Twee schrijvers

‘Doe je best. Je kunt het ook!’

Ik voel me een boerenlul. De literaire schrijver zit tegenover mij en heeft net een van mijn verhalen gelezen. 

‘Je geeft nauwelijks om stijl. Je maakt het zo gewoontjes. Jij schrijft; “Het meisje was bang.” Ik wil die angst voelen Jasper.’ 

‘Maar daar gaat het mij niet om. Zie zelf maar voor je hoe het meisje bang is. Ik wil daar als schrijver niet tussenzitten.’

‘Probeer het eens. Laat eens zien wat je in huis hebt.’ 

‘Dit heb ik in huis Erik. Dit is mijn stijl. Jij vindt het geen stijl. Jij vindt het gedachten op papier kwakken en klaar.’

‘Een beetje wel. Verhaaltjes vertellen kan iedereen. Je moet het naar literair niveau trekken.’

‘Wat mag dat dan wel zijn, literair niveau?’ 

‘Daar is geen vaste omschrijving voor. Je verhaaltjes zijn zo eenduidig. Er staat wat er staat. Je doet bijvoorbeeld amper moeite om metaforisch te schrijven. Ook zie ik bij jou helemaal niets van aansluiting bij wat voor maatschappelijk debat dan ook. Je doet niet mee. Je hebt niets essentieels te zeggen.’

‘Ik schrijf over de mens. Het onveranderlijke.’ 

‘Ik neem daar geen genoegen mee. We leven in deze wereld. Heb je er helemaal niets over te zeggen, zelfs niet in het klein? Wil je het veilig houden? Weet dat je niet lauw kunt zijn. Geen mening uiten betekent er niet toe doen.’

‘Ik wil er niet toe doen. Ik wil doen wat ik mooi vind; La condition humaine. Los van ‘het nieuwe denken’, veranderende machtsstructuren, opwarming van de aarde, nou, zo’n beetje alles. De mens blijft hetzelfde’! Probeer de mens te kennen en weet dat het gewoon mens zijn door al het idealisme heen breekt. We blijven altijd met onze natuur te maken hebben. Niets kan daar omheen; het opheffen. Al lijkt het soms zo.’

Mijn vriend schudt zijn hoofd. Tot mijn verbazing staat hij op, legt wat geld op het cafétafeltje, neemt mijn hand en drukt hem stevig. ‘Ik moet gaan jongen. Weet je…’ Hij zucht, blijft staan, lijkt te twijfelen, schuift zijn stoel weer naar achteren en gaat zitten. 

Het is zijn zoon. Zo’n drie jaar geleden begon het. Net student, vers van het VWO. De wereld leek voor hem open te liggen. 

Met zijn blonde kop en flinke, niet slungelige, lengte, zijn beweeglijke gezicht met die lichtblauwe ogen van hem. Een aantrekkelijke knul. Lijkt op zijn moeder. Een gelukje van de natuur noemt zijn vader hem.

De vrouw van mijn collega schrijver was ook zo’n mooi blond ‘hoe kan zoiets bestaan’ wezen. Ze was op hem gevallen omdat hij zo fijn poëtisch is. Nu word je dat ook wel van zo’n vrouw, zelfs ik zou er minder rechttoe rechtaan van gaan schrijven. Haar poëtisch bezingen veranderde in de jaren van smachtend naar minnend, tot vandaag waarop het betreurend schrijven overblijft. De godin bleek van de jeugd en daar bleef ze ook in. 

Op een dag had ze zich verhangen. Mijn collega schrijver zag het aankomen want het ging al een poos niet goed met haar. Zijn zoon was nog zo jong. Hij omklede haar sterven met een mythische verhaal wat zijn kracht in de loop van de tijd, het opgroeien van de jongen, haar kracht wel wat verloor maar toch altijd iets van troost voor het gemis bood. 

De jongen, niet in het minst door zijn fysieke verschijning algemeen geliefd, vond moedermiscompensatie in liefdevolle vriendinnetjes en toffe onbekommerde vrienden. 

Zo verscheen hij op de universiteit, maar het studentenleven dat vroeger als zo’n beetje de mooiste tijd van een jeugdige gezien werd, heeft in de moderne prestatiemaatschappij een deel van haar glans verloren.

Student zijn is daarnaast een toestand van het innemen van posities in zoveel uiterst belangrijke debatten. Zo veel is zo beladen geworden. Zelfs het constateren dat zaken beladen zijn is al oppassen geblazen. De twee zaken die vermeden moeten worden zijn verbazing en verontwaardiging over wat je in een discussie brengt. 

De grote blonde knaap zag in dat idealisme altijd beter is dan onverschilligheid. Helaas begon de zwaarmoedigheid die zijn moeder zo fataal geplaagd had ook bij hem op te spelen. Hij zocht ontsnapping aan zijn spoken in met overgave geloven in waarmee hij bezig is; zowel studie als activisme.

Mijn collega trekt wit weg. Helemaal vergeten dat hij wilde vertrekken vraagt hij het barmeisje om een glas jonge Jenever. Nadat ze het voor hem op tafel zet, voor mij ook want ik ging mee met zijn bestelling, nemen we een flinke slok en hij buigt zich voorover, tot vlak voor mijn gezicht.

Vanmiddag gaat zijn zoon voor euthanasie. Heel wat netter dan verhangen. Hij heeft graag dat zijn vader er bij is. 

‘Godverdomme Jasper. Ik probeer het te verdringen. Daarom zit ik hier met jou in dit rotcafé. Ik probeer me vast te houden aan  het enige dat me trouw was in het vasthouden; het verhaal. De mythe.’

Zo blijven we tegenover elkaar zitten. We kunnen niet tot opbreken komen. Hij maakt een nieuwe mythe, ik schrijf dit verhaal. Dit einde heb ik zelf in de hand.

Erik kijkt mij aan. Wat vind jij acceptabel vraagt hij? Ik zeg dat een verhaal drama nodig heeft. 

‘Laat het dan maar zo.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *