Laatste bericht

Aankondiging:

De vereniging ‘De optimistische suïcidaal’ wordt komende vrijdag bij gebrek aan vers bloed opgeheven. De geschiedenis van de vereniging mag met recht grotesk genoemd worden. Het einde zal dan nog eenmaal spetterend zijn! De uitschrijving wordt door de bewindvoerder der vereniging om klokke 13:00 uur bij notaris D. Eindsma met een handtekening bekrachtigd. Aansluitend is er een receptie, met koffie en cake, bij begrafenisonderneming ‘Het zwarte gat’ die met haar snelcursus ‘Hoogtevreesbestrijding voor springers’ het verenigingsleven veel goed heeft gedaan. Met de sponsverloopactie die de vereniging afgelopen maandag onder het mom: ‘Groepsgewijs springen, korting bedingen’, met succes op haar laatste beentjes heeft gelopen, heeft de vereniging de verenigingskas nog in leven weten te houden.

Een initiatief tot het oprichten van de ‘Vereniging der pessimistische suïcidalen’, als tegenbeweging van de optimistische variant, kon op weinig enthousiasme rekenen. In het vervolg staat de aspirant zelfmoordenaar er dus alleen voor. Wie kan ze over hun drempelvrees heen helpen? ‘Het zwarte gat’ ziet er gelukkig wel wat in. Hou het suïcidalenbestaan in leven!

Zomaar wat jeugdherinneringen

Ik lig in bed en zie de schaduw van een tak die enge gedaanten schetst op het gietijzeren dakraam. Mijn twee broers slapen op dezelfde kamer.

Ik stap uit bed, loop naar het dakraampje en duw deze met mijn hoofd open. Het aan de binnenkant vochtige raam maakt mijn haren nat. De naaldboom die net op buurmans deel van het twee onder een dak dijkhuisje staat kan ik net niet aanraken. Ik kijk over de stille dijk en het akkerland dat ik links aan de overkant zie liggen, de naalden in de dakgoot en de boom die altijd maar boven het dak uit torent. Je zou er uit omlaag kunnen klimmen maar ik doe het nooit.

Ik speel bij S. Zijn vader werkt bij Rijkswaterstaat en kan heel goed met zijn handen werken. Voor zijn zoon maakte hij een speelgoedbrug en boten. Behalve onderleggertjes voor kopjes en mokken van stukjes stam maakt hij houten boten en bruggen voor zijn zoon om mee te spelen.

S. spaart balpennen en is heel netjes. Dat bewonder ik maar zelf doe ik dat soort dingen niet. Hij heeft twee zusjes waarmee we thee drinken als we uit school komen. Het is tegen vijf uur en ik ga naar huis. Vanuit het wijkje waar hij woont over een bruggetje de dijk op. Links en rechts dijkhuisjes daarachter links akkerland, rechts woonwijk. Dichter bij huis, aan een kruispunt, links het pand van een voormalige fietsenzaak, rechts de voormalige kruidenier. Naast de kruidenier het huis van een vriendje waar ik wel eens speel, daarnaast een katholieke kerk. Over het kruispunt rechts de aardappelboer. Thuis ruik ik dat moeder kookt. Binnen spelen broers en zus hun spel en ik voel me onthecht omdat ik er tussenuit geweest ben. We eten krootjes met gesnipperde ui, aardappelen en een speklapje.

Mijn moeder brengt mij naar mijn eerste judoles. Een gymlokaal in een deel van een buitenwijk waar ik nooit kom. Ik heb nog geen judopak aan maar een trainingsbroek en t-shirt, de andere kinderen natuurlijk wel. Ik zal judo wel leuk vinden want ‘ik ga er op’. Praten met kinderen doe ik niet. Ze negeren mij, pak ik het verkeerd aan?

Na een judoles word ik bij het weggaan door een jongen in mijn gezicht gespuugd. Dat vergeet ik niet en zodra ik mijn kans zie zal ik wraak nemen. Dat is vandaag. We doen judorugby (wat ik opvat als hard van de ene naar de andere kant van de mat rennen). Spuughannes rent naast mij en net voor we bij de muur zijn laat ik hem struikelen. Hij doet zich pijn.

Ik pak mijn fiets en ik merk dat mijn licht het niet doet. Ik ben een aanstellerige dramaqueen en hoop dat ik een politiewagen tegenkom om de agent te vragen of ik nu naar huis moet lopen. Ik snap wel dat ik een beetje vreemd ben.

Achter de oude halfronde bouwloods op ons erf ligt een mini weitje. Het is er flink verwilderd. Mijn ouders hebben woorden met buren die een heel klein tuintje hebben en wel een deel van de wei willen kopen. Mijn ouders verkopen niet. Dat heeft meer met de tactiek van de buren te maken dan met grondliefde. Vanuit de keuken kijken de buren uit op het weitje. Vader houdt er niet van om bekeken te worden en komt er zelden. Zeker nu die boze buren hem in de gaten houden.

Tegen de loods zit ons konijn in een ren. We komen er niet vaak maar hij krijgt wel voer en voor verschoning wordt ook gewoon gezorgd.

Konijn blijkt op een dag plotseling vanaf zijn onderrug verlamd te zijn. Vader houdt er niet van om dat soort dingen te doen maar verlost konijn uit zijn lijden. We hebben er niet van gegeten. Er staan ook fruitbomen in de wei. Daar eten we ook niet veel van. De boze buren verhuizen. De wei wordt aan de nieuwe bewoners en hun buren verkocht.

Dekking

Er wordt geschoten. Ik wil blijven kijken, mijn vrouw trekt mij, verstandig dat ze is, mee weg. ‘Rennen!’, schreeuwt ze.

We duiken een steegje in. Doodlopend.

‘Verder’, roep ik. ‘Nee, liggen!, gebaart ze. Dat doen we en zo liggen we wel vijf minuten waarin er nog minstens drie minuten geschoten wordt.

‘Er is blijkbaar heel wat aan de hand’, roep ik in het oor van mijn vrouw terwijl we sirenes horen. Er komt nu schreeuwen bij en schoten van een ander caliber vuurwapen. 

‘Dit moeten wij weer hebben’, moppert mijn vrouw; ‘Moet je mijn jas nu eens zien! En je broek; jongen, had je niet een beetje uit kunnen kijken waar je ging liggen?’

Hondenpoep, aan mijn rechterbroekspijp, net onder mijn kruis. ‘Zo kunnen we de avond natuurlijk wel vergeten’, zegt ze. ‘De winkels zijn ook al dicht, anders hadden we een nieuwe kunnen halen.’

Haar zin voor praktische zaken verlaat haar nooit. Het verdrijft zelfs angst. Ik zie dat ze baalt en ik sla een arm om haar schouder terwijl ik iets ga verliggen. ‘Kom niet te dichtbij viespeuk. Ik wil het niet over mijn kleding hebben. Je doet je broek straks maar in het schuurtje uit. Ik hoef dat ding niet meer in huis.’

Het schieten houdt op. Ik kijk naar de straat waarop de steeg uitloopt en zie heel snel even een hoofd met een politiecap verschijnen. Het is zo’n koddig gezicht. Ik kan het niet laten om; ‘Pieuw Pieuw!’ te roepen.

Mijn vrouw stoot mij aan. De agent kijkt langer de steeg in en zegt; ‘Sta op idioot en u ook mevrouw.’

We staan op en een klodder poep drupt van mijn broek. De agent ziet het en trekt een vies gezicht. ‘Wat daar ligt’, zegt hij en hij knikt met zijn hoofd in de richting waar het schieten klonk; ‘is niet fraai, maar ook u benijd ik niet meneer. Wacht u hier even. Nee, niet dichterbij komen, ik ga bijna over mijn nek. Mijn collega komt straks een verklaring van u beiden afnemen.’

Gelaten wachten wij. Ik voel me ongemakkelijk. De agent gaf bijna over, zelf ben ik flink misselijk. Mijn vrouw doet een stapje opzij en houdt een zakdoekje onder haar neus, wat ik niet aardig vind. Ik zit er ook maar mee.

Na een paar minuten verschijnt een tweede agent. Zij is duidelijk op de hoogte gebracht van mijn situatie en negeert de viezigheid. 

We hebben haar weinig te vertellen. We laten onze gegevens achter waarna we mogen vertrekken.

We moeten omlopen. Langs wat op straat ligt kunnen we niet gaan. Dat willen we niet zien.

Thuis trek ik mijn broek in het schuurtje uit. Hij gaat gelijk in een vuilniszak de vuilcontainer in.

Ik stap onder de douche en probeer ook de indrukken van zojuist van mij af te spoelen.

Mijn vrouw heeft eten besteld . We zitten tot ruim na de geschatte bezorgtijd te wachten. Ze belt het restaurant. Geen gehoor. Dan komt er een nieuwsbericht binnen. Helder. Afrekening in het milieu. 

Dan maar pizza.

Niet onopgemerkt gebleven

De pulserende bas die hier op het toilet voelbaar blijft terwijl de klanken van melodie en zang niet voorbij de zware gesloten deur naar de hal komt, geilt de held van dit verhaal vreselijk op. 

Een avond tussen Evangelische jongeren die jeudbijeenkomsten ter ere van hun God onbewust en totaal onschuldig in dienst van hun hormoonhuishouding stellen.

Hoe is hij hier terechtgekomen? Op uitnodiging van een vriend, Bennie, die hier woont. Het zou plezierig worden.

Na de godsdienstviering drinken ze nu een biertje of wijntje met elkaar terwijl christelijke dance door de luidsprekers klinkt.

Gabi staat met z’n broek zo laag mogelijk naar beneden bijna plankrechtrecht boven de toiletpot, zodat de piesstraal uit zijn stijve lid niet tegen de achtermuur zal spetteren. 

Het liefst had hij zich zaligmakend afgetrokken maar er was nog hoop voor vanavond dus hij houdt zijn hand in bedwang.

Lid terug in z’n short, de stof prikkelt zijn eikel. Wodan, Wodan, Walhalla kijk uit! Bijna komt hij alsnog klaar. 

Op de gang hoort hij dat er boven iemand rondloopt. Het zou toch niet… Ach, hij heeft een biertje op en daarachter kan hij zich wel verschuilen. Een beetje verward spelen, hij zou wel zien.

Annika, het zusje van Bennie, net zeventien denkt hij, rommelt inderdaad wat in haar slaapkamer. Hij ziet het langs de deur die op een kier open staat. De bas dreunt nog steeds pulserend terwijl hij zijn hand heel zachtjes over z’n eikel achter het stof streelt. 

De broek is warm en hij kan nog niet goed voelen of het ook vochtig wordt. Annika heupwiegt een beetje op de bastonen, hij weet dat hij hier niet kan blijven staan. 

Voordat hij het zelf goed en wel doorheeft klopte hij op de deur en stapt naar binnen. Betovering verbroken maar tot zijn verbazing vliegt ze hem enthousiast om de hals. Gabi! Roept ze ongedwongen. Pulserend bewegend, haar buik zacht tegen zijn lid. 

Op zijn grijze broek verschijnt een donker vlekje. Hij voelde het met z’n hand; voorvocht.

‘Ach schat toch!’ roept Annika als ze het vocht opmerkt. ‘Zo kun je niet terug naar beneden. Dat moet drogen.’ 

Nu draait ze zich van hem af, overlegt in haar hart en begint zich helemaal ontspannen uit te kleden. 

Is ze toch achttien? Hij hoopt het vurig. Alleen al het aanzien van haar blote nek brengt hem eeuwig geluk. 

Hij doet een stap naar voren, tegen haar aan. Zijn lid ligt pulserend in het bovenste stukje van haar bilspleet, zijn handen vatten haar middel, daarna haar buik en ten slotte haar borsten. 

Hij voelt dat ze het fijn vindt. Ze draait zich om, vlijt zich op haar bed neder, trekt hem zachtjes over zich heen en het heilge vuur komt over hen beiden.

De deur staat op een kier. Er brand licht. Het toilet beneden is bezet. Een andere jongen, Bennie, moet naar het toilet, kan beneden niet, komt daarop naar boven om een tweede toilet te zoeken, gaat nieuwsgierig op het licht af, kijkt langs de deur en bewaart in zijn hart wat hij ziet. 

Niet lang daarna breekt de pleuris uit.

Kate Bush

Toen ik buiten stond wist ik dat ik hem niet  meer op zou zoeken.

Met een paar biertjes in mijn handen belde ik een kwartiertje daarvoor aan. Ik had wat speciaals uitgezocht waarvan ik wist dat ze wel in de smaak zouden vallen. Het waren Quadruples en dat is ook naar mijn smaak.

We hadden afgesproken dus ik mocht er van uitgaan dat ik niet ongelegen kwam. 

Hij opende de deur terwijl hij op zijn mobieltje staarde. ‘Maar wat deed ze in februari ‘77’, zei hij hardop. Meer om mij in zijn gedachten te betrekken dan om de vraag te stellen. Hij was het immers al aan het uitzoeken.

Dat is tegenwoordig met AI niet zo moeilijk meer, maar sinds mijn vriend een actief gebruiker werd is hij verslaafd. Zijn obsessie gaat vooral uit naar wat Kate Bush dan en dan deed.

Ik ken mijn vriend al jaren en ik nam nooit een bijzondere interesse in de muziek van Kate Bush bij hem waar. Muziek interesseerde hem, zo ver ik wist, sowieso weinig. 

Vanavond vroeg ik het hem, nog op de mat, op de man af. wat bezielt je? Waarom Kate Bush?

‘Omdat’, zei hij; ‘zij mijn moeder moet zijn’. 

Zoiets raars had ik niet verwacht. Mijn vriend woonde nog bij zijn moeder. Sterker nog; ze zat achter hem op de trap met haar handen kruislings op haar schouders, wiegde met haar lichaam een beetje naar voren en naar achteren en jammerde zachtjes. ‘Om gek van te worden’, zei ze en ze keek mij hoofdschuddend aan.

‘Maar je moeder, gek, ze zit achter je’, merkte ik op. ‘Weet jij zo zeker dat je moeder je moeder is?’, vroeg hij en uit zijn blik begreep ik dat hij mij slim wilde aankijken.

‘Ja, nee’, antwoordde ik en het stoorde me dat ik serieus op waanzin moest ingaan.

Heeft hij ook opgezocht wat zijn moeder, ik bedoel de moeder die achter hem zat, natuurlijk bedoel ik die moeder, in februari 1977 deed? Ik vroeg het hem.

Dat kan AI niet weten zei hij. Daar is de data nog niet toereikend genoeg voor.

‘Wil je me dan wel geloven’, riep zijn moeder nu wanhopig. Je geboortecertificaat erken je niet, je tante Frida zit volgens jou in het complot, papa is dood dus die kan het je niet vertellen. Wat moet ik doen om jou te overtuigen!’

Mijn vriend glimlachte verstoord en antwoordde haar terechtwijzend; ‘Ik heb er geen probleem mee dat je bij me woont, maar het moet wel een beetje in rust zijn’.

Ik had geen zin meer in de biertjes, geen zin meer in dit gezelschap. Ik pakte mijn telefoon en gaf de opdracht om vijf plekken op te zoeken waar ik nu beter kon zijn.

Ze bevielen me alle vijf. 

Opgelucht zei ik dat ik weer eens verder moest. De biertjes mochten ze houden maar mijn vriend, of zo, hoefde ze niet. Terwijl ik de deur achter me dichttrok hoorde ik hem tegen de vrouw achter hem zeggen; ‘Kate Bush drinkt geen bier. Eigenlijk helemaal geen alcohol.’

Baas

Ik was met een rapport bezig dat mij niet interesseert en u ook niet moet interesseren. Vanmorgen kwam ik vroeg op kantoor en het was nog steeds niet laat. De laatste collega’s druppelden binnen, er was een inval-receptioniste die de goede zin in het leven nog niet had opgegeven en er was mijn baas.

Af en toe daalt hij neer uit de wereld boven ons. Management zit een verdieping hoger. Hij laat dan nadrukkelijk merken dat hij wél betrokken is en weet alles beter. Maar dan ook echt.

Tot vandaag kon ik mijn literaire interesse en kunde positief tegen de superieuriteit van mijn baas afzetten. Hij was baas in het voor mij kleine en daar mocht hij wat mij betreft gerust baas zijn. Ik erkende, soeverein, zijn baas zijn.

Naast mijn werkdocumenten staat ook altijd een file open waarin ik gedurende de dag even naar mijn wereld opstijg. Zomaar even verloren momentjes. De een staart uit het raam, ik schrijf.

Ik schreef even op het verkeerde moment. Mijn baas stond achter mij, boog zich over mijn schouder en las mee.

Met een mengeling van gêne over zijn bemoeienis met mijn wereld en toch ook trots omdat ik mij nu van mijn door mij veronderstelde superieure kant liet zien, wachtte ik een opmerking af.

Die kwam.

‘Joris’, zei hij; ‘die zin kan op deze manier beter.’ Er was geen twijfel aan, hij wist waar hij het over had. Als een meester over mijn rug heen gebogen paste hij drie, vier zinnen aan. 

Ik moest mijn meerdere erkennen. Het was niet alleen dat de zinnen beter werden, maar mijn baas voelde ook echt aan wat ik wilde zeggen.

Hij sloeg mij op mijn schouder en zei toen; ‘Ik geef cursussen creatief schrijven. Kom straks boven maar een foldertje halen. Misschien is het wat voor jou.’

Ik kijk naar mijn tekst, verwijder de door hem gecorrigeerde zinnen, schrijf er iets anders voor in de plaats en stuur het naar mijn vrouw.

Niet veel later krijg ik een mailtje van haar. Ze schrijft dat ze het toch altijd weer verrassend vindt wat ik schrijf. Ik zou mijn verhalen eens moeten bundelen.

Maar de lol is er af. De droom is vervlogen. 

Ik heb het foldertje niet meer opgehaald. Mijn baas heeft mij ook niet meer gevraagd. 

Behang

Ik was geen gelukkig kind. Daar bestond geen twijfel over. 

Met z’n tweeën waren we er opeens. Nog altijd denk ik dat ik het me herinner. Dat warme moedervocht snel onaangenaam koud wordend op mijn huid. Geluiden die tot dan toe als in een gesloten kamer verderop geklonken hadden en nu snerpend binnenkwamen. Het felle licht.

Pas later leerde ik er de woorden voor, maar de begrippen pasten naadloos in de indrukken. 

Het is me niet bevallen. Mijn broertje leek er geen last van te hebben. Die had kort de tijd gehad om zich nu eens flink in de baarmoeder uit te rekken maar volgde mij snel. Uiterst tevreden, hoe kan het verkeren. Hij huilde dat het een lieve lust was terwijl ik te geschrokken was om op te starten.

Ik moest er mee geholpen worden maar alles wat ik voortbracht was een Wagneriaanse Kundry-klacht.

Met frisse tegenzin doorliep ik de noodzakelijkheden van de jeugd. Terwijl mijn broertje, wat al snel ‘broer’ werd omdat de levenslustigen nu eenmaal groter worden gemaakt, plezier had met vrienden, meisjes, zat ik buiten school op mijn kamertje naar de streepjes op het behang te staren. Het is waar, veel meer deed ik echt niet.

Ik wist nog niet precies wat het was maar ik wilde dood. Dat leek me nog eens heerlijk! Dood gaan was overkomelijk, daar maakte ik mij niet druk over. Over wat het met mijn familie zou doen maakte ik mij geen zorgen.

We hadden twee katten thuis waarvan degene die onder een auto liep toevallig ook degene was die nogal met zijn nageltjes kon uithalen. Wat had het met ons gedaan? Vrijwel niets eigenlijk. We zeiden het niet hardop maar iedereen was natuurlijk stiekem blij dat we van die kat af waren. Nee, die andere kat dood, dat had een drama geweest. Zo dacht ik er zelf ook over.

Echt overwogen om er een einde aan te maken heb ik eigenlijk nooit. Als de gedachte een vanzelfsprekendheid is, dan is de aantrekkingskracht weg. Dagelijksheid is niet de moeite waard. 

Mijn broer speelt buiten voetbal. We worden binnenkort achttien jaar oud. Ik staar nog steeds naar het behang en ik ben er iets aan gaan vinden. Heel mijn leven heb ik al begrepen.

Zo het loopt

Het was raar maar ze lieten hem maar begaan.

Toen hij vijftig werd en echt begon te voelen dat ‘de tijd geweest’ op de weegschaal doorsloeg, ving hij een taak aan waarvan slechts het lot het einde bepaalde.

Zwaar was het niet, wel ingewikkeld om te regelen. 

Gelukkig kende hij mensen. Hij stond midden in het leven, toen, wat sommigen die het wisten een gekte noemde, aanving. De horde werd dan ook vrij snel genomen. Duur was het wel. En voor wat!

Hoe kwam hij er toe? We zullen het nooit weten want hij deelde het met niemand. 

Wat er achteraf over te zeggen valt kan alleen enigszins uit zijn handelen begrepen worden. Een gevoelig mens omschreef het als vertrouwdheid creëren.

De meeste mensen komen er incidenteel. Hij niet meer. Elke dag. Hij onderhield wat later vrijwel links gelegen gelaten zou blijven. Dat wist hij. Dat deerde hem niet.

Op een dag werd hij onwel. Hij was achtenzestig jaar. Beroerte. Goed kwam het niet meer. Mails die hij ontving werden niet meer gelezen. Hij kon zich vrijwel niet meer uitdrukken. Hij werd in een verpleeghuis opgenomen.

De man van routine leefde onder het regime van het verpleeghuis. Leefde. Niet veel meer.

Toch pas vijf jaar later overleed hij. Er werd netjes afscheid van hem genomen in een crematieplechtigheid waarbij zijn naaste verzorgers toch nog een traantje lieten.

En zijn graf? Dat werd geruimd. De rechten waren verlopen. Geen botten, geen kist. Op de administratie vond men de verklaring. 

Meneer was niet meer te bereiken.

De vraag

Lang geleden. In een tijd waarin mensen zich nog niet afvroegen of vogelgezang onderdeel was van wat ze op hun oortjes of hoofdtelefoon hoorden, liep Hans door een weide net buiten het dorp B, ergens in het Zuiden van ons land. 

Jojanneke kon niet mee en daar had hij de pest in. Hij had zich er zo op verheugd. Samen buiten het dorp. Ongezien niet, daar kon je niet op rekenen. Ongehoord wel. Buiten het dorp kon je goed bij mensen uit de buurt blijven.

Hij had haar al lang lief. Veel te lang. Zij kon maar niet tot een ja komen en Hans was bereid om te wachten. Veel te lang wachten. Wanhopig wachten.

Kapers op de kust waren er niet. Jojanneke was niet populair onder de jongens. Ze las boeken. Ze speelde piano. Ze leerde over God. Geen zaken waarmee jonge mannen in dit dorp bezig waren. Geen zaken waar de meeste vrouwen zich mee bezig hielden.

Hans maakte het niets uit. Meisjes in het dorp zagen hem niet zitten. Zijn wilde haren, bril, kleding, zijn door de pummels onbegrepen enthousiasme over zaken die hen niets zegden.

Hans wilde verder leren maar er was thuis geen geld voor. Hij was nodig in de bakkerij van zijn vader maar hij was nergens goed voor. Hij deed het wel maar het leek wel of hij nergens bedreven in raakte. 

Alleen in het schrijven, maar er waren geen lezers. Zelfs Jojanneke niet.

Ze had ooit iets van hem gelezen, maar dat had ze zo hartstochtelijk gevonden, zo duidelijk op haar betrokken, dat ze het halverwege gegeneerd had weggelegd en er verder altijd tegen hem over gezwegen had.

Terwijl Hans verder en verder de weide inloopt, bijna tot aan het volgende dorp, wordt hij meer en meer door een man genaderd die hij uiteindelijk als de pastoor herkent. Hij brengt geen blijde boodschap.

Hij nodigt Hans uit om met hem op het gras plaats te nemen. Vriendelijk kijkt hij Hans aan, zoekt naar woorden en zegt dan ronduit dat waarvoor hij bij Hans gekomen is, waarvoor hij als het ware naar Hans gestuurd is.

Jojanneke kiest er voor om haar leven in dienst van Christus te stellen. Jojanneke gaat het klooster in op drie uur gaans gelegen.

Hans is verslagen. Zijn hoop, zijn toekomst hing van Jojanneke af. Hoe kon hij nu nog verder?

De pastoor geeft hem een gedachte mee om verder te kunnen; ‘Jojanneke behoort vanaf nu Christus toe. Ook jij, Hans, kunt Christus toebehoren door jouw leven in zijn dienst te stellen. Ik ken je al van jongs af aan. Je bent niet van deze wereld. Ik nodig je uit om tot onze wereld te horen. Zo komen jij en Jojanneke tot elkaar in de eenheid van de Kerk van Christus. Voor jou is er plaats op het Seminarie. Denk er over na.’

De pastoor staat op, slaat wat grasjes van zijn soutane, knik Hans vriendelijk toe en maakt aanstalten om terug te gaan. 

Nu Hans geen eigen toekomst meer ziet geeft hij het over aan Christus. Hij staat op en zegt de pastoor zacht; ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’

De pastoor glimlacht toch wat geschrokken, schudt zijn hoofd en denkt; och, met deze theatrale stumper krijgen we nog heel wat te stellen.

Gezamenlijk wandelen ze terug naar het dorp. Hans schrijdt en huilt. Toekomstig geestelijke, maar mens. 

Weer thuis

Ik ben weer thuis. Het is mislukt. Mijn jongenskamer vol met dozen. Spullen die niet weg kunnen, maar wel uit de weg moesten, zullen een andere plek krijgen. Hopelijk tijdelijk.

Alles wat ik niet meenam staat en hangt hier nog. Posters van artiesten die nu hoogstens nostalgie oproepen, op behang dat ik nooit meer zou kiezen. Het uitzicht door het raam lijkt op wat ik vroeger zag, maar het is allemaal net anders. Het dak van de aanbouw is niet meer zo fris grijs als toen, struiken zijn veel groter, een boom is weg en de achtertuin van de buren rechts is helemaal heringericht. Er wonen nieuwe mensen.

De hanglamp is wat stoffig. Hij was oranje, pompoenvorm. In de lades van het voor mij weer leeggeruimde bureau heeft zich wat er van mij nog inzat vermengd met wat mijn ouders er de laatste vijfentwintig jaar indeden.

Ik ga op de bureaukruk zitten en kijk in het pennenbakje. Nog steeds nutteloze ijzeren ‘ik weet niet wat het isjes’ die ik nooit weggooide tussen gum, potloden en een balpen die het nog blijkt te doen ook, maar wel groene inkt geeft.

Mijn radio-cd-speler van toen staat er gewoon maar de antennedraad gaat nergens meer naartoe. CD’s heb ik niet bij me. Er ligt nog iets van Gloria Estefan. Ik zet het op en ben terug in de late jaren tachtig, begin jaren negentig. 

Boven mijn bed een wereldkaart. Wat aardig eigenlijk, zo’n ding dat je niet op telefoon of tablet tevoorschijn tovert maar ongevraagd aanwezig is. BRD en DDR, Joegoslavië, Tsjechoslowakije. Het is een oude kaart.

Hier en daar zitten gaatjes in de kaart. Mijn broertje heeft er eens met dartpijltjes naar gegooid in de hoop dat hij op vakantie kon waar de pijltjes terechtkwamen. Ik was er niet blij mee geweest. 

Onder het bed een op afstand bestuurbare auto met afgeknipte ijzeren antenne, zonder controller. Een tv op het kastje aan het voeteneinde. Geen antenne, geen hdmi-aansluiting.

Toch kijk ik naar het scherm. Groengrijs, lichte bolling, houten kast. Ik zie mezelf zoveel jaren ouder dan dat ik was toen ik er het laatst inkeek. 

Mijn moeder roept of ik voor het middageten naar beneden wil komen. Aan haar stem hoor ik dat ze het fijn vindt om weer te moederen.

Mijn vader zit al aan tafel. Ik weet dat ik welkom ben maar mijn vader heeft meer reserve. Gewoon geraakt aan het comfortabel samenzijn. Hoe moet dat vanavond met het kiezen van wat we op tv kijken?

Mijn zoon belt mij. Ik loop even achter het terras op. De hond van de buren blaft. Die moet er ook aan wennen.