De verwachting

Hij kende haar eigenlijk alleen in badpak. Een twintiger, zwemmend, net als hij ‘s ochtends vroeg in het zwembad in een buitenwijk van deze middelgrote stad.

Slanke lijn, zwart badpak, blauw chloorbrilletje. Ze viel hem niet echt op. Zeker niet zo vroeg in de ochtend als hij nog half groggy van buiten de zwembadwarmte binnenstapte. Zeker ‘s winters niet als hij vanuit kou, nat of beiden het zwembad in kwam.

Bovendien verliest de mens in het zwembad iets van het menselijke. Het wordt een chloorwezen. Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Je deelt het water en het is fijn dat het water zuivert. Het neemt het afstotelijke van de mens weg maar ook het aantrekkelijke. Het dierlijke.

Alles aan het lichaam krijgt die lichte chloorgeur. Haar, huid en mond. Voor de rest, hij is geen hond dus daar denkt hij verder niet aan.

Nat haar, chloorbrilletje. Hij in zijn lullige zwembroekje, buikje met wat haar. Nee, een zwemochtend bracht hem niet in versiermodus.

Hij kende haar naam. Ze had haar mobiel aan de rand van het zwembad eens moeten beantwoorden. Direct naast waar hij het water in wilde gaan. Paula. Hij had het onthouden zonder het in te prenten. 

Het werd zomer en het zwembad organiseerde een barbecue voor de vaste abonnees. Hij ging. Zin had hij absoluut niet, maar hij had al zo vaak meegemaakt dat waar hij geen zin in had bijzonder leuk uitpakte, dat hij ging.

Het eerste uur was het gewoonweg kut. Hij had nauwelijks aanspraak. Alleen een beetje van een man waarmee hij ‘s ochtends soms stond te wachten om binnen te gaan. Een weinig interessante kerel. Zo kwam hij tenminste over en daarin kwam deze avond geen verandering. 

Het was afzien totdat hij twee biertjes op had. Of hij het opgaf te proberen het leuk te gaan vinden en daardoor juist leuk werd of dat het bier zijn sociale smeerfunctie waarmaakte kon hij achteraf niet zeggen, maar toen hij een hamburgertje op zijn bord legde raakte hij in een vrolijk gesprekje met een vrouw die iets te los was. Je hebt van die lui, bijna gênant babbelerig maar je hebt er iets aan als je om aanspraak verlegen zit.

Hij maakte zich los van de vrouw en overzag de parkeerplaats waar een veel jongere vrouw een balletje trapte met een paar jonge kinderen. Hij herkende haar wel. Het was Paula.

Wat een uitstraling! Echt iemand die los staat van anderen. Een leidende persoonlijkheid. Een sfeermaker. Een vrolijkerd en nog aantrekkelijk ook. Veel te aantrekkelijk voor hem. Dat snapt hij wel.

Met zijn biertje staat hij daar. De bal rolt zijn kant op. Hij speelt hem voorzichtig naar een kind dat de bal weer naar Paula speelt. 

Hij is met Paula bezig. Met haar losse bruine shirt en beige korte broek. Wat een leukerd!

Dan wist ze met haar hand het zweet van haar voorhoofd, stopt het spel met de kinderen die samen verder voetballen. Ze loopt langs hem om wat te drinken te halen. Hij neemt haar geur op. Niets sterks, gewoon subtiel, vrouw, en hij gaat achter haar aan, naar het barretje.

Hij kan zijn tong wel afbijten nadat hij het gezegd heeft maar zij lacht hem vrolijk toe. Ja hoor, hij mag haar wel wat aanbieden. Dat doet hij dan ook. Een gezellig gesprekje volgt.

Hij hoopt het begin van meer. Zij helpt hem uit de droom zonder dat ze het weet. Ze heeft haar conditie bij dit zwembad kunnen onderhouden maar na de zomer begint ze aan een baan in het Noorden van het land. Ze trekt bij haar vriend in; ‘Leuk je gesproken te hebben!’

Ze is nog niet gelijk weg. Hem is deze avond, waarvan hij alleen verwachtte dat het zoals altijd wel mee zou vallen, bijzonder tegengevallen. Hij vertrekt nadat hij zo’n beetje naar de nog aanwezigen zwaait. Paula staat net met haar rug naar hem gekeerd dus zijn afscheid valt haar niet op. 

In zijn eentje terug op de fiets besluit hij een troostmilkshake bij MacDonalds te halen. De prijs valt hem niet mee. 

Nee, het was allemaal geen succes.

Charisma en overgave

Ik kan er moeilijk naar kijken. Sterker nog, als het mogelijk is verlaat ik de ruimte als zij samen daar ook aanwezig zijn. Bram zit dan naast hem. Met zijn stoel veel te dicht tegen hem aan. Soms legt hij zelfs bevestigend een hand op zijn bovenbeen en strijkt er dan overheen zoals je dat over de rug van een kat doet. Absoluut onschuldig. Zonder stimulerende bijbedoelingen.

Bram ziet hem als een intieme vriend. Maar echt intiem. Als hij in de stemming raakt steekt hij zijn arm tussen de benen van zijn vriend en gaat dan zachtjes zitten neuriën. Zijn vriend laat het begaan.

Veel van de nieuwe mensen die wij kennen, vanavond samen met de vriend hier op een kringavond bij ons aanwezig, vinden het mooi, zo’n ontwapenende intimiteit. Ze vinden het puur, zeggen dat ze eigenlijk ook wel zó ontvankelijk zouden willen zijn. Zich zó in een ander verliezen. Het overkomt Bram. Ik was er de eerste keer bij. Iedereen die hier nu is. Bram is mijn echtgenoot.

Het gebeurde op een middag toen Bram en ik van een muziekvoorstelling terug naar huis door het park liepen. Simon, zo heet de grote vriend van Bram, zat met een groepje mensen op het gras. ‘Een leraar en zijn leerlingen’, zei ik tegen Bram en daar had ik gelijk in. Wij gingen over het pad vrij dicht langs hen heen. Simon sprak ons aan.

Met zijn ogen samenknijpend tegen het zonlicht, wat zijn toch al androgene uitstraling bijzonder lieflijk maakte, nodigde hij ons uit om bij hen te komen zitten. Ze zouden net wat gaan picknicken. Wat hapjes, wijn en vruchtendranken. Ze hadden heel veel mee dus er was genoeg.

Ik kan mij niet goed ontspannen tussen onbekenden, Bram kan dat, toegegeven, deels door wijn, veel beter dan ik dat kan. Ik drink niet. Bram zag een gelegenheid voor lekker eten en wat drinken en zo’n gelegenheid nam hij graag te baat.

Zo belandden wij dus in het gras en we luisterden, naast elkaar zittend, naar Simon die met zachte stem sprak.

Een charismatische dertiger. Zelfs ik, allergisch voor mensen met een niet te bestrijden geestelijke overwicht, werd rustig alsof iemand met een kam door mijn haar ging of mij over mijn rug kietelde. Een zware, droomachtige, gesteldheid, als een tijdelijk afgekneld en daardoor verdoofd been dat niet zonder vreemde lichamelijke sensaties aan te raken is totdat de bloeddoorstroming weer goed op gang gekomen is.

Mijn bewustzijn verwerkte de rustige gebaren en woorden die Simon sprak maar deels. Ik keek opzij, naar Bram, en toch wel tot mijn schrik liepen hem de tranen over zijn gezicht.

Simon stond op en wiste met zijn handen de tranen van Brams wangen, nam er zijn hoofd vervolgens tussen en keek Bram glimlachend aan. Daarna blies hij hem, nog steeds op zijn knieën op ooghoogte van Bram gezeten, in een rustige langdurige zachte ademstoot in het gezicht. Ik zag Simons mooie mond en zelfs ik wilde er een kus op drukken. Bram deed het. Simon beantwoordde. Heel subtiel. Een paar seconden met hun lippen tegen elkaar. Verder niet. Toen stond Simon op en keerde naar zijn plek vóór de groep terug. Sindsdien noemt Simon hem vriend, mij vriendin.

Er was absoluut geen sprake van dat we Simon en de groep uit het oog zouden verliezen, al stonden wij vrij snel nadat de picknick met een lied, het Simonslied, werd afgesloten op, namen afscheid van de groep en Simon, belovend dat we ze in hun ‘oefenruimte’ zouden opzoeken. Dat deden wij.

Hoewel ook ik onder de indruk was van Simon is mijn gezonde wantrouwen naar de mens groter dan het verlangen om in de “geest op te gaan”, zoals Simon dat noemt. Ik zal mij niet overgeven. Bram noemt mij halsstarrig, Simon glimlacht dan naar me. Voor mij voelt het als een warme deken in de zomer; verstikkend. Voor Bram is het de warme deken in de kou; tot overgave aan de warmte uitnodigend. En dat doet Bram.

Het gekke is. Ik had niet gedacht dat Bram hier vatbaar voor zou zijn. Tot zover ik weet hebben wij een liefdevolle relatie en een leuk leven zo samen. Bram is leraar wiskunde op een middelbare school, ikzelf ben doktersassistente. Toch niet direct de meest wereldvreemde levens. Ik kon mij de naïviteit bij Bram helemaal niet voorstellen.

De samenkomst is voorbij. Simon is weg. Naar huis gegaan. De rest ook. Ik ruim de glazen en de leeggegeten bakjes op.

Bram staat melancholiek bij de platenkast. Jazz speelt zachtjes op de achtergrond. Ineens vraag ik het hem; ‘Ben je verliefd jongen?’ Hij kijkt mij aan en de werktuiglijkheid in zijn stem doet mij pijn; ‘Op jou altijd Lieze.’

De componist

Een appelflap bij de warme bakker, daar heb ik trek in. Ik ben in een Gelders dorpje waar ik nog nooit geweest ben. Straks wandelen. Hier in de bossen. 

Het hotel waarin ik logeer ligt aan dit pleintje waar naast de kerk, twee restaurantjes en een café deze bakker heerlijke geuren het plein over laat ontsnappen. 

Zojuist heb ik licht ontbeten, speciaal om deze appelflappen, die in de omgeving bekend staan, te proberen. 

Het valt me tegen. Gewoon een appelflap geserveerd met een bolletje ijs. Alles gaat met ijs tegenwoordig. 

Ik betaal te veel en geef ook nog een fooi omdat ik nu eenmaal een pleaser ben. Een praatje kon er bij de bakkersvrouw niet af. Ze was druk in de weer met een stagiaire die blijkbaar nogal wat instructie nodig had.

Nog drie nachten in dit dorp. Ik ben hier met trein en bus gekomen om te wandelen en te componeren maar ik kom er niet toe. 

Ik ben gevraagd een festival-ouverture te componeren maar ik kom er niet toe. 

Dat ik niet in de stemming ben moet geen probleem zijn. Componeren is voor mij gewoon werk geworden. De passie van vroeger is er uit. Het is gewoon brood op de plank. Ik doe niet anders. Allemaal wegwerpspul. Bladmuziek voor het orkest of ensemble, verder geen leuke uitgave. Heel af en toe een uitzending op de radio waarvan het maar hopen is dat het bewaard wordt. Opname voor cd of vinyl heb ik nog nooit mogen meemaken.

Eens componeerde ik voor een film maar dat was geen succes. De film was nogal banaal en ik probeerde er met muziek nog wat van te maken. Ik werd ontslagen en de film heeft het drie weken heel aardig gedaan. Ik snap het niet.

Ook werkte ik eens mee aan een musical. Geen bal aan. Van mij werd gevraagd in een stijl te componeren die mij niet ligt. De musical werd een succes maar het was typisch een basisschool eindmusical en de grote zalen haalde het niet.

Dan natuurlijk reclames, muziek bij documentaires, televisieseries en tv-programma’s. Zelfs heb ik voor een computerspel gecomponeerd. Het leverde voldoende geld op maar het is allemaal zo vervelend. Productiewerk.

Soms denk ik wel dat ik inderdaad beter achter de toonbank van een winkel had kunnen gaan staan. Iets waar mijn hart voordat ik er aan zou beginnen al niet zou liggen en waarbij ik de hartstocht ook niet zou verliezen. 

Zakelijk kan ik aan van iets waarvan ik niet hou, als zakelijk te dicht in de buurt van hartstocht komt dooft de hartstocht en alles wordt grauw, werktuigelijk.

Kon ik maar bohemien zijn. Durfde ik het maar aan om ‘whatever it takes’ te kiezen voor waarbij mijn hart bestemd is te liggen. Ik pleeg verraad aan het mooiste wat ik ken. Maak instrumenteel wat eigenlijk spiritueel zou moeten zijn. Maak behapbaar wat overweldigend zou moeten zijn. Maak onderdeel van wat er eigenlijk uit zou moeten springen.

Maar een bohemien ben ik niet. Ik ben een loonslaaf op vakantie die net een ander product van slimme marketing naar binnen gewerkt heeft. Authenticiteit, ik heb er mijn buik van vol.

Goed, ik schrijf die ouverture wel. Ambachtelijkheid kan het zonder hartstocht stellen.

Nog drie dagen in hotel ‘Drie slimme wiecken’. Nog drie dagen alles Efteling-knus. Daar heb ik trouwens nog geen muziek voor gecomponeerd.

Ik hou mij aanbevolen.

De waterfles

Het is een lelijk ding maar ik heb hem nodig. Omgerekend dertig cent bij de straatverkoper dus daarvoor hoef ik het niet te laten. Zonder de moeite te nemen om de fles te spoelen vul ik hem bij een watertappunt op het pleintje bij de kerk.

Er is een bankje vrij. Natuurlijk middenin de zon. Daarom loop ik naar de kerkmuur die een beetje schaduw geeft en ga er op mijn hurken tegenaan zitten.

Het is een saai pleintje. De kerk is bovendien dicht. Iets wat ik zo Zuidelijk niet gewend ben. Het is dat ik een man met wat spullen tegen een blinde muur zag zitten, wat mij benieuwd naar zijn waar maakte, anders zou ik hier helemaal niet zijn.

Het stadje valt mij tegen. Het wordt om zijn rust aangeprezen, maar naar dodelijke rust ben ik ook weer niet op zoek.

Ik neem een slok. Er zitten wat deuken in de lichte modderkleurige stalen fles. Maar er zit ook een handig oogje aan waar een koord aan kan zodat de fles ergens aangehangen kan worden. Ik verbeeld mij het verleden van de fles in als beurtelings hangend aan een spijker bij de deur van een huis, wellicht hier in het dorp, en hangend aan de riem of tas van de eigenaar.

Ik kan me niet voorstellen dat het ding van een vrouw geweest zou zijn. Daarvoor is hij te functioneel. Niets sierlijks aan.

Maar God, wat is dat water lekker! Onwillekeurig kijk ik keurend naar de fles waarvan natuurlijk niet af te lezen valt wat de ingrediënten zijn van wat ik er net uit gedronken heb. Ik kijk in de fles en tot mijn verbazing lijkt het of ik door een sleutelgat een prachtige frisse tuin inkijk. ‘Jezus’, denk ik, snel mijn ogen weer op het plein richtend; ‘wat raar’.

Ik kijkt nogmaals in de fles en ik schrik ondanks dat het beeld heel aangenaam is. Een jonge vrouw kijkt mij, vanuit de tuin, aan.

Weer kijk ik naar het plein en weer in de fles en ik zie de jonge vrouw die nu net een katje aait dat met haar in de tuin is. Ze lijkt mij vergeten te zijn maar voor mij raakt ze niet uit beeld.

Bang haar te verliezen, maar toch echt heel dorstig, neem ik nog een slok uit de fles. Weer heel lekker. De vrouw ligt nu rustig in het gras. Ik drink de fles leeg, kijk weer en een grote droefheid komt over mijn geest. De tuin is heel donker en er ligt een gedaante, uitgedroogd, zichtbaar op het randje van sterven.

Als een waanzinnige vul ik de fles weer, ik kijk er in, vrouw en tuin zijn terug in hun frisse heerlijkheid.

Wat een raar fenomeen. Zoiets heb ik nog niet meegemaakt en ik moet naar mezelf toegeven dat de komst naar deze stad nu toch wel iets interessants gebracht heeft. Ik loop, nadat ik de dop voorzichtig op de volle fles gedraaid heb, terug naar de verkoper om hem over de fles uit te horen.

Met hem valt echter niet te communiceren. Een domme lach in een welwillend gezicht. Dat is het dan. Ik kijk om me heen maar van geen van de oudjes in schaduw op bankjes hoef ik het te verwachten. Als ik naar ze toeloop weren ze me af. Er zit weinig anders op dan weer verder te lopen.

Ondertussen kijk ik telkens in de fles. Het heeft iets verslavends om het meisje zo bezig te zien. Nu merkt ze mij weer op en ze lijkt mij iets te willen zeggen. Ik weet alleen niet wat en ik breek er mijn hoofd over hoe ik nader met haar in contact kan komen.

Die avond, in een klein restaurantje, hou ik de fles in mijn tas en ook als ik naar de bar verhuis blijft ze in mijn tas zitten. Alleen als ik even naar het toilet ga kijk ik naar haar. Ook in de tuin is het avond en als ik in mijn hotel in bed stap ligt zij daar in de tuin te slapen. Mijn afstand tot haar begint mij onrustig te maken.

Als ik ’s morgens wakker word is de waterfles helemaal in bed leeggelopen. Ik moet, kijkend in de fles, in slaap gevallen zijn. Wederom is ze er slecht aan toe en als ik de fles met water vul staat ze er weer in volle glorie.

Ik slurp van haar. Ze is zo lekker. Ik raak verslaafd aan haar smaak, haar geur, haar beeld. Ik voel mij eenzaam nu met haar fles in mijn hand en zij zo onbereikbaar.

Op zondagmorgen zal het kerkje toch wel open zijn? Ik moet het toch nog bezoeken. Het is het enige gebouw van betekenis in het dorp en ik wil het niet ongezien laten. Misschien vind ik daar een verklaring.

Met mijn fles in mijn hand, er ondertussen inmiddels naar gewoonte vrijwel continu in loerend, zit ik al vroeg op een bankje bij de kerk dat nu wel in de schaduw staat. Ik ben veruit de eerste.

Na ruim een half uur zie ik pastoor richting het gebouw scharrelen. Ik haal hem in en spreek hem eerbiedig aan of ik even een blik in het kerkje mag werpen.

De pastoor kijkt mij aandachtig aan en neemt mij dan heel beslist mijn open fles af. Ik wil protesteren maar dat vind ik toch moeilijk bij een geestelijke dus ik volg hem als hij met de fles, die hij behoedzaam vasthoudt, de kerk in stapt. Hij neemt wijwater en besprenkelt hem zodat de fles van buiten volkomen nat wordt. Dan gebeurt het wonder. De pastoor wordt de fles ingezogen. De fles valt, ik raap hem snel op en kijk er verwonderd in.

In de fles liggen nu de pastoor en de jonge vrouw, in de door God geschapen naaktheid, innig met elkaar verstrengeld in de tuin.

Teleurgesteld stop ik de fles, nadat ik hem in het wijwaterbakje heb leeggegoten, diep weg in een smalle ruimte achter het retabel. Laat de pastoor en zijn meisje daar maar een eeuwigheid verdroogd liggen.

Ik kijk nog even naar de fresco’s die mij niet kunnen boeien en verlaat, ongetwijfeld vervloekt, de kerk. Niet veel later, maar niet voordat ik op het busstation een plastic flesje water koop, vertrek ik ook uit het stadje.

In het Zuiden valt, als je er oog voor hebt, veel te beleven. Voor het je eigen maken is heel wat meer nodig. Mij is het nog niet gelukt.

Ouders ontnomen, ouders bekomen

Ik werd in een auto op de vluchtstrook van een tunnel geboren. Eigenlijk heel eenvoudig. Het was een lange tunnel, mijn moeder had al lang weeën toen mijn vader haar erdoorheen reed en halverwege de tunnel was het zo ver. Het ging zo snel!

Dat meen ik tenminste. Natuurlijk kan ik mij er niets van herinneren, maar de bijrijdersstoel, van welke auto dan ook, geeft mij al mijn hele leven een bijzondere sensatie. Hoe moet het er uit gezien hebben? Ik wil er eigenlijk niet aan denken.

Toen mijn vader met grote haast om mij en mijn moeder te helpen uitstapte, werd hij door een vrachtwagen gegrepen. Mijn vader klapte tegen het portier aan, onze auto kwam met de achterkant half onder de oplegger terecht en mijn moeder werd tegen het dashboard aangedrukt. Ook zij was op slag dood.

Het is geen aardige start voor een zuigeling, maar onwetendheid is een zegen. Ik denk niet dat ik er mentaal iets aan overgehouden heb. Van het ziekenhuis waar ik ter controle opgenomen werd ging ik naar een pleeggezin. Het waren wensouders die al in een adoptietraject zaten. Nu hoefde het kindje niet helemaal uit Sri Lanka te komen maar kwam het gewoon uit het Westland.

Ze noemden mij Kristiaan, naar mijn vader. Mijn moeder heette Danielle dus mijn tweede naam werd Daniel. Hun achternaam heb ik aangenomen toen ik op een leeftijd kwam dat ik blij was met mijn pleegouders maar eer wilde geven aan mijn biologische ouders; Van Paddelsdonke. Kris van Paddelsdonke.

Zeker nu mijn vriendin zwanger is vind ik het belangrijk dat ons kindje de naam van zijn familie draagt en dat is toch de biologische familie. Maar het is raar. Ik weet helemaal niets van die familie behalve de achternaam en die kom ik helemaal nergens tegen. Het lijkt wel of mijn ouders uit het niets zijn gekomen. Ze zijn gecremeerd en hun as is verstrooid. Ik heb niets van ze, behalve twee paspoorten met foto’s van mensen die mij niets zeggen.

Goed, ik lijk duidelijk op mijn moeder en het vroeg kaal worden heb ik ongetwijfeld van mijn vader. Het waren late twintigers toen ze verongelukten dus nu ik een late twintiger ben zie ik leeftijdsgenoten met ouderwetse haardracht en in het geval van mijn moeder ook een ouderwetse bril.

Ik besluit een dna-test te doen, maar daar komt niets uit. Behalve het ongeluk is er niets van mijn ouders bekend.

Ik doe mijn verhaal in de plaatselijke krant. Het is een verhaal dat ze wel willen plaatsen. Lekker dramatisch, vol verwachting van een interessante plot. Niets. Ja, er zijn twee helderzienden die met twee verschillende verhalen komen; ook in de krant. Ik heb er niets mee. Een echte helderziende komt met een verhaal, reageert er niet op. Van zo’n helderziende heb ik nog nooit gehoord.

Ook zijn er een paar vrouwen die beweren een zus van me te zijn, maar die haken vreemd genoeg al snel af als ze te horen krijgen dat ik een zwangere vriendin heb. Raar. Verder, helemaal niets.

Ook de nationale televisie wil er wel wat mee en er wordt door deskundigen over spionnen en informanten uit begin jaren tachtig gesproken; koude oorlog. Niet heel vreemd als dat soort lui opgeruimd werden.

Weer iemand anders herkent hun gezichten als mede-sekteleden die begin jaren tachtig uittraden en waarvan ze nooit meer gehoord hebben.

Het laatste verhaal, dat vind ik zelf wel grappig, is dat het allemaal in scène gezet is. Dat ik een zoon van een bekend politicus ben waar zijn vriendin vanaf moest. Mijn “vader” zou slechts gebruikt zijn.

Wat heb ik er allemaal aan? Niets brengt iets dat ik als waar kan aannemen. De suggesties zijn spannend maar het vervreemd mij van hoe ik mijn ouders fantaseerde. Het beeld dat ik van ze heb is het beeld waardoor ik stabiel blijf. Twee verwachtingsvolle mensen die goddank vrijwel niets van hun einde meegekregen hebben.

Met die bittere pil kan ik leven. Dat kan ik een plekje geven. Zo zal ik het een plekje geven.

Onze dochter heeft de namen van mijn pleegmoeder en mijn schoonmoeder. Ik heb het helemaal niet over mijn schoonouders gehad. Ze zijn overdadig geweest in wat mij direct na mijn geboorte afgenomen werd.

Carla Martha Paddelsdonke zal ze opa en oma noemen.       

Het ijsbeertje

Het ijsbeertje

‘Niet een echte mama. Die uit de winkel.’

Een kale slaapkamer. Vorige week kregen ze deze tweekamerflat toegewezen. Eindelijk. Hans is er wel niet meer maar het blijft toch zijn huis waarin ze nog steeds verblijven. Hij kan elk moment binnenlopen.

De scheiding is een jaar geleden uitgesproken. Hij was zo goed om tijdelijk in de stacaravan van zijn ouders in Zeeland te gaan zitten. Arbeidsongeschikt is hij al jaren dus waar hij zit maakte niet uit. Karin daarentegen heeft een baan in de zorg. Een ziekenhuis waar ze al tien jaar met veel plezier werkt. Zij kan niet zomaar overal heen, en daarbij, Deborah heeft hier haar school en haar vriendinnen.

Natuurlijk hadden ze een urgentieverklaring, maar veel woonruimte valt er niet te vergeven. Daarom zijn ze blij. Al wonen ze nu in een wijk die, zeker vroeger, slecht bekend stond.

Grauwe rotflats, onverzorgde onkruidstoepen. Huisvuil naast de ondergrondse containers en daardoor, zeker in de zomer, als er maar een klein briesje staat, stank in de straat. Veel jongeren ook op fatbikes, te hard rijdend en ook over stoepen. Luide muziek klinkend uit open ramen en als er geen muziek klinkt dan vaak ergens wel ruzie. Of dat door elkaar.

De flat riekt naar ouderdom. De portieklucht is heel onaangenaam. Karin heeft de meeste buren al gezien. Om zo maar te zeggen, een gemêleerd gezelschap. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken maar ze ziet zichzelf op dit moment met geen van de buren een goede band opbouwen. Maar zoiets kan zomaar veranderen. Ze weet het van eerst norse patiënten die bij nader inzien heel lief blijken te zijn of andersom leuke patiënten die zich als echte zeuren ontpoppen.

Maar goed, buren is van latere zorg. Eerst maar eens de woning eigen maken.

De muren zijn al wit gesausd. Dat heeft de woningbouwvereniging geregeld omdat de vorige bewoner van hun appartement er uitgezet is en zijn huis werkelijk heeft uitgeleefd.

Karin heeft geen geld voor behang of zelfs maar vloerbedekking. Hoogst noodzakelijke meubels, huishoudelijke machines, bestek en zo komen van de kringloop. Dat hebben ze van haar broer gekregen. Hij is het samen met ze gaan uitzoeken en reed tweemaal met een aanhangwagen en dat was dan alles.

Deborah, net zes geworden mag van Karin met stoepkrijt hun slaapkamer schilderen. Binnen een dag staan de muren vol bloemen, gras, vogeltjes en mama en Deborah zelf. Wat maakt het uit? Als er ooit behang komt kan het er makkelijk overheen.

Het ijsbeertje heeft Deborah vanmiddag in een winkel met leuke, maar vooral ook dure, snuisterijen gezien. Zo’n tuttig winkeltje met poppen, leuke tafeltjes, potpourri; eigenlijk alles wat heerlijk is om naar te kijken maar dat je alleen koopt als je genoeg geld, maar weinig fantasie, hebt. Althans, zo ziet Karin het, maar dat haar dochtertje er bij weg droomt snapt ze goed. Zoete lieflijkheid.

Het ijsbeertje stond eigenlijk een beetje weggestopt. Het past ook niet zo in zo’n winkeltje. Ongeveer vuistgroot, oogjes door waarschijnlijk een productiefoutje net een beetje scheel maar wel snoezig. Dertien euro mocht hij kosten. De juffrouw in de winkel was lievig maar niet als het om korting ging. Karin had het niet eens gevraagd, ze zag het al bij de onderhandeling met een andere klant en ze wilde haarzelf en haar dochter de schaamte besparen.

Die nacht heeft ze nachtdienst. De meeste mensen op de paar zalen onder haar hoedde slapen rustig. Met een klein zaklantaarntje gaat ze de bedden af en beschijnt kort de gezichten van de slapenden. Tot haar schrik en verbazing ziet ze naast het hoofdkussen van mevrouw Visser het ijsbeertje staan. Ze herkent het gelijk aan de net schele oogjes.

Verdorie, juist dat ijsbeertje bij deze vrouw. Ze ziet het gezichtje van haar dochtertje voor zich en kijkt naar het uitgeleefde gezicht van mevrouw Visser.

Wat haar nooit gebeurde gebeurt nu. Ze heeft blijkbaar het gezicht van de mevrouw net iets te lang beschenen en ze wordt wakker. Geschrokken trekt Karin zich terug maar mevrouw Visser ziet haar en roept haar bij zich.

Ze heeft een pijntje, verlichting is snel geregeld en Karin aarzelt. Zou ze mevrouw om de knuffel vragen? Ze heeft de komende drie nachten dienst en dan zes dagen niet. De kans dat ze mevrouw nog eens wakker zal zien is niet groot. Ze besluit niets te vragen. Ze kan haar erbarmelijke thuissituatie niet mee het ziekenhuis in nemen.

Als ze de volgende dag om een uur of drie ’s middags uit bed komt, Deborah verblijft tijdens haar nachtdienst bij haar zus, doet ze snel wat boodschappen. Bij de budgetdrogist haalt ze nog wat paracetamol en deodorant in de aanbieding.

Zoals altijd loopt ze langs de vakken met goedkope prullaria. Tot haar verbijstering nu ziet ze wederom datzelfde ijsbeertje. Wederom met net schele oogjes. Het lieflijke, innemende, is er voor haar nu wel van af. Het ijsbeertje is een massaproduct met expres schele oogjes. Er is geen sprake van dat het beertje naast het kussen van mevrouw Visser hetzelfde beertje uit het snuisterijenwinkeltje is. Zo wel, dan is de vriendelijke koper van haar cadeau flink opgelicht. Het ding kost hier €2,95. Dat kan ze wel opbrengen en ze koopt het direct.

Zoals altijd als ze avonddienst heeft belt ze voordat Deborah naar bed gaat even een kwartiertje met haar om de dag door te nemen en een goede nacht te wensen. Vooral Karin voelt zich ontzettend eenzaam zonder haar dochter. Hier, in de flat die nog als vijandig voelt omdat er nog zo weinig goede herinneringen opgebouwd zijn. Een beetje huilend kijkt ze naar de tekeningen van haar dochtertje. Nog twee dagjes slapen en ze zal ze weer zien en dan zal ze iets fijns voor haar hebben.

De twee nachten werk leken voorbij te kruipen. Mevrouw Visser was al naar huis en had haar ijsbeertje vergeten. Ze was op de hoogte gebracht maar niemand kwam er meer om. Het staat nu als mascotte op de balie van de receptie.

Eindelijk ziet Karin haar dochtertje weer. Het is weekend en Deborah heeft een verrassing voor haar moeder. Intens blij houdt ze het ijsbeertje voor Karins gezicht dat Karin ook achter haar rug verborgen houdt. Wat teleurgesteld maar ook heel blij voor Deborah kijkt ze haar zus aan. ‘Zijn we gaan halen bij het snuisterijenwinkeltje zus’, zegt haar zus. Een beetje jaloers en beteuterd, heel duidelijk haar armoede en daarmee haar mogelijkheden om haar dochter te plezieren voelend krijgt ze nog een kleine klap te verwerken.

Ze gaan met z’n vieren naar de dierentuin. Karin, Deborah, de zus van Karin en haar man. IJsbeerinspiratie opdoen noemt haar zus dat.

Het wordt toch nog een mooie middag. Ze genieten met z’n drieën van het plezier van haar kind.

In het souvenirwinkeltje bij de uitgang komen ze delfde ijsbeertjes weer tegen. Nu voor €23,95. Oplichters, denken ze gedrieën.

Karin zet haar ijsbeertje stiekem tussen de ijsbeertjes die er staan. Hier voelt het thuis.

De nachtvoetballer

Heel laat, als ook de nachtbrakers beginnen te geeuwen, komt Joost uit zijn bed. Hij heeft de wekker gezet, zoals elke nacht, zeven keer per week, om 03:00 uur. Hij kleed zich, al naar het gelang het weer verijst, sluipt de trap af, neemt zijn voetbalschoenen in zijn ene hand en een bal in zijn andere, trekt normale schoenen aan en gaat via de voordeur naar buiten. Zelfs de krantenbezorgers zijn nog niet op de been.

Joost heeft ongelukkige voeten. Hij kan met normale schoenen lopen maar je ziet wel dat hij iets mankeert. Joost is acht jaar, veel te jong om ’s nachts zo alleen buiten te zijn, maar hij is niet te houden.

Het trapveldje met doel ligt op vijf minuten van huis lopen in een klein parkje met bankjes en, heel eigenaardig, hoge populieren achter een slootje eromheen. Het heeft iets spookachtigs. Vooral ’s nachts.

Joost geniet van de stilte. Hij begrijpt niet veel maar voelt wel. Overdadig. De maan, bijna vol, tussen de wolken door. Het natte gras dat een beetje glad is. Het doel, redelijk goed verlicht door lantaarnpalen.

Voetballen vindt hij geweldig. Heerlijk, ongezien, in zijn element rent hij zo ’s nachts achter de bal aan en schiet hem door zijn ongelukkige voeten vaker buiten, dan binnen de doelpalen. Het maakt hem niet uit. Het geluid dat zijn voet tegen de bal maakt is fantastisch. Als hij eens scoort dan roept hij heel hard ‘Goal!’. Bijna een uurtje volkomen genieten.

Ook vannacht weer. Hij gaat op het bankje zitten, trekt zijn voetbalschoenen met noppen aan, doet zijn trainingsbroek en trainingsjasje uit, voelt dat het wel heel koud is en gaat snel bewegen. Rennen, eerst heen en weer, in de lengterichting over het veld. Inlopen, spieren opwarmen.

Dan loopt hij terug naar het bankje om de bal te pakken. Daarop is echter, vanuit het niets, een oudere meneer gaan zitten die aardig naar hem glimlacht. Joost schrikt, maar de glimlach is heel vriendelijk. De meneer doet zijn jas open en zegt; ‘kom maar lekker even bij mij opwarmen vent. Het is echt te koud om zo rond te lopen.’

Het is ook wel erg koud en Joost snapt dat de meneer verstandig is. Hij doet een stapje naar voren, de meneer slaat zijn jas om Joost heen en nu zijn alleen zijn benen nog koud.

Twintig seconden staan ze zo. Joost begint zich toch wat ongemakkelijk te voelen. De meneer ruikt aan zijn haar en dat vindt hij vreemd.

‘Zal ik dan maar in trainingspak voetballen’, zegt hij. Hij wil toch laten zien dat hij een oplossing gevonden heeft.

‘Nee ventje’, zegt de man; ‘Het is tijd om te gaan slapen. Ik woon dichtbij. Pak je spullen maar. Thuis heb ik een voetbalbed. Heb je zoiets wel eens gezien?’

Joost niet, en hoewel hij het allemaal wel vreemd vindt, hij toch ook wel wil voetballen en gewoon thuis kan slapen, is hij best nieuwsgierig naar het voetbalbed.

Rob schiet overeind. Wat een godverdomde klotedroom! Fucking hell! Hij ademt zwaarder dan dat hij zou hoeven ademen, zelfs in zijn schrik. Het is om de aandacht van zijn vrouw te trekken die in diepe slaap is. Dat werkt. Ze wordt wakker en is gelijk gealarmeerd.

‘Rob, wat is er? Wat is er dan Rob?’

‘Niets lieverd, een droom. Zo echt! We hadden een zoon die Joost heette. Gatver, ik wil er niet eens over vertellen. Ik ga even wat water drinken.’

Met een half leeggedronken glas water stopt hij op de overloop even voor Nora’s kamer. Voorzichtig opent hij de deur. Hij hoort haar ademhaling, luistert zo’n twintig seconden en trekt, overgelukkig, zachtjes haar slaapkamerdeur weer dicht. Onze prinses, denkt hij, morgen schoolmusical.

Zijn vrouw slaapt alweer. Op de wekker ziet hij dat het 03:00 uur is. De beklemming van de droom is terug en zijn hart gaat tekeer. Hij neemt nog een slok water, kruipt tegen de rug van zijn vrouw aan, ruikt haar haren en slaapt gerustgesteld weer in.

Het toneel

“Wreed, je stilte. Wreed, het sluiten van je ogen. Wreed, mij hier zo laten staan.

Vrouw. Kijk me aan. Zie mijn pijn. Gun mij tenminste je ongemak.

Neem mijn hand. Niet? Ik ben gewond lieverd. Eindelijk kwetsbaar. Mijn narrenmasker is af.”

‘Tot zover Geert. Heel goed Tessa. Een perfecte ijskoningin. Zo wil ik jullie vanavond zien. De tranen lopen verdorie over mijn wangen. Lunch mensen!’

‘Ik vind het allemaal nogal bombastisch’, zegt Geert terwijl hij achter Tessa aanloopt, het podium af. ‘Vind je dat?’, antwoord ze zonder haar mening te geven. ‘Wat vind jij dan?’, vraagt Geert terwijl hij naast haar gaat lopen. ‘Ik vind het heel goed gedaan’ merkt ze op en ze gaat haar kleedkamer in.

Geert gelooft er niets van. Tessa is een ervaren actrice. Dit soort rotzooi, hij had gedacht dat zij er haar neus voor zou optrekken. Het spijt hem dat hij de opmerking maakte. Nu is hij echt kwetsbaar. Hij heeft zichzelf laten kennen. Terwijl hij niet anders kan denken dan dat ze van eenzelfde mening zou zijn, kiest ze de kant van de schrijver die ook de regisseur is.

Hij en Tes waren lang vriendjes geweest, maar de laatste tijd voelde hij een zekere onaangename spanning. Haar lachen om zijn grapjes was hooguit gegeneerd glimlachen geworden, de cadeautjes die hij voor haar kocht konden niet meer op dat lieve enthousiasme rekenen. Wat de verandering veroorzaakt had vond hij moeilijk te vatten.

Wat hadden ze samen moeten lachen om idiote teksten, wat waren ze beiden in vervoering geraakt van echt mooi toneel. Ze waren maatjes geweest. De spil van dit gezelschap.

Voor zover hij kon weten was er niemand tussengekomen. Geen ‘upcoming leading man’, geen concurrerende actrice. Alleen de huisschrijver/regisseur was nieuw. Maar Tessa is lesbisch dus in de emotionele sfeer verwacht hij het niet.

Of toch? Met de nieuwe schrijver/regisseur was het woordje ‘zelfbewustheid’ het theater binnengedrongen en sinds dat woordje klonk gedroegen veel mensen zich geleidelijk aan anders dan eerder. Voor hem voelde de omgang steeds meer als de anderhalve meter afstand die in de pandemie een paar jaar geleden voorgeschreven werd.

Anderhalve meter emotionele afstand. Hij vond het moeilijk, maar met een raar soort blijmoedigheid leken collega’s het op te nemen. Vrolijkheid werd zoals het nooit tevoren geweest was. Een vrolijkheid die hij als een surrealistische dans zag. Een stoelendans waarbij hij steeds niet snel genoeg was.

Geert besluit na zich omgekleed te hebben er bij Tessa op terug te komen. Ze is nog in haar kleedkamer en hij kan binnenkomen. ‘Tes, ik heb er nog eens over nagedacht. Ik vind het eigenlijk best een goed stuk. Die kwetsbaarheid, die is eigenlijk wel nodig. Ivo heeft dat goed gezien.’

Tessa kijkt hem aan en geeft hem een goedkeurend hoofdknikje. Hij voelt dat hij er nog lang niet is, maar hij komt in zijn rol.

Die avond, de première, is een doorslaand succes. Fantastische acteurs!

Twee schrijvers

‘Doe je best. Je kunt het ook!’

Ik voel me een boerenlul. De literaire schrijver zit tegenover mij en heeft net een van mijn verhalen gelezen. 

‘Je geeft nauwelijks om stijl. Je maakt het zo gewoontjes. Jij schrijft; “Het meisje was bang.” Ik wil die angst voelen Jasper.’ 

‘Maar daar gaat het mij niet om. Zie zelf maar voor je hoe het meisje bang is. Ik wil daar als schrijver niet tussenzitten.’

‘Probeer het eens. Laat eens zien wat je in huis hebt.’ 

‘Dit heb ik in huis Erik. Dit is mijn stijl. Jij vindt het geen stijl. Jij vindt het gedachten op papier kwakken en klaar.’

‘Een beetje wel. Verhaaltjes vertellen kan iedereen. Je moet het naar literair niveau trekken.’

‘Wat mag dat dan wel zijn, literair niveau?’ 

‘Daar is geen vaste omschrijving voor. Je verhaaltjes zijn zo eenduidig. Er staat wat er staat. Je doet bijvoorbeeld amper moeite om metaforisch te schrijven. Ook zie ik bij jou helemaal niets van aansluiting bij wat voor maatschappelijk debat dan ook. Je doet niet mee. Je hebt niets essentieels te zeggen.’

‘Ik schrijf over de mens. Het onveranderlijke.’ 

‘Ik neem daar geen genoegen mee. We leven in deze wereld. Heb je er helemaal niets over te zeggen, zelfs niet in het klein? Wil je het veilig houden? Weet dat je niet lauw kunt zijn. Geen mening uiten betekent er niet toe doen.’

‘Ik wil er niet toe doen. Ik wil doen wat ik mooi vind; La condition humaine. Los van ‘het nieuwe denken’, veranderende machtsstructuren, opwarming van de aarde, nou, zo’n beetje alles. De mens blijft hetzelfde’! Probeer de mens te kennen en weet dat het gewoon mens zijn door al het idealisme heen breekt. We blijven altijd met onze natuur te maken hebben. Niets kan daar omheen; het opheffen. Al lijkt het soms zo.’

Mijn vriend schudt zijn hoofd. Tot mijn verbazing staat hij op, legt wat geld op het cafétafeltje, neemt mijn hand en drukt hem stevig. ‘Ik moet gaan jongen. Weet je…’ Hij zucht, blijft staan, lijkt te twijfelen, schuift zijn stoel weer naar achteren en gaat zitten. 

Het is zijn zoon. Zo’n drie jaar geleden begon het. Net student, vers van het VWO. De wereld leek voor hem open te liggen. 

Met zijn blonde kop en flinke, niet slungelige, lengte, zijn beweeglijke gezicht met die lichtblauwe ogen van hem. Een aantrekkelijke knul. Lijkt op zijn moeder. Een gelukje van de natuur noemt zijn vader hem.

De vrouw van mijn collega schrijver was ook zo’n mooi blond ‘hoe kan zoiets bestaan’ wezen. Ze was op hem gevallen omdat hij zo fijn poëtisch is. Nu word je dat ook wel van zo’n vrouw, zelfs ik zou er minder rechttoe rechtaan van gaan schrijven. Haar poëtisch bezingen veranderde in de jaren van smachtend naar minnend, tot vandaag waarop het betreurend schrijven overblijft. De godin bleek van de jeugd en daar bleef ze ook in. 

Op een dag had ze zich verhangen. Mijn collega schrijver zag het aankomen want het ging al een poos niet goed met haar. Zijn zoon was nog zo jong. Hij omklede haar sterven met een mythische verhaal wat zijn kracht in de loop van de tijd, het opgroeien van de jongen, haar kracht wel wat verloor maar toch altijd iets van troost voor het gemis bood. 

De jongen, niet in het minst door zijn fysieke verschijning algemeen geliefd, vond moedermiscompensatie in liefdevolle vriendinnetjes en toffe onbekommerde vrienden. 

Zo verscheen hij op de universiteit, maar het studentenleven dat vroeger als zo’n beetje de mooiste tijd van een jeugdige gezien werd, heeft in de moderne prestatiemaatschappij een deel van haar glans verloren.

Student zijn is daarnaast een toestand van het innemen van posities in zoveel uiterst belangrijke debatten. Zo veel is zo beladen geworden. Zelfs het constateren dat zaken beladen zijn is al oppassen geblazen. De twee zaken die vermeden moeten worden zijn verbazing en verontwaardiging over wat je in een discussie brengt. 

De grote blonde knaap zag in dat idealisme altijd beter is dan onverschilligheid. Helaas begon de zwaarmoedigheid die zijn moeder zo fataal geplaagd had ook bij hem op te spelen. Hij zocht ontsnapping aan zijn spoken in met overgave geloven in waarmee hij bezig is; zowel studie als activisme.

Mijn collega trekt wit weg. Helemaal vergeten dat hij wilde vertrekken vraagt hij het barmeisje om een glas jonge Jenever. Nadat ze het voor hem op tafel zet, voor mij ook want ik ging mee met zijn bestelling, nemen we een flinke slok en hij buigt zich voorover, tot vlak voor mijn gezicht.

Vanmiddag gaat zijn zoon voor euthanasie. Heel wat netter dan verhangen. Hij heeft graag dat zijn vader er bij is. 

‘Godverdomme Jasper. Ik probeer het te verdringen. Daarom zit ik hier met jou in dit rotcafé. Ik probeer me vast te houden aan  het enige dat me trouw was in het vasthouden; het verhaal. De mythe.’

Zo blijven we tegenover elkaar zitten. We kunnen niet tot opbreken komen. Hij maakt een nieuwe mythe, ik schrijf dit verhaal. Dit einde heb ik zelf in de hand.

Erik kijkt mij aan. Wat vind jij acceptabel vraagt hij? Ik zeg dat een verhaal drama nodig heeft. 

‘Laat het dan maar zo.’

Achter het raam

Mijn tweede glas wijn nadat ik al een stevig biertje op heb.

Een terras van een Italiaan in B. Mijn vrouw begint aan haar hoofdgerecht en laat mij proeven van wat ze op haar bord heeft. Heerlijk, maar ik ben blij dat ik het mijne koos.

Zij kijkt op het plein uit. Ik op de bedrijvigheid van terras en de ingang van de zaak waardoor eigenaar en bediend personeel af en aan lopen. 

Mijn vrouw voorspelt regen. Ik betwijfel het en kijk naar de lucht voorbij de parasol waaronder wij voor de zon schuilen. 

Nadat ik de lucht bekeek gaat mijn oog langs de gevel van het pand naast het terras waar wij eten. Waarschijnlijk negentiende eeuws. Boven vier grote ramen met kleinere ramen daarboven. De twee rechtse vallen mij op. Zwarte duisternis achter de ruiten, in tegenstelling tot de andere twee ramen waar iets als lichte vitrage voor hangt.

Ik wil er verder geen aandacht aan besteden maar telkens worden mijn ogen er naartoe getrokken. Ik probeer het te negeren maar dat gaat zo moeilijk. Een derde keer kijk ik nu en de rillingen lopen over mijn rug, ik laat mijn vork vallen en mijn vrouw schrikt. 

Klopt het wat ik zie? Het is eigenlijk nog wat te warm om alcohol te drinken. Wat zou mijn vrouw zien?

Ik vraag haar met mij van plek te wisselen. Zachtjes fluister ik over tafel wat ik zag. Ze kijkt sceptisch, wil eerst niet om zo iets belachelijks wisselen, maar ze geeft toe als ik aandring.

Ik kijk haar gespannen aan terwijl ze naar de eerste verdieping van de gevel naast ons kijkt. Donker ja, dat klopt. Maar een meisje? Nee. Nu niet en tien minuten later nog niet.

Ik wil weer van plaats wisselen en ik zie het meisje niet meer. Heel ongemakkelijk. Rot als je niet op je waarneming kunt rekenen. Niets aan te doen.

Thuis, ‘s nachts, heb ik een droom. Het meisje wenkt naar me, van achter het raam. Verder niets.

Ik zie het als gevolg van de drank en negeer het als ik wakker word. Dagen besteed ik er geen aandacht aan. Dagen vertel ik het niet aan mijn vrouw.

Na twee weken vind ik het echt wel genoeg geweest. Elke nacht droom ik het één of meerdere keren. Het meisje achter het raam wenkt. Verder doet ze niets. De droom komt uit het niets op en lijkt uit het niets af te breken.

Ik besluit het niet met mijn vrouw te bespreken. Eerst onderzoek te doen.

Dat begint met de zaak te bellen waarboven de ramen zijn. Van hen krijg ik te horen dat ze het binnenkort als restaurantverdieping gaan inrichten. De zaken gaan goed. Nu staat het leeg, althans, dat denken ze. De verdieping is nog niet aan het restaurant verhuurd. Na de zomer hopen ze overeenstemming te hebben met de verhuurder. Ik krijg zijn nummer tegen de belofte dat ik zelf niet iets met de ruimte van zins ben en het dan met een mooi huurbedrag voor de neus van het restaurant wegkaap. Ik beloof het op straffe van eeuwige verdoemenis als ik woord breek en ik bel de verhuurder.

Ik besluit hem uit te horen zonder dat ik andere bedoelingen laat weten dan huur van de verdieping. 

Hij is loslippig omdat hij iets interessants verwacht. Toch is het teleurstellend wat hij mij kan vertellen. Ik loop eigenlijk vast en besluit om een bezichtiging te verzoeken. Dat kan. Morgen al.

Het is dinsdagochtend. Het restaurant is nog niet open. De eigenaar doet de boehouding, de kok is de keuken aan het voorbereiden en bedienend personeel rommelt ook wat rond.

De verhuurder leidt mij op het afgesproken uur door de zaak naar een trap achter een deur net voor de toiletten van het restaurant. Ik vraag hem wie er naast hem een sleutel van deze deur heeft. Hij laat mij weten dat de deur nooit op slot is omdat er een nooduitgang van het pand via het dak is. 

Nu zie ik het. We gaan naar boven. Er zijn twee ruimten en een gang langs achter. Door die gang gaat de noodweg naar een raam het platte dak op.

In de gang zijn twee deuren naar vrij grote kamers. De verhuurder zegt dat dit alles doorgebroken kan worden zodat het één grote ruimte wordt. Ik knik geïnteresseerd maar vraag hem de deur van de kamer met de donkerte uitstralende ruimte te openen. 

De verhuurder lacht onbegrijpend. Van donkerte uitstralende ruimten heeft hij nog nooit gehoord. Als hij de deur van het slot wil draaien is hij verbaasd dat het slot al geforceerd blijkt te zijn. Hij stapt naar binnen. De deur klapt achter hem dicht voordat ik hem kan volgen.  

Ik probeer de deur weer te openen maar het lukt mij niet. Ik hoor een geluid als veel messen die tegen elkaar aan bewegen. Daarna een soort afzuigend geluid zoals bij een stofzuiger. Dan wordt het stil.

Ik klop op de deur en probeer hem te openen. Dat lukt. Binnen is het bijna zo zwart als de nacht. Door het raam schijnt een beetje licht naar binnen. Gedaantes op de vloer. Lichamen waaronder dat van het meisje dat ik toch nog herken..Vijf mensen in totaal. Stank.

Kokhalsend vlucht ik naar de deur terug. In het gangetje komt restaurantpersoneel mij tegemoet. Ze houden mij tegen. Het gestommel boven heeft hen gealarmeerd en nu komen ze polshoogte nemen.

Mijn voetstappen door bloed op de vloer in de kamer. De lichamen. De afspraak met de verhuurder. De conclusie is snel getrokken.

Politie is snel ter plaatse en ik word aan hen overgedragen.

Ik zit er nu op het politiebureau mijn hoofd over te breken hoe dit alles toch kan. Hoop op een goede afloop heb ik niet. Ik ben er gloeiend bij!