De waterfles

Het is een lelijk ding maar ik heb hem nodig. Omgerekend dertig cent bij de straatverkoper dus daarvoor hoef ik het niet te laten. Zonder de moeite te nemen om de fles te spoelen vul ik hem bij een watertappunt op het pleintje bij de kerk.

Er is een bankje vrij. Natuurlijk middenin de zon. Daarom loop ik naar de kerkmuur die een beetje schaduw geeft en ga er op mijn hurken tegenaan zitten.

Het is een saai pleintje. De kerk is bovendien dicht. Iets wat ik zo Zuidelijk niet gewend ben. Het is dat ik een man met wat spullen tegen een blinde muur zag zitten, wat mij benieuwd naar zijn waar maakte, anders zou ik hier helemaal niet zijn.

Het stadje valt mij tegen. Het wordt om zijn rust aangeprezen, maar naar dodelijke rust ben ik ook weer niet op zoek.

Ik neem een slok. Er zitten wat deuken in de lichte modderkleurige stalen fles. Maar er zit ook een handig oogje aan waar een koord aan kan zodat de fles ergens aangehangen kan worden. Ik verbeeld mij het verleden van de fles in als beurtelings hangend aan een spijker bij de deur van een huis, wellicht hier in het dorp, en hangend aan de riem of tas van de eigenaar.

Ik kan me niet voorstellen dat het ding van een vrouw geweest zou zijn. Daarvoor is hij te functioneel. Niets sierlijks aan.

Maar God, wat is dat water lekker! Onwillekeurig kijk ik keurend naar de fles waarvan natuurlijk niet af te lezen valt wat de ingrediënten zijn van wat ik er net uit gedronken heb. Ik kijk in de fles en tot mijn verbazing lijkt het of ik door een sleutelgat een prachtige frisse tuin inkijk. ‘Jezus’, denk ik, snel mijn ogen weer op het plein richtend; ‘wat raar’.

Ik kijkt nogmaals in de fles en ik schrik ondanks dat het beeld heel aangenaam is. Een jonge vrouw kijkt mij, vanuit de tuin, aan.

Weer kijk ik naar het plein en weer in de fles en ik zie de jonge vrouw die nu net een katje aait dat met haar in de tuin is. Ze lijkt mij vergeten te zijn maar voor mij raakt ze niet uit beeld.

Bang haar te verliezen, maar toch echt heel dorstig, neem ik nog een slok uit de fles. Weer heel lekker. De vrouw ligt nu rustig in het gras. Ik drink de fles leeg, kijk weer en een grote droefheid komt over mijn geest. De tuin is heel donker en er ligt een gedaante, uitgedroogd, zichtbaar op het randje van sterven.

Als een waanzinnige vul ik de fles weer, ik kijk er in, vrouw en tuin zijn terug in hun frisse heerlijkheid.

Wat een raar fenomeen. Zoiets heb ik nog niet meegemaakt en ik moet naar mezelf toegeven dat de komst naar deze stad nu toch wel iets interessants gebracht heeft. Ik loop, nadat ik de dop voorzichtig op de volle fles gedraaid heb, terug naar de verkoper om hem over de fles uit te horen.

Met hem valt echter niet te communiceren. Een domme lach in een welwillend gezicht. Dat is het dan. Ik kijk om me heen maar van geen van de oudjes in schaduw op bankjes hoef ik het te verwachten. Als ik naar ze toeloop weren ze me af. Er zit weinig anders op dan weer verder te lopen.

Ondertussen kijk ik telkens in de fles. Het heeft iets verslavends om het meisje zo bezig te zien. Nu merkt ze mij weer op en ze lijkt mij iets te willen zeggen. Ik weet alleen niet wat en ik breek er mijn hoofd over hoe ik nader met haar in contact kan komen.

Die avond, in een klein restaurantje, hou ik de fles in mijn tas en ook als ik naar de bar verhuis blijft ze in mijn tas zitten. Alleen als ik even naar het toilet ga kijk ik naar haar. Ook in de tuin is het avond en als ik in mijn hotel in bed stap ligt zij daar in de tuin te slapen. Mijn afstand tot haar begint mij onrustig te maken.

Als ik ’s morgens wakker word is de waterfles helemaal in bed leeggelopen. Ik moet, kijkend in de fles, in slaap gevallen zijn. Wederom is ze er slecht aan toe en als ik de fles met water vul staat ze er weer in volle glorie.

Ik slurp van haar. Ze is zo lekker. Ik raak verslaafd aan haar smaak, haar geur, haar beeld. Ik voel mij eenzaam nu met haar fles in mijn hand en zij zo onbereikbaar.

Op zondagmorgen zal het kerkje toch wel open zijn? Ik moet het toch nog bezoeken. Het is het enige gebouw van betekenis in het dorp en ik wil het niet ongezien laten. Misschien vind ik daar een verklaring.

Met mijn fles in mijn hand, er ondertussen inmiddels naar gewoonte vrijwel continu in loerend, zit ik al vroeg op een bankje bij de kerk dat nu wel in de schaduw staat. Ik ben veruit de eerste.

Na ruim een half uur zie ik pastoor richting het gebouw scharrelen. Ik haal hem in en spreek hem eerbiedig aan of ik even een blik in het kerkje mag werpen.

De pastoor kijkt mij aandachtig aan en neemt mij dan heel beslist mijn open fles af. Ik wil protesteren maar dat vind ik toch moeilijk bij een geestelijke dus ik volg hem als hij met de fles, die hij behoedzaam vasthoudt, de kerk in stapt. Hij neemt wijwater en besprenkelt hem zodat de fles van buiten volkomen nat wordt. Dan gebeurt het wonder. De pastoor wordt de fles ingezogen. De fles valt, ik raap hem snel op en kijk er verwonderd in.

In de fles liggen nu de pastoor en de jonge vrouw, in de door God geschapen naaktheid, innig met elkaar verstrengeld in de tuin.

Teleurgesteld stop ik de fles, nadat ik hem in het wijwaterbakje heb leeggegoten, diep weg in een smalle ruimte achter het retabel. Laat de pastoor en zijn meisje daar maar een eeuwigheid verdroogd liggen.

Ik kijk nog even naar de fresco’s die mij niet kunnen boeien en verlaat, ongetwijfeld vervloekt, de kerk. Niet veel later, maar niet voordat ik op het busstation een plastic flesje water koop, vertrek ik ook uit het stadje.

In het Zuiden valt, als je er oog voor hebt, veel te beleven. Voor het je eigen maken is heel wat meer nodig. Mij is het nog niet gelukt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *