hij voorganger wilde worden. Het was dat visioen dat hij kreeg. Hij zag zijn vader en toen was het duidelijk voor hem. Inmiddels waren ze getrouwd en ze was zwanger. Straks, als ze weer meer als kraamverpleegster zou werken, dan had ze ook weer een beetje eigen leven. Dat is, als Johan tenminste geen eigen gemeente zou krijgen. Dan zou ze echt voorgangersvrouw worden en het leven als halve heilige in moeten. Het is niet anders.

II

Johan is klaar met zijn voorbereidingen en maakt zich op om te vertrekken. Zo’n kleintje brengt wat organisatie met zich mee maar hij voelt zich gezegend. Als hij eerlijk tegenover zichzelf moet zijn voelt hij zich vandaag niet zo goed. Hij is gejaagd, altijd maar gejaagd. Satan trekt aan hem, beproeft hem, laat hem maar niet los. Hemelse scharen staan achter hem, dat voelt Johan wel, maar ze kunnen zijn beproevingen niet wegnemen. Daar moet hij zelf doorheen. Hoe hij het ook bij Jezus neerlegt, de rust komt maar niet.

Het begon in zijn tienertijd. Vader was net weg en hij mistte hem enorm. Aan zijn zusjes had hij niet veel. Ze waren te jong en ze waren niet zoals hij was. Bij een vriend thuis op de bank had hij het voor het eerst echt bewust gevoeld. Voor het eerst dat hij er iets aan kon verbinden dat zondig was. Ze keken naar een tienerfilm en hij merkte dat hij de jongen waarover de film ging wel erg graag zag. Dat joch bleef in zijn hoofd zitten en ‘s nachts was hij met een natte onderbroek wakker geworden. Dat was geen plas. Zijn moeder had niets gemerkt want hij had zijn onderbroek in de badkamer uitgespoeld en in de wasmand gegooid, zich van onderen gewassen en een schone onderbroek aangetrokken. Hij was weer gaan slapen maar hij voelde zich schuldig en blij tegelijkertijd.

Later op de middelbare school was er een klasgenootje, Ashwin, dat in de verte op de jongen uit de film leek. Johan deed er alles aan om zijn vriendje te zijn, had zo nu en dan ‘s nachts een natte droom over Ashwin, voelde zich schuldig maar ook blij. Vanaf de derde klas bleef Ashwin af en toe logeren en hij logeerde ook af en toe bij Ashwin. Op een nacht, bij Ashwin thuis, lag Johan wakker en luisterde naar de ademhaling van zijn vriend. Hij lag met zijn matras op de grond naast het bed van Ashwin en hij ging overeind zitten. Ashwin lag op zijn rug en sliep vast. Eerst wist Johan niet wat hij zou doen maar toen zag hij de contouren van de plasser van Ashwin onder de deken. Heel voorzichtig legde hij zijn hand op de plasser van zijn vriend. Er gebeurde niets. Ashwin sliep door. Johan nam zijn hand weg en heel voorzichtig schoof hij zijn hand, zonder het lijf van zijn vriend aan te raken, onder de dekens, richtig Ashwins onderbroek. Nu legde hij zo zacht als hij kon zijn hand op de onderbroek waaronder de plasser van zijn vriend zat. Nu voelde hij de plasser stijf worden en tegelijkertijd werd zijn eigen plasser nog stijver dan die al was. Zachtjes streelde hij de plasser van zijn vriend terwijl hij met zijn andere hand zijn eigen plasser streelde. De ademhaling van Ashwin veranderde, hij werd wakker. Johan trok zijn hand heel snel terug en ging doodstil liggen. ‘Deed jij dat?’, vroeg zijn vriend slaperig en Johan hield zich slapende. ‘Jij deed het!’, zei hij nu hardop en hij boog zich over het matras van zijn vriend. ‘Ik wist het wel.’, zei Ashwin. ‘Nu ben ik geil. Lekker is dat.’

Johan had dat woord wel als scheldwoord gehoord maar zelf had hij het nog nooit gebruikt. ‘Ben je boos?’, vroeg Johan? ‘Nee, ik ben niet boos maar ik vind het wel vreemd dat je dat doet als ik slaap. Zou jij het leuk vinden als ik dat zou doen als jij slaapt?’ Johan dacht dat hij dat inderdaad wel leuk zou vinden en zelf ook zo geil als maar zijn kan fluistert hij;’Ja, ik denk het wel.’

Ashwin pakt de hand van Johan en brengt deze naar zijn inmiddels weer slap geworden lid. ‘Ik ga weer liggen. Wil je nog een keer doen wat je net deed?’, vraagt hij. Johan vecht met zijn geweten, dat deed hij eerder ook maar nu zou er iemand echt in de zonde delen, een getuige van de zonde zijn. Hij kon niet weigeren. Het gevoel was te groot. Jezus kan de pot op dacht hij en hij streelde het lid van zijn vriend weer zacht. Die werd zo stijf als het maar zijn kon. God wat was dit groot! Hij ging naast Ashwin liggen, zijn vriend streelde nu ook zijn lid, strelen werd aftrekken, ze kwamen beiden klaar en veroorzaakten een kliederboel in bed.

Toen kwam de bezinning. De geilheid was uit hun lichamen. De plakkerigheid werd koud. Een half uur van heel stilletjes klooien met verschonen van het bed, zichzelf wassen, irritatie en schaamte tegenover elkaar; het was geen verliefdheid, het was dierlijke lust geweest, het ging voorbij. Ze gingen slapen, Ashwin nam ‘s morgens vervreemd afscheid van Johan en Johan voelde aan dat het tussen hem en zijn vriend eens, maar nooit meer, geweest was.

Ashwin wist dat dit gebeurd was, hij wist het, Jezus wist het maar niemand verder. Johan leefde met de voortdurende angst dat het uitkwam, maar ook met voortdurende angst voor opleven van dit soort gevoelens. Die oplevingen kwamen, waren er voortdurend. Voor Ashwin hoefde hij niet bang te zijn. Die voelde zich minstens even ongemakkelijk en zou er bij volle bewustzijn nooit op terugkomen.

III

Het is half tien. Een half uur voordat de kerkdienst begint. Deborah, Johan en David Zijn voor in de kerk te vinden. Ze bidden een kringgebed met iedereen die deze ochtend bij de totstandkoming van de kerkdienst betrokken is. De oudsten, voorganger, De muziekgroep, zang en zangleider, mensen van de koffie, de nazorg, kinderdienst en crèche. Johan heeft hier vaker gesproken. Hij weet dat hij kans maakt om de ‘mantel van de profeet’ over te nemen maar het werk van broeder Dick is nog niet klaar. Johan weet dat hij niet charismatisch genoeg is om zelf een gemeente op te richten. Gelukkig is er altijd wel ergens gedonder in de Evangelische wereld dus er komt nog wel eens wat vrij. Zo denkt Johan natuurlijk niet, hij denkt oprecht aan hoe Satan telkens weer voorgangers ten val brengt en dat hij klaar is om een stokje over te nemen.

Hij is jong met z’n drieentwintig jaar. Dat maakt hem misschien wel populair onder tieners. Dat streelt hem maar hij weet ook dat het een gevaar is. Zijn vrouw en kind geven hem een zekere vertrouwenwekkende uitstraling naar buiten toe; een jonge maar gesettelde predikant. Zijn voor enthousiasme aangeziene waanzin is groot en hij weet dat hij binnen deze gemeenschap op enthousiasme voor zijn persoonlijkheid kan rekenen. Hoe gekker hoe beter, denkt Deborah wel eens. Met nuchtere voorgangers kom je niet ver. Je moet gevoelig zijn voor de wereld van de magie van het Evangelisch christendom, een beetje naïef zijn ook. Aan een voorganger die nuchterheid boven religieuze gevoeligheid verkiest hebben, wat in de evangelische kerk ‘traditionele kerken’ genoemd worden, meer. Dominees zijn niet wedergeboren, hier noemt zo’n beetje iedereen zich wedergeboren of is op weg via de volwassen doop wedergeboren te worden. Dat is iets anders dan geloofsbelijdenis doen. Volwassen doop is sterven met Christus, je oude ik afleggen en opstaan in een nieuw leven met Hem. Kinderdoop is weer net iets anders. Deborah is als kind gedoopt, dat deden haar ouders voor opa en oma, zelf waren ze toen nog niet tot bekering gekomen al stonden ze nog als lid van de Nederlands Hervormde Kerk ingeschreven, ze gingen alleen nooit, kwamen later tot geloof en Deborah werd op haar achttiende als volwassene gedoopt. Wederdoop. Dat was samen met Johan. Ze schelen twee maanden in leeftijd. Deborah is ouder.

Het gebouw stroomt vol. Een relatief jonge gemeente. Niet bepaald multicultureel. Het is wat velen gezellig zullen noemen. Kinderen rennen heen en weer, tieners staan met elkaar buiten in het voorportaal. Een enkeling rookt. De paar ouderen die er zijn, vaak door een haal en brengdienst van de kerk opgehaald, strompelt met behulp behulp van rollators binnen. Paartjes praten met elkaar. Johan ordent zijn papieren, wordt dan weer door de een, dan weer door de ander aangesproken en Deborah brengt David naar de crèche.

Dan begint de dienst. Wat mededelingen, gebed, zang en nog meer zang, aanbidding door zang en dan is Johan aan de beurt. Hij zit er niet goed in vandaag. Hij spreekt over het huisgezin van God waarmee hij primair deze gemeente bedoelt. Hij knoopt Bijbelteksten uit het oude en nieuwe testament aan elkaar die op zich niets met elkaar van doen hebben maar in een betoog toch leuk in elkaar grijpen. Hij ziet sommige mensen aantekeningen maken, mannen en vrouwen aandachtig luisteren, jonge meiden zich met hun mooie verstilde kopjes op hem richten en hij ziet Jozua. Jozua zijn hemelse duiveltje. Jozua zit zoals hij ongeveer altijd zit waar Johan spreekt, ergens in het midden van de kerkgangers zodat Johan zijn blik onverdacht op hem kan laten rusten. Dat doet Johan dan ook regelmatig en hij verlangt naar Jozua. Jozua vertrekt echter altijd direct na de kerkdienst. Voor de kerkdienst krijgt Johan hem ook nooit te zien. Johan leeft voor Jozua. Hij is zo ver weg maar telkens in de buurt. Jozua is Jezus voor Johan. Een liefdevol gezicht, begripvolle ogen. Als Johan bidt verwart hij Jozua met Jezus. Eigenlijk bidt hij naar hem. Wat maakt het uit. Alleen Johan weet dat en Jezus natuurlijk. Misschien weet Jozua het ook. Als hij Jezus is.

IV

De kerkdienst is voorbij. Het is half een geweest. Er waren weinig mensen afgekomen op de oproep tot gebed of bekering. Alleen een wat achterlijke jongen die hij vorig jaar zelf gedoopt had. ‘Een misverstand.’, fluisterde de jongen toen Johan met hem ging bidden. Geen idee wat die jongen daarmee bedoelde. Johan bad het gebed van de bekeerling met hem en gaf hem over voor een nagesprek achter in de kerk. Later kreeg hij te horen dat de jongen in het nagesprek vertelde dat hij de avond daarvoor in de jeugddienst met een meisje gesproken had die hem op het hard legde minder kritisch te zijn. De jongen was verliefd op het meisje, had nauwelijks naar Johans preek geluisterd en de oproep verkeerd geïnterpreteerd waardoor hij daar stond. Omdat hij daar helemaal alleen stond kon Johan alleen maar exclusieve aandacht op hem richten. Het was een debiele situatie.

