Charisma en overgave

Ik kan er moeilijk naar kijken. Sterker nog, als het mogelijk is verlaat ik de ruimte als zij samen daar ook aanwezig zijn. Bram zit dan naast hem. Met zijn stoel veel te dicht tegen hem aan. Soms legt hij zelfs bevestigend een hand op zijn bovenbeen en strijkt er dan overheen zoals je dat over de rug van een kat doet. Absoluut onschuldig. Zonder stimulerende bijbedoelingen.

Bram ziet hem als een intieme vriend. Maar echt intiem. Als hij in de stemming raakt steekt hij zijn arm tussen de benen van zijn vriend en gaat dan zachtjes zitten neuriën. Zijn vriend laat het begaan.

Veel van de nieuwe mensen die wij kennen, vanavond samen met de vriend hier op een kringavond bij ons aanwezig, vinden het mooi, zo’n ontwapenende intimiteit. Ze vinden het puur, zeggen dat ze eigenlijk ook wel zó ontvankelijk zouden willen zijn. Zich zó in een ander verliezen. Het overkomt Bram. Ik was er de eerste keer bij. Iedereen die hier nu is. Bram is mijn echtgenoot.

Het gebeurde op een middag toen Bram en ik van een muziekvoorstelling terug naar huis door het park liepen. Simon, zo heet de grote vriend van Bram, zat met een groepje mensen op het gras. ‘Een leraar en zijn leerlingen’, zei ik tegen Bram en daar had ik gelijk in. Wij gingen over het pad vrij dicht langs hen heen. Simon sprak ons aan.

Met zijn ogen samenknijpend tegen het zonlicht, wat zijn toch al androgene uitstraling bijzonder lieflijk maakte, nodigde hij ons uit om bij hen te komen zitten. Ze zouden net wat gaan picknicken. Wat hapjes, wijn en vruchtendranken. Ze hadden heel veel mee dus er was genoeg.

Ik kan mij niet goed ontspannen tussen onbekenden, Bram kan dat, toegegeven, deels door wijn, veel beter dan ik dat kan. Ik drink niet. Bram zag een gelegenheid voor lekker eten en wat drinken en zo’n gelegenheid nam hij graag te baat.

Zo belandden wij dus in het gras en we luisterden, naast elkaar zittend, naar Simon die met zachte stem sprak.

Een charismatische dertiger. Zelfs ik, allergisch voor mensen met een niet te bestrijden geestelijke overwicht, werd rustig alsof iemand met een kam door mijn haar ging of mij over mijn rug kietelde. Een zware, droomachtige, gesteldheid, als een tijdelijk afgekneld en daardoor verdoofd been dat niet zonder vreemde lichamelijke sensaties aan te raken is totdat de bloeddoorstroming weer goed op gang gekomen is.

Mijn bewustzijn verwerkte de rustige gebaren en woorden die Simon sprak maar deels. Ik keek opzij, naar Bram, en toch wel tot mijn schrik liepen hem de tranen over zijn gezicht.

Simon stond op en wiste met zijn handen de tranen van Brams wangen, nam er zijn hoofd vervolgens tussen en keek Bram glimlachend aan. Daarna blies hij hem, nog steeds op zijn knieën op ooghoogte van Bram gezeten, in een rustige langdurige zachte ademstoot in het gezicht. Ik zag Simons mooie mond en zelfs ik wilde er een kus op drukken. Bram deed het. Simon beantwoordde. Heel subtiel. Een paar seconden met hun lippen tegen elkaar. Verder niet. Toen stond Simon op en keerde naar zijn plek vóór de groep terug. Sindsdien noemt Simon hem vriend, mij vriendin.

Er was absoluut geen sprake van dat we Simon en de groep uit het oog zouden verliezen, al stonden wij vrij snel nadat de picknick met een lied, het Simonslied, werd afgesloten op, namen afscheid van de groep en Simon, belovend dat we ze in hun ‘oefenruimte’ zouden opzoeken. Dat deden wij.

Hoewel ook ik onder de indruk was van Simon is mijn gezonde wantrouwen naar de mens groter dan het verlangen om in de “geest op te gaan”, zoals Simon dat noemt. Ik zal mij niet overgeven. Bram noemt mij halsstarrig, Simon glimlacht dan naar me. Voor mij voelt het als een warme deken in de zomer; verstikkend. Voor Bram is het de warme deken in de kou; tot overgave aan de warmte uitnodigend. En dat doet Bram.

Het gekke is. Ik had niet gedacht dat Bram hier vatbaar voor zou zijn. Tot zover ik weet hebben wij een liefdevolle relatie en een leuk leven zo samen. Bram is leraar wiskunde op een middelbare school, ikzelf ben doktersassistente. Toch niet direct de meest wereldvreemde levens. Ik kon mij de naïviteit bij Bram helemaal niet voorstellen.

De samenkomst is voorbij. Simon is weg. Naar huis gegaan. De rest ook. Ik ruim de glazen en de leeggegeten bakjes op.

Bram staat melancholiek bij de platenkast. Jazz speelt zachtjes op de achtergrond. Ineens vraag ik het hem; ‘Ben je verliefd jongen?’ Hij kijkt mij aan en de werktuiglijkheid in zijn stem doet mij pijn; ‘Op jou altijd Lieze.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *