Ik sta voor mijn boekenkast iets uit te zoeken wat ik als project voor de komende tijd zou kunnen oppakken. De Essays van Montaigne waar ik nog steeds niet aan toegekomen ben, Oorlog en vrede van Tolstoj, Doctor Faustus, de roman van Mann die ik nog niet las of de sprookjes van Grimm. Wat ik ook kies, het zal me inspireren. Het zal mijn denken enige tijd sturen.
Als ik mijn keuze gemaakt denk te hebben hoor ik beneden, want ik bevind mij boven in de bibliotheek, een bekende stem roepen die ik zo direct niet kan plaatsen. De derde keer dat ik hoor roepen weet ik wie het is.
Mijn baas. Raar. Wat doet hij hier, bij mij thuis? Wie heeft hem binnengelaten?
Ik roep naar beneden; ‘Meneer Van Roo, wat doet u hier?’ Meneer Van Roo kijkt mij streng aan en zegt dat ik niet moet proberen vrijheden te nemen nu we elkaar in een andere omgeving treffen.
Ik merk dat ik gelijk in mijn normale werkrol schiet en ik vraag hem beleefd waarmee ik hem kan helpen. Zijn blik gaat langs mijn kleding, hij negeert mijn vraag en op zijn beurt vraagt hij waar ik in godsnaam mee bezig ben?
‘Ik ben vrij meneer Van Roo’, antwoord ik. Ik zocht net uit wat ik zou kunnen gaan lezen. ‘Van Heuvelen’, zegt hij; ‘Er valt veel aan je te verbeteren. Waarom hou je je daar niet mee bezig? Ga mij voor. Laat mij je werkkamer zien.’ ‘Bibliotheek meneer’, antwoord ik. ‘Een bibliotheek? Waar heb jij een bibliotheek voor nodig?’ Zijn minachting vult heel mijn ruimte zodat het zijn ruimte wordt. ‘Wat doet die rotzooi op de trap?’, op de trap liggen een paar tijdschriften; ‘Als je je er je nek over breekt dan zit ik met een zieke. Geef maar hier. Ik gooi het straks wel weg.’
Dociel geef ik hem de tijdschriften. Ik vraag me niet eens oprecht af of ik droom en loop de trap op met mijn baas achter mij aan. Heel mijn bibliotheek komt mij opeens belachelijk voor. Schilderijtjes die mij nu tuttig lijken, een geurbuiltje hier, een pop in de hoek. Een bureau met een mooie lamp waarvan mijn baas gelijk zegt dat hij zoiets nog nooit heeft gezien bij iemand in mijn functie. Hij sommeert mij de muziek die opstaat uit te zetten want zo kan hij niet nadenken.
Met zijn voet schuift hij een stapeltje boeken opzij, gaat in mijn bureaustoel zitten, zegt dat ik het bureau wel eens mag opruimen en vraagt hoe de computer werkt omdat hij niet wijs wordt uit wat hij op het beeldscherm ziet.
Ik help hem er mee en hij laat mij inloggen in de werkomgeving van kantoor. Dat duurt even en ik vraag mijn baas of hij een kopje thee meedrinkt. ‘Koffie’, zegt hij. ‘Je weet hoe ik het drink.’
Zenuwachtig zet ik koffie. Wat duurt dat lang als je niet op je gemak bent! Ik schenk koffie voor ons beiden in en voor hem zoek ik een mok uit waar ik weinig herinneringen aan verbonden heb. Boven pakt hij de mok die ik voor mezelf bestemd had uit mijn hand, de mok die ik van mijn vrouw gekregen heb, neemt een slok en merkt verder niet op dat ik mijn koffie anders drink dan dat hij zijn koffie drinkt.
Ik zeg hem dat ik naar het toilet moet en hij zegt dat dat dan maar moet maar dat het niet te veel moet voorkomen. Ik word niet betaald om daar rond te hangen.
Nu zit ik op het toilet en ik weet niet hoe dit verder moet.