Er wordt koffie gedronken. Johan praat met zijn vrouw. Broeder Wiebe breekt even in. De oudsten zijn in het achterzaaltje verzameld. Hun voorganger, broeder Dick is er ook. Of Johan zich even bij hen wil voegen. Johan gaat mee. De kerk is jong, broeder Dick is vijftiger. Hij heeft een jong man naast zich nodig om de gemeente te leiden, om jonge mensen erbij te houden. Na veel gebed en vasten zijn oudsten en voorganger, door wat Christus hen openbaarde, tot het inzicht gekomen dat Johan nu de man is die dan wel niet de mantel krijgt overgedragen maar een mantel krijgt aangereikt om zijn plaats als duo-voorganger in te nemen. Is hij daartoe bereid?

Johan zinkt op zijn knieën neer, roept met zijn armen naar boven uitgestrekt; ‘Vader, Vader’, vouwt zijn handen, buigt met zijn voorhoofd tot de grond en blijft zo zitten. De broeders zien dat hij bidt, zijn lippen bewegen. Dan staat hij op, vraagt of ze zijn vrouw en kind willen halen, sluit ze in zijn armen als ze binnenkomen, zegt Deborah zacht maar voor iedereen hoorbaar wat hem gevraagd is, vraagt of zij naast hem zal staan, beantwoordt haar ja met een kus op haar voorhoofd. Hij kijkt omhoog en zegt; ‘Vader, hier ben ik.’

Alleen Deborah lijkt de theatraliteit van dit alles niet te ontgaan. Broeder Dick kijkt geroerd. De mannen zegenen Johan. De mannen zegenen Deborah. Dicks vrouw en de vrouwen van de oudsten worden er bij geroepen en samen roepen ze de Here met gezang aan. Volgende week, voor de dienst waarin Dick zal voorgaan, zal broeder Johan als duo-voorganger aan de gemeente gepresenteerd worden. Johan loopt op wolken, al wil hij dat niet uitstralen. Deborah slaat de schrik om het hart, al wil ze dat niet uitstralen. Ze gaan naar huis maar eerst belt hij zijn moeder.

V

Johan, Deborah en David komen thuis. Het hart van Johan jubelt, Deborah is ergens bang en David is nog onwetend. De buren rechts zijn ook naar de kerk geweest, de Nederlands Hervormde Kerk, niet wedergeboren dus. Johan groet de buurman die al een tijdje thuis is en in zijn voortuintje met plantjes bezig is. Buurman is niet zo happig op praatjes met Johan. Hoewel hij een aardige bijbelkennis heeft, komen de teksten met boeken in de bijbel waar ze in staan Johan naar zijn zin iets te makkelijk uit de mond rollen. Toen Johan en Deborah hun buren werden sprak hij de eerste keer dat het er op kwam en bij Johan is dat ongeveer binnen vijf minuten, vrij en uitgebreid over het geloof. Daar had buurman een onbevredigd gevoel aan overgehouden. Deborah had er verlegen bijgestaan, zijn eigen vrouw was na een kwartiertje wijselijk naar binnen gegaan om eten voor te bereiden. Zo stond hij met Johan en Deborah en op een gegeven moment kreeg hij het gevoel dat ze met hem wilde bidden. Dat werd hem te gortig en met verlegen afweren had hij zich uit de voeten gemaakt; zogenaamd zijn vrouw helpen met aardappels schillen.

Johan groet de buurman die even geen kant op kan omdat hij met een bak vol stekjes op z’n knieën zit. ‘Goedemiddag buurman, bent u weer van die mooie tulpen aan het planten als vorig jaar?’, zegt Johan. Nee imbeciel, denkt buurman, dit zijn viooltjes. Maar hij zegt; ‘Nee jongen, dit zijn viooltjes, tulpenbollen zaten er dit jaar niet in.’ David kijkt even, de buurman zwijgt maar neemt wel een houding aan die een gesprek niet uitsluit. Johan weet verder eigenlijk niet wat hij moet zeggen, buurman heeft geen zin om iets te zeggen. ‘Nou, succes dan maar hoor buurman.’, zegt Johan en hij trippelt de drempel van de voordeur over. De buurman groet terug en hij is blij dat er geen gesprekje op gang kwam. Johan voelt zich wat verslagen. Het was het woordje ‘jongen’ dat de buurman zei dat hem van slag bracht. Hoe kan je daar vanuit nog op een volwassen manier meedelen dat je duo-voorganger geworden bent. Hij voelt zich nu ook echt een jongen, kijkt met David op zijn arm in de spiegel in de gang en zegt; ‘Jozua.’ Hij schrikt er zelf van. David kraait nu Jozua, Jozua. Johan probeert hem af te leiden en stapt vanuit de hal de keuken in. Deborah smeert boterhammen en heeft niets gehoord of doet of ze niets gehoord heeft.

‘S avonds laat kan Johan niet slapen. Hij is onrustig en zijn neiging speelt op. Hij sluipt uit bed, Deborah slaapt, doodop van het jonge moeder zijn. Hij sluipt naar beneden waar de computer staat. Met alleen het licht van het beeldscherm aan zoekt hij naar homoseks. Uit ervaring weet hij dat hij beter aan zijn neiging kan toegeven dan er tegen strijden. Niemand, niemand weet dit. Alleen Jozua maar van Jozua heeft hij niet te vrezen. Met zijn broek op zijn knieën en zijn lid in zijn hand zoekt hij zijn favoriete filmpje op. De buurman komt thuis van het uitlaten van zijn hond en ziet door het dunne gordijn het silhouet van Johan achter de computer klaarkomen. Hij heeft een kalme, milde natuur en heeft met deze jongen te doen. Waarop Johan klaarkwam weet hij niet maar iets in het zijn van Johan stuurt zijn vermoeden in de juiste richting. Toch wil hij Johan waarschuwen en slaat de voordeur iets harder dicht dan normaal. Dit moet Johan horen en dat doet hij ook. Het triggert hem. Hij wacht een paar minuten en sluipt naar buiten. Vanaf de straat ziet hij door het licht van het computerscherm een deel van de kamer in silhouetten. Hij realiseert zich dat hij als een wajangpop moet zijn bezig gezien. Zekert weten dat de buurman of buurvrouw, of wie meer, hem gezien hebben heeft hij niet maar een diepe angst komt over hem. Hij sluit de computer af en vergeet zijn zoekgeschiedenis te wissen.

De volgende dag, hij slaapt nog, wil Deborah wat lieve liedjes voor David via de computer opzetten, als ze de zoekgeschiedenis van Johan ziet. Ze is verbijsterd. Dat had ze niet van hem verwacht. Ze huilt als ze de geschiedenis wist. Hij moet niet weten dat ze dit zag.

Johan roept van boven of even een schroevendraaier uit de schuur wil halen. Als ze weer binnenkomt loopt Johan van de computer weg. Hij zegt niets, is niet boos maar zij weet dat hij weet wat zij gezien moet hebben. Dat klopt. Johan verzint smoesjes die hij niet uitspreekt, Johan denkt er aan om open kaart te spelen, Johan bidt eerst tot God en Johan weet het gewoon niet. Hij blijft uren op zijn kantoortje boven, eet niet, drinkt niet, totdat Deborah zonder kloppen het kamertje binnenloopt, zijn hoofd tussen haar armen neemt en zegt dat buiten hij en zij niemand hier ooit van hoeft te weten. Een voorganger die nog voor zijn inzegening valt kan ze niet hebben. In die schaamte wil ze niet meegetrokken worden. ‘De buren weten het misschien.’, snikt hij. ‘Mijn God,’, zegt ze; ‘dat kan er ook nog wel bij! We gaan dit samen doen!’ Johan kan niet anders dan zich overgeven. Het lucht hem op maar hij weet ook dat zijn vrouw nu iemand voor hem is om rekening mee te houden. Hij is chantabel binnen het huwelijk. ‘Ik weet ook van Jozua.’, zegt ze. ‘Hoe?’, roept hij terwijl hij achteruit deinst. ‘Je praat in je slaap jongen. Nooit over Jezus, altijd over Jozua. Je zag hem gisteren en dat zag ik. Er zijn geen geheimen meer, hoop ik.’ ‘Er zijn geen geheimen meer.’, antwoordt Johan en hij denkt aan dat ene geheim dat hij nooit zou delen. Met niemand. Dat geheim is dood!

VI

‘Is Jezus nog wie hij altijd voor je was?’, vraagt Deborah hem een paar dagen later. ‘Ja natuurlijk.’, antwoordt Johan. Misschien hou ik wel meer van hem dan dat jij doet, juist om wat ik ben. Ik bedoel niet, zie het niet als slecht, maar ja.’ ‘Maar hij keurt dit toch af?’, antwoordt Deborah. ‘De apostel Johannes hield van Jezus en Hij hield van Johannes. Daar hou ik het bij.’, zegt Johan. ‘Hoe kun je je in de kerk nog tegen homoseksualiteit uitspreken als je het zelf bent?’, vraagt Deborah. ‘Ik ben niet homoseksueel Deborah, de duivel valt mij er mee aan. Het is niet van mij, het is van de duivel. Soms is de duivel, de zonde, te sterk. Ik ben een man van God en ik word krachtig aangevallen. Juist op waar ik tegen ben. Maar God is barmhartig. Ik breng mijn zonde bij hem en hij wast mij witter dan sneeuw. Ik zal altijd tegen homoseksualiteit zijn want het is niet van mij, het komt van de duivel. Als ik homoseksuele daden verricht dan ben ik zwak, maar God vergeeft. Juist mij, omdat ik hem dien. Ik ben niet vrij van de aanvechting maar wel vrij van de schuld. Hij heeft mij aan het kruis vrijgekocht en dat is de zekerheid waarop ik sta.’

‘Dat is wel heel makkelijk.’, zegt Deborah maar ze ziet aan zijn gezicht dat ‘de waarheid’ hem in zijn greep heeft. Hij is zo makkelijk, denkt ze. Alles dreigt als een kaartenhuis in te storten maar hij heeft zichzelf al weer bij elkaar gepakt en ik zie geen enkele deemoedigheid meer. Straks is hij er nog blij mee ook. ‘Ik heb een doorn in mijn vlees Deborah. Paulus schreef ook over een doorn in zijn vlees.’ Deborah wist nu hoe ver het was. Hij zou in elke spreekbeurt vrijmoedig over de doorn in zijn vlees spreken, maar niet uitspreken wat die doorn dan wel is. Het zal hem Evangelische streetcredit geven. Hij zal er zijn voordeel mee doen. Zo lang ik, of een buurman of zoiets hem niet verraad zit hij goed. Daar heb ook ik belang bij. Ik blijf zijn vrouw. ‘En Jozua Johan, wat moet je daarmee?’ ‘Jozua is er steeds maar is ook ver weg. Hij is het begin en het einde van mijn denken. Hij is de belichaming van Jezus voor mij. Zonder aan hem te denken kan ik niets. Hij helpt mij er doorheen. Juist omdat ik hem niet meer spreek kan hij Jezus voor mij zijn. Dat is geen homoseksualiteit. Dat is houden van.’ ‘Maar ik dan Johan, wie ben ik dan voor je?’ ‘Mijn zuster Deborah, de spreekwoordelijke dienstmaagd. Ik hou van je met Zijn liefde. Dat moet genoeg zijn. Dat is alles.’ ‘En ik dan? Heb ik geen recht op het verlangen van een man? Heb ik er geen recht op om zelf te verlangen?’ ‘Dat is het kruis dat je te dragen hebt Deborah. Het zal nooit te zwaar zijn want Jezus geeft je niets dat te zwaar is.’ ‘Ik weet het niet Johan. Jij hebt altijd overal een antwoord op. Het klinkt heel logisch wat je zegt maar ergens is het niet eerlijk.’ ‘Het zijn woorden van God. Hij besluit wat goed is en wij hebben te gehoorzamen. Juist als het moeilijk is. Ik wil nu niets meer van je horen. We moeten allemaal onze plaats kennen en ik ben het hoofd van dit huisgezin. Zorg er voor dat ik in rust kan werken. David huilt. Ga nu maar.’

Deborah gaat, het tot ruzie laten komen heeft geen zin. Toen ze net getrouwd waren hadden ze flinke ruzie gekregen. Dat had een paar dagen geduurd, totdat er een paar vrouwen van oudsten uit de gemeente voor de deur stonden om met haar in gebed te gaan. Johan had zijn verdriet met oudsten gedeeld en zij deden wat goede broeders en zusters dan doen, de weerspannige pacificeren. Ze was zo overdonderd geweest dat ze het had laten gebeuren. Wat moest ze anders? Opstandig zijn? Nee, dat was geen optie. En nu, een paar dagen nadat zijn gevoelens waren uitgekomen voelde ze iets van gelijkheid. Hij leek respect, achting voor haar te hebben maar de gekte had de overhand weer genomen en hij haalde kracht uit zijn zwakte. Voor haar is dit uitzichtloos, voor hem een verrijking.

VII

De moeder van Johan en haar dochters komen net voordat de kerkdienst begint het gebouw binnenlopen. Hun tegenzin is groot maar wegblijven is geen optie. Sinds het verdwijnen van haar man noemt zij zichzelf geen christen meer en haar dochters zijn er amper in opgegroeid en hen zegt het allemaal niet bijzonder veel. Toch een beetje bang dat haar dochters door het geloof gegrepen worden is Cleo, want zo heet ze, bang voor wat komen gaat. Ze weten in dit soort kerken zo sterk op de emotie in te werken. Wat ongerust, met aan beide armen een dochter, stapt ze de kerkzaal door. Ze nemen zonder verder dan de ontvangstdame bij de ingang van de kerk door iemand aangesproken te zijn plaats op de gereserveerde plekken vooraan. Vier plekken terwijl ze toch met hun drieën waren. Ze kon zich niet voorstellen dat hun zoon bij hen kwam zitten en dat deed hij ook niet. Een nogal charismatische jongeman van rond de vijfentwintig jaar neemt plaats naast haar oudste dochter die rechts van haar moeder zit. Hij kijkt heel blij maar hij maakt eigenlijk geen contact anders dan een vriendelijke hoofdknik als hij naast hen plaatsneemt. A

Naomi is wel van hem gecharmeerd, al voelt ze dat hij zo ontspannen naast haar zit dat ze zich in haar vrouwelijke waardigheid voelt aangetast. Ze weet dat de meeste jongens toch enigszins verlegen zijn als ze zo maar een poos naast haar plaatsnemen. Ze voelt absoluut geen spanning van zijn kant wat het pleziertje dat ze zichzelf in haar hoofd had gehaald toen hij aan kwam lopen wat verpest. Aan de andere kant van het pad waaraan ze zitten was een jonge vrouw aan de dienst voorafgaand blijkbaar diep in gebed verzonken. Later deed ze eigenlijk redelijk opvallend aan de dienst mee. Poseur, denkt Cleo. Een beetje het devote meisje uithangen en ondertussen zo gekleed zijn en bewegen dat de jongens achter en naast je amper met Jezus bezig zullen zijn. Nee, Cleo hoeft tenminste niet bang te zijn dat haar dochters naïef recht in het vissersnet zullen zwemmen.

Johan wordt ingezegend, moeder en zussen hoeven goddank niet op het podium te komen. Johan houdt een preek waar zijn zusjes geen touw aan vast kunnen knopen. Ze hebben geen kaas gegeten van Evangelische retoriek. Vrijgekocht door het bloed van het lam roept bij hen associaties met voodoo op wat hier toch niet de bedoeling kan zijn. Cleo zelf vermaakt zich met de vele clichés waarin haar zoon spreekt. Geen zoon van zijn moeder denkt zij vergenoegd en ze voelt zich gelijk schuldig omdat ze het denkt. Hij kijkt telkens naar hen, denkt ze. Toch ontmoeten zijn ogen nooit de hare. Kijkt hij nou voortdurend naar zijn zus? Nee, toch niet. Cleo kijkt naar rechts en ziet het blije gezicht van de jongeman. Hij ook, schiet door haar hoofd. Johan Toch! Geen twijfel over mogelijk. Haar man. Hij heeft het van hem, maar, wat kan het haar eigenlijk schelen. Een interessante situatie. Ze is benieuwd hoe dit zich gaat ontwikkelen.

VIII

Jozua zit op een bankje in de binnenstad. Johan heeft hem gebeld. Hij moet praten. Jozua snapt dat het er eens weer van moest komen. Drie jaar geleden is het nu dat ze elkaar op een jonge evangelisten weekend ontmoetten. Waar Johan zijn roeping bevestigd zag wist Jozua dat hij een groter man Gods was. Hij is een leider van leiders. Hij zegt niet veel. Hij kijkt, straalt liefde en vertrouwen uit. Met een enkele voorganger heeft hij een wat inniger relatie. Zij vinden hem. Zo ook Johan.

Ze zitten op een terras. Beiden met een glas fris voor zich praten ze. Dat wil zeggen, Johan praat, Jozua luistert en stelt af en toe een vraag. Zonder het zelf te weten voert Jozua een socratisch gesprek met Johan. Het charisma van Jozua heeft Johan volledig in de ban. Verliefdheid jaagt door zijn lichaam en hij durft bijna niet een tweede glas fris voor te stellen omdat hij bang is dat Jozua dat zou weigeren. Als hij het dan eindelijk voorstelt weigert Jozua inderdaad vriendelijk. Dit betekent dat hun ontmoeting tot een eind komt. Met een gevoel van spijt neemt Johan afscheid en fietst intens verlaten naar huis waar David op het kleed speelt en Deborah aan het koken is. ‘Was het fijn Johan?’, vraagt ze. Met een grote snik zegt hij dat hij zich zo ontzettend verlaten voelt. ‘Moet je hem dan nog wel zien jongen?’, zegt ze. ‘Wat kan ik anders Deborah.?, zegt hij; ‘Hij houdt niet van mij zoals ik zou willen en dat doet ontzettend pijn. Hoe leef ik dit leven in deze kramp? Ik probeer me op Hem te richten maar als ik de andere Hem gezien heb weet ik het niet meer. Hij weet het misschien niet eens. Als ik bij hem ben dan is het goed maar ik word ook al verdrietig bij de ontmoeting omdat het afscheid telkens zo erg is. Ik moet het bij Jezus neerleggen. Dat ga ik nu doen.’

Deborah heeft intens medelijden. Jaloers op Jozua is ze niet. Haar man voelt niet meer als haar man. Sinds die ochtend, toe ze zijn geschiedenis zag, is hij een gewond vogeltje voor haar. Even had hij zich nog met nieuw zelfvertrouwen opgeblazen maar nadat hij Jozua op de eerste rij zag was hij alleen nog afhankelijk van wat hij zijn vriend noemt. Zij vindt Jozua geen vriend. Jozua is een charismatische psychiatrische patiënt met een Messiascomplex. Haar man mankeert ook wat. Ze weet het zeker. Alleen onderdrukking van homoseksualiteit kan het niet zijn. Die waanzin die hij in zijn ogen kan hebben als hij in zijn glorieroes zit. Daar viel ze ooit voor. Ze dacht dat het levenslust was maar het is overspannen. Wat kon ze weten. Ze was nog zo jong.

IX

Een klap op het plaatsje achter. Johan is gesprongen! Ze weet het gelijk. Ze rent naar buiten en stort zich op zijn lichaam. ‘Grote God, wat heb je gedaan!’, roept ze. Hij leeft, dat ziet ze wel maar er moet hulp komen. De buurman komt zijn achtertuin in lopen, gaat achterlangs, komt hun tuin in gerend en roept; ‘Bel de ambulance Joke.’ De buurvrouw, Joke, staat al met haar telefoon in haar handen, eigenlijk te onrustig om fatsoenlijk te communiceren. De buurman rent terug naar haar en neemt de telefoon over. Het is te laat. Johan krijgt een akelig witte kleur. Zijn pupillen wijzen naar boven. Deborah drukt nog op zijn borst maar zijn ribben lijken wel allemaal gebroken. Ze schreeuwt wat ze nog nooit geschreeuwd heeft. De ambulance daar. Voor hem kunnen ze niets meer doen. Zij moet verder; ‘godverdomme!’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *