De nachtvoetballer

Heel laat, als ook de nachtbrakers beginnen te geeuwen, komt Joost uit zijn bed. Hij heeft de wekker gezet, zoals elke nacht, zeven keer per week, om 03:00 uur. Hij kleed zich, al naar het gelang het weer verijst, sluipt de trap af, neemt zijn voetbalschoenen in zijn ene hand en een bal in zijn andere, trekt normale schoenen aan en gaat via de voordeur naar buiten. Zelfs de krantenbezorgers zijn nog niet op de been.

Joost heeft ongelukkige voeten. Hij kan met normale schoenen lopen maar je ziet wel dat hij iets mankeert. Joost is acht jaar, veel te jong om ’s nachts zo alleen buiten te zijn, maar hij is niet te houden.

Het trapveldje met doel ligt op vijf minuten van huis lopen in een klein parkje met bankjes en, heel eigenaardig, hoge populieren achter een slootje eromheen. Het heeft iets spookachtigs. Vooral ’s nachts.

Joost geniet van de stilte. Hij begrijpt niet veel maar voelt wel. Overdadig. De maan, bijna vol, tussen de wolken door. Het natte gras dat een beetje glad is. Het doel, redelijk goed verlicht door lantaarnpalen.

Voetballen vindt hij geweldig. Heerlijk, ongezien, in zijn element rent hij zo ’s nachts achter de bal aan en schiet hem door zijn ongelukkige voeten vaker buiten, dan binnen de doelpalen. Het maakt hem niet uit. Het geluid dat zijn voet tegen de bal maakt is fantastisch. Als hij eens scoort dan roept hij heel hard ‘Goal!’. Bijna een uurtje volkomen genieten.

Ook vannacht weer. Hij gaat op het bankje zitten, trekt zijn voetbalschoenen met noppen aan, doet zijn trainingsbroek en trainingsjasje uit, voelt dat het wel heel koud is en gaat snel bewegen. Rennen, eerst heen en weer, in de lengterichting over het veld. Inlopen, spieren opwarmen.

Dan loopt hij terug naar het bankje om de bal te pakken. Daarop is echter, vanuit het niets, een oudere meneer gaan zitten die aardig naar hem glimlacht. Joost schrikt, maar de glimlach is heel vriendelijk. De meneer doet zijn jas open en zegt; ‘kom maar lekker even bij mij opwarmen vent. Het is echt te koud om zo rond te lopen.’

Het is ook wel erg koud en Joost snapt dat de meneer verstandig is. Hij doet een stapje naar voren, de meneer slaat zijn jas om Joost heen en nu zijn alleen zijn benen nog koud.

Twintig seconden staan ze zo. Joost begint zich toch wat ongemakkelijk te voelen. De meneer ruikt aan zijn haar en dat vindt hij vreemd.

‘Zal ik dan maar in trainingspak voetballen’, zegt hij. Hij wil toch laten zien dat hij een oplossing gevonden heeft.

‘Nee ventje’, zegt de man; ‘Het is tijd om te gaan slapen. Ik woon dichtbij. Pak je spullen maar. Thuis heb ik een voetbalbed. Heb je zoiets wel eens gezien?’

Joost niet, en hoewel hij het allemaal wel vreemd vindt, hij toch ook wel wil voetballen en gewoon thuis kan slapen, is hij best nieuwsgierig naar het voetbalbed.

Rob schiet overeind. Wat een godverdomde klotedroom! Fucking hell! Hij ademt zwaarder dan dat hij zou hoeven ademen, zelfs in zijn schrik. Het is om de aandacht van zijn vrouw te trekken die in diepe slaap is. Dat werkt. Ze wordt wakker en is gelijk gealarmeerd.

‘Rob, wat is er? Wat is er dan Rob?’

‘Niets lieverd, een droom. Zo echt! We hadden een zoon die Joost heette. Gatver, ik wil er niet eens over vertellen. Ik ga even wat water drinken.’

Met een half leeggedronken glas water stopt hij op de overloop even voor Nora’s kamer. Voorzichtig opent hij de deur. Hij hoort haar ademhaling, luistert zo’n twintig seconden en trekt, overgelukkig, zachtjes haar slaapkamerdeur weer dicht. Onze prinses, denkt hij, morgen schoolmusical.

Zijn vrouw slaapt alweer. Op de wekker ziet hij dat het 03:00 uur is. De beklemming van de droom is terug en zijn hart gaat tekeer. Hij neemt nog een slok water, kruipt tegen de rug van zijn vrouw aan, ruikt haar haren en slaapt gerustgesteld weer in.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *