De dood van Erika B.

In de beschutting van een viaduct van een stad in het zuiden, staat het huis waar Erika B. haar hele leven woonde. Vader was één van de laatste hondenkarmannen van de stad. Olieboer. De opslagruimte naast het huis werd al lang gelden verkocht, de kennel afgebroken. Het huis van Erika B. is nu deel van een rijtje huizen. 

Buren kwamen en gingen en nu staat het rijtje huizen, inclusief het huis van Erika B, op de nominatie om afgebroken te worden. Het wordt niet meer van deze tijd gevonden, huizen zo dicht op een viaduct waar treinen overheen razen, waar een drukke stadsweg onderdoor gaat.

Het ene na het andere huis wordt dichtgetimmerd. Buren werden door Erika uitgezwaaid. Ondanks het eeuwige geluid werd het stil. Stil aan mensen.

Erika B. is oud. Eigenlijk te oud om te leven. Haar bestaan is anachronisme. 

Ze nam voluit deel aan het leven, tot zo’n vijfentwintig jaar geleden. Toen was ze begin zeventig, honderd is ze nog niet en dat wenst ze ook niet te worden.

Computeren kan ze, mobiele telefoon en tablet heeft ze. Ze liggen op de tafel. Voor noodgevallen. Dat ze ook opgeladen moeten zijn begint Erika te ontschieten. En met wie moet ze contact opnemen? Ze heeft hulp en die mensen zijn wát handig!

Op een dag gaat het niet meer. De adem wil niet meer komen en ze sterft in haar stoel. Heel gewoontjes. Niemand die het weet. Niemand die het echt pijn doet. Haarzelf raakt het ook nauwelijks. Een beetje naar gevoel, dat is alles.

Haar tijd vond haar waardevol en dat was wederzijds. Haar papierwerk en fotoboeken, inmiddels bij het oud papier en in de container, getuigen daarvan. 

Haar inboedel ging grotendeels naar de kringloop. Haar huis werd afgebroken. De plannen voor een skatepark werden gepresenteerd.

Bittersweet

De oude maakt mij een complimentje. Daar zit ik eigenlijk niet op te wachten maar hij is de enige die het doet en omdat ik wel op aanspraak zit te wachten moet ik het er maar mee doen.

Mijn date is niet verschenen. Ik heb hem nog gebeld maar hij nam niet op. Ik was al binnen en ik had al besteld. Het regende namelijk en dan blijf je niet op de stoep wachten.

Het café is behoorlijk vol. Dat verbaast mij wel hier, gelegen in een buitenwijk van een weinig interessante stad. Volksmensen. Misschien wat ordinair, maar onderling zo ver ik kan zien heel vriendelijk.

Een meisje van de bar gaat met blokjes kaas door de ruimte. Ik neem er ook een. Mijn veel te zoete witte wijn, op de kaart staat bij wijn alleen rood en wit en ik koos zoals vaker in de zomer voor wit, krijg ik bijna niet weg en nu ik doorkrijg dat het niets met de date zal worden vind ik het ook eigenlijk niet de moeite om het glas beleefd leeg te drinken. 

Ik doe het toch. Door de gemoedelijke sfeer en in de hoop dat ze me wel sympathiek zullen vinden.

Mijn auto staat twee straten verder langs de muur van wat ik vanwege de boomkruinen achter de muur verwacht een parkje te zijn. 

Ik heb er toch nog een uur voor moeten rijden. Ik kom nooit deze kant uit. Het is buiten de randstad en voorlopig richting niets.

Ik moet er maar wat van maken. Ik friemel wat aan mijn zilveren kettinkje en het is dan dat de man zijn compliment maakt. 

Ik glimlach naar hem en neem een veel te grote slok zoet. Ik proest het uit en hij dept mijn gezicht met een zakdoekje dat hij uit zijn slaphangende oudemannenjasje trekt. De zakdoek ruikt naar Old Spice. Heerlijk eigenlijk maar het is wel raar wat hij doet.

Ik zeg hem dat hij zijn handen thuis moet houden. Hij kijkt beteuterd. Niet als een vieze oude man maar met grote kinderogen.

‘Het spijt me juffrouw’, zegt hij en hij maakt een kleine buiging waarna hij naar de deur loopt, een hoedje van de kapstok neemt en door de open deur naar buiten, de stoep opstapt.

Hij is blijkbaar gekwetst en dat raakt mij. Snel reken ik mijn glas wijn af en loop ook naar buiten. Mijn jas heb ik in de auto gelaten. Verder heb ik alleen mijn telefoon. Gewoon, los in mijn hand.

De oude is al een stukje verderop maar ik haal hem in. Hij kijkt verrast op als ik hem aanspreek. Ik zeg hem dat ik misschien te ruw tegen hem was, dat ik het zo niet bedoeld had. 

‘In mijn tijd, juffrouw, stonden wij mannen nogal snel klaar met onze zakdoeken. Ik weet dat het niet bij deze tijd hoort maar zo hoor ook ik niet bij deze tijd.’

Natuurlijk zeg ik hem dat hij wel bij deze tijd hoort en dat ik juist net een vervelende ervaring had waardoor ik prikkelbaar was. 

Het mannetje, want hij is opmerkelijk klein, knikt vriendelijk, neemt zijn hoed een klein stukje af en zegt dat het een waar genoegen was.

Hij steekt de stille straat over, loopt achter mijn auto langs en dan is hij weg.

Weg. Precies. Verdwenen. Geen spoor. Opgelost. Foetsie!

Ik sta bij de auto en realiseer mij dat ik mijn sleutels op de bar heb laten liggen. 

Ik keer terug naar het café en daar liggen ze inderdaad, op de bar. Nu neem ik een pilsje van de tap, veilig bitter. 

Terwijl de barvrouw tapt vraag ik haar naar het oude mannetje. ‘Hij weer?’, vraagt ze. ‘Ik zie hem nooit. Viel hij u lastig?’

Verbaasd over dat ze hem niet zag verzeker ik haar dat hij mij niet lastig viel en ik drink mijn pilsje op waarna ik nog even naar achteren loop om het toilet te bezoeken.

In de smalle doorgang naar het toilet hangt een ouderwetse telefoon aan de muur met daarnaast een stadsplattegrond. Een rode stip geeft aan waar ik mij bevind.

Ik zoek op en zie dat het niet zomaar een park is waar mijn auto geparkeerd staat.

Het zal toch niet…

Ik zit in mijn auto en overdenk deze avond. De date die niet kwam opdagen heb ik uit mijn telefoon gewist. Het regent. Straks fijn onder de dekens. Lekker slapen.

Zand

‘Dag zandstorm. Dank dat je even bij me was. Mijn vlakte is leeg. Je bracht iets en je neemt het weer mee. Nu moet ik mijn huid weer zelf beroeren. Alhoewel, een kleine spin heeft mij gevonden. Ik heb mijn bril niet op dus ik noem het maar een spin. Een torretje of iets anders, waarvan ik nooit gehoord heb, kan het natuurlijk evengoed zijn.

Ik lig mijn armen gestrekt. Het loopt op mijn onderarm. De makkelijkste weg, vrij vlak richting mijn schouders. 

Ik laat het begaan. Mijn aandacht verslapt. Met mijn tenen beweeg ik het zand in. Zo ver tot nattig zand tussen mijn grote teen en de nagel komt. Dat is onaangenaam. Ik stop.

Opstaan kan ik niet. Wil ik eigenlijk niet. Laat het maar gaan! Die verdomd hete zon. Rooster mij! Verdomme, je wint!

Het spinachtig minuscule beestje komt op mijn schouder. Daar blijft het zitten. Schijnbaar gefascineerd door een moedervlek. Met een pootje betast het de vlek. Niets natuurlijk. Dan gaat het verder. Mijn schouder over. Mijn rug op.

Mijn telefoon gaat. Sterven gaat moeilijk als je wordt lastiggevallen. Ik neem op.’

Ja, dat was jullie moeder jongens. Ze vroeg of ik wilde helpen om haar computer te updaten. 

Ik kwam natuurlijk. Bij wie moest ze anders terecht? 

Soms verlang ik terug naar dat zand. Maar maken jullie je maar geen zorgen. Ik blijf bereikbaar.

Eenzaam

Allemaal lieve mensen om me heen. Nu is het avond. Ik zie er niet veel van maar op de gang schijnt groen licht. De jonge zusters lachen met elkaar. Ze zijn zo gezellig. 

Ik heb het goed hier. Echt waar. Als je jong bent snap je niet hoe het is. Ik vind het heerlijk om zo maar te zitten. 

Ik denk veel. Aan vroeger. Eigenlijk een beetje als de wind. Niets blijft hangen. Ik voel het en het is weer verder. 

Sommige beelden komen terug. Het zijn momenten. Helemaal geen verhalen. Soms ook gewoon uit films. Dat weet ik wel. Het is gevoel bij beeld. Dromerig. Impressionistisch.

Ach, ik vertel het de zusters. Vaak lijken ze een beetje bij mijn woorden weg te dromen. 

Vrienden vroeger zeiden dat ik filosofisch werd als ik wat gedronken had. Dat heb ik niet meer nodig. Thee en wat melkchocolade. Dat is het.

Ik luister naar muziek van Rudolf Escher. Dat vind ik zo fijn. Niemand kent dat hier. Ik wilde dat ze het zouden kennen. Niet voor mij. Voor henzelf. Het is zo prettig, oud zijn met Escher.

Er komen geuren van de gang. Ze brengen eten rond. Ik kijk ernaar uit. Ik vind bijna alles lekker. Het geluid van borden en bestek. Ik denk dat ik er Sinas bij neem. 

De zuster komt binnen. Ja, ik praat graag.

Tranen

Rode mannen rennen op me af. Ik schreeuw het uit; ‘Weg, weg! Alsjeblieft weg!’ Pijn in mijn hand. Ik heb het nachtkastje geslagen en ben wakker.

Keelpijn. Heb ik zo hard geroepen? Ik hou mijn linkerhand op mijn keel in een nutteloze poging de pijn te dempen. Afschuwelijk. Ik probeer het vreselijke weg te slikken maar het lijkt of er een vuurbal in mijn keel zit. Groot, scherp en bloedheet.

Naar de badkamer. Water. Hopen dat de pijn wegspoelt maar er gaat geen water langs. 

Ik krijg het benauwd. Hyperventileren en ik voel dat ik het bewustzijn zal verliezen.

Ik lig ongemakkelijk met mijn zij op  de badkamerdorpel. Het is licht. Uit het doucheputje zie ik wat haar steken. Ik walg er van en brom een beetje. 

Verbaasd kom ik overeind. Dat gaat wel. Ik heb niet echt pijn en mijn keel voelt als nieuw. Ik brom nog eens. Daarna roep ik ‘ahh’. 

Tranen lopen over mijn wangen. Nogmaals herhaal ik ‘ahh’ en vervolgens ‘do re mi’.

Wat een prachtig geluid! Vervolgens zing ik een liedje. Tranen blijven komen. Wat een gevoel leg ik er in! Wat een zalige klanken!

Ik kijk in de spiegel en daar sta ik met mijn betraande ochtendgezicht. Ik open mijn mond en zing nog eens. Tranen stromen weer. Mond open, tranen komen.

Wat een zegen. Wat een vloek. Wat kan ik hiermee?

Ik besluit mijn schoonzusje te bellen. Zij is de verstandigste in de familie. Misschien weet zij raad.

Ze neemt de telefoon op en onderbreekt me al snel omdat ze even een zakdoekje moet pakken. ‘Wat is het dan?’, vraag ik, nu wel wat bezorgd aan het worden.

‘Ik weet het niet.’ zegt ze; ‘Je doet iets met me.’

Dat ben ik niet gewend. Ik vraag door en ze bedoelt iets in mijn stem. ‘Ik hoor dat jij het bent maar er is iets mee.’

Nog dezelfde ochtend kan ik bij de huisarts terecht. De assistente vraagt voortaan maar te mailen want een doktersassistente moet zich natuurlijk groothouden. Ze kan niet achter de balie aan de telefoon gaan zitten snotteren. Het zou andere patiënten maar overstuur maken.

Met de dokter deel ik een doosje tissues maar we komen er niet uit. Ik moet de oplossing op langere termijn zoeken. Hij zal wel mailen als hij remedie weet. 

Een poosje zit ik thuis. Ik ben een sociaal mens, beheers de weinigzeggende stuursheid niet en er zijn ook geen cursussen voor om dat te leren. 

Om aan mijn brood te komen heb ik op sociale media geadverteerd;

‘Zit het u hoog maar willen de tranen niet komen, kom tot mij. Geheel geweldloos’.

De zaken lopen goed. De dokter heeft nog gemaild maar ik heb zijn bericht niet geopend. Waarom zou ik?

Mijn tranen neem ik voor lief.

Klem

Ik sneed haar af. Zomaar. Niet zonder reden. Ik denk er liever niet over na. Het was een weinig verlicht voetpad naast een fietspad. Ik zag haar lopen en in een vlaag van fatalistische waanzin reed ik mijn rijwiel, schuin, tot net voor waar ze liep.

Ik liet mijn fiets onder mij vandaan vallen en sprong frontaal tegen haar aan waardoor wij beiden vielen. Ik lag bovenop haar, ging snel zo zitten dat ik met mijn benen om haar middel zat en hield haar handen vast zodat haar armen schuin omhoog op het pad lagen.

Toen zag ik het. Ze was mijn buurmeisje. Een leuke twintiger waarmee ik af en toe een praatje maakte.

‘Buurman!’, riep ze in paniek. De geile waanzin vloot uit mijn lijf en daar zat ik dan. 

Toen werd ik wakker. Mijn vrouw vroeg lief of ik eng gedroomd had. ‘Heel, heel vreemd’, zei ik. Natuurlijk wist ik nog waarover, maar ik verzweeg het.

Drie dagen gingen voorbij en toen gebeurde het. Ik reed op het fietspad, ‘s avonds vanuit werk, en daar zag ik haar lopen. 

Hoewel ik haar figuur lastig kon onderscheiden twijfelde ik niet. ‘Hoi Daphne’, zei ik, maar Daphne reageerde helemaal niet. 

Ik ging langzamer fietsen en zei nog eens, maar nu wat nadrukkelijker ‘Hoi Daphne’.

Weer niets.

Ik voelde mij in mijn eer gekrenkt en sneed haar nu daadwerkelijk af zodat ik haar ter verantwoording kon roepen. Ze schrok ongelooflijk. Ik zag nu dat ze oordopjes in had. Ze had mij waarschijnlijk niet gehoord.

Ik wist niet hoe ik mij uit deze situatie moest redden. De waarheid vertellen leek mij het beste; ‘Ik dacht dat je me negeerde’, ze ik.

Enigszins van de schrik bekomen maar zeer op haar hoede keek ze me achterdochtig aan. We wisten beiden dat we als buren met elkaar verder moesten en dat maakte de situatie niet makkelijker.

‘Sorry, sorry, sorry’; zei ik; ‘wat ben ik vreselijk lomp’ ‘Lomp?’, antwoordde ze; ‘ik voel me hier heel unheimisch bij. Wilt u alstublieft maken dat u wegkomt. Wat geeft u het recht antwoord van mij te verlangen als u op een donker pad langsfietst? Ik hoorde wel dat er iemand tegen mij sprak maar heb ik niet het recht om niet in het donker te worden lastiggevallen? Ik vind dit heel bedreigend.’

Ik snapte het volkomen. Ik dacht aan mijn droom en had het gevoel dat ik in een nachtmerrie zat. 

‘Het spijt me’, zei ik nogmaals en ik fietste hard weg. Hoe moest ik nu verder?

Thuis vertelde ik alles aan mijn vrouw. Van de droom, van het voorval deze avond. Natuurlijk was ze boos, verdrietig ook. De man bij wie zij zich veilig voelt, die iemand anders zo onveilig laat voelen. Even leek het of zij zich ook niet meer veilig bij mij voelde.

Beschaamd zit ik op de rand van mijn bed. Ik ben altijd bang geweest voor onomkeerbare zaken. In een poging om het goed te maken stuur ik de buurvrouw een bericht via de telefoon. We zitten in een buurtgroep dus haar nummer heb ik gewoon. 

Ze reageert niet. Na tien minuten probeer ik het nogmaals. Eenzelfde boodschap maar met andere woorden. Geen reactie.

Ik stuur een link naar een lief liedje, twee dagen later een zelfgeschreven gedichtje waarin ik de situatie probeer uit te leggen.

Geen reactie.

Ik voel een grote onrust die ik niet kwijt kan. Ik maak mezelf helemaal gek. Ik probeer zo hard wat gebeurd is ongedaan te maken. Ze geeft me er geen ruimte voor.

Ik weet gewoonweg niet wat ik moet doen. Was ze maar weer vriendelijk. Als normaal.

Wat overblijft

Op zolder, tussen paperassen, een kinderstoel, een oude typemachine; staat de schooltas van mijn verongelukte broertje Maarten.

Ik ben achtennegentig jaar, mijn broertje was drieënnegentig toen hij van de trap viel. Zo’n drama is het dus ook weer niet.

Niettemin moest zijn huis leeg. Zijn kinderen en kleinkinderen pakten nog wat mee wat voor hen van emotionele, en naar zij vooral hoopten, financiële waarde zou zijn. Dat was niet veel. Het kon in drie kartonnen dozen. 

Een professioneel leegruimer werkte de rest weg maar belde de oudste dochter van mijn broertje op met de vraag wat hij met die tas moest. De leegruimer was een gevoelig man en hij hield er niet van foto’s of persoonlijk schrijfwerk weg te gooien. De tas zat vol met persoonlijk schrijfwerk. 

Ik wist niet van de tas af maar op mijn verjaardag kreeg ik hem van de dochter aangeboden. Een geschenk dat als een last voelt. Ik zie niet goed meer, mijn enige zoon heeft wel iets anders aan zijn hoofd, mijn vrouw is reeds lang overleden (net als de vrouw van mijn broertje overigens) en ik twijfel aan het talent van mijn broertje zodat ik de inhoud ook liever niet door iemand die er meer van af weet laat beoordelen.

Zo zit ik met de tas. 

Vandaag moest ik op zolder zijn. Ik zocht een verhaal van Gabriel García Márquez. Iets over een oude man. Over ook vitale leeftijdsgenoten lezen houdt mij op de been. 

Ik vond het verhaal niet. De zolder is te donker, de dozen met boeken staan op elkaar en ik heb er de kracht niet meer voor om daarmee te rommelen.

De schooltas van mijn broertje stond wel voor het grijpen en nu zit ik op mijn billen onder het dakraam door zijn tas te graaien.

Het is werkelijk niets bijzonders maar het is wel van mijn broertje. Ergens vind ik het rot dat hij het bewaard heeft, dat zijn dochter er bij mij mee aankwam. Hoopte hij postuum ontdekt te worden?

Verdrietig maak ik de tas weer dicht. Een klein, afgescheurd, hoekje papier heb ik over het hoofd gezien en moet ik alsnog in de tas terugdoen. Dit staat er op:

‘Ik heb het Duizendjarig Rijk verslagen,
in het begin op wastablet.
Dat bleek niet zo’n succes te zijn’

Ongetwijfeld een begin van iets. Misschien een vastgelopen gedichtje. 

Met moeite ben ik overeind gekomen. Uiterst behoedzaam ging ik daarna de trappen af. Van de zolder naar de woonkamer. 

Nu zit ik op de bank en hoor de klok tikken. Buiten vliegt een vogeltje het nestkastje in en uit. Straks komt de huishoudelijke hulp. Nog een uurtje wachten. 

Getroffen

Bloed. Eigenlijk over alles wel. 

Hij sloot de kledingkast en ging op zijn bed zitten. Zij bleef hem verbazen. Er bleef werkelijk niets over om naar buiten aan te trekken.

Hij riep haar. Ze antwoordde lief en ging naast hem op het bed zitten. Verbandje om haar ringvinger. ‘Wat heb je nou gedaan meisje?’ 

Toen hij haar onschuldige gezichtje zag, die mooie bruine ogen, kon hij gewoonweg niet boos zijn.

Zij had haar leukste zomerjurk aangetrokken. De stof sloot om haar ranke jonge figuur. Hoe kon ze zoiets waanzinnigs doen en tegelijkertijd zo ongelooflijk aantrekkelijk zijn? 

Ze sliepen nooit samen. In ieder geval niet de hele nacht. Beiden hadden ze hun eigen omgeving. Gebied waar zich afspeelde wat voor de ander verborgen mocht blijven. 

Daartoe doordringen bleef een spel. Een tipje van de sluier. Soms, diep in de nacht, sloop hij haar kamer in. Was even bij haar en sloop dan weer weg. Soms werd hij ‘s nachts wakker als zij tegen hem aan kwam liggen. 

Nooit werd het gewoon. Ze leefden hun eigen leven, verslaafd aan elkaar.

Hij was tevreden. 

Beide handen legde hij om haar middel. De zachte dunne stof, haar warme buik tegen zijn buik. Zijn lid groeide. Handen om haar middel werd een omhelzing. Zij wierp haar hoofd naar achteren. Zon scheen door haar bruine haren. Met zijn neus en lippen beroerde hij haar nek omhoog naar haar vochtige mond waar hun tongen wat worstelden. Een vrijpartij volgde. Het bloed in zijn lid verdreef het bloed dat hij nog in gedachten had.

Ze zonderde zich weer af. Sloot de toegang tot haar gebied. 

Verzadigd nam hij een douche, sloeg een badjas om zijn blote lichaam.

Voorzichtig drong hij haar ruimte binnen. Daar lag ze. Haar jurk over de bedrand. Ze keek hem aan. Hij liet zijn bekleding van zich afglijden, vlijde zich tegen haar aan en vroeg zich af hoe dit toch verder moest.

Een ruk aan zijn schouder, gitzwarte ogen, vertrokken mond. Een mes in zijn lichaam. Steek na steek. Terwijl het leven uit zijn buik vloeide besefte hij dat hij haar gekte niet had moeten negeren.   

Betekenis

Ergens. We weten niet waar, maar het bestaat. Anders zou ik er niet over kunnen schrijven.

Daar, in een grijs betonnen stad met primair kleurige kunststofcontrasten, loopt Jacob. Het is geen zonnige dag. Grauw, daarentegen, is het ook niet. Het is gelijkmatig licht depressief weer. Goed genoeg om voort te gaan.

Hij heeft een afspraak met Astrid, de heks van Nurelpensuğin. Zo nu en dan is ze er. Dan spreekt de halve stad met haar af, de andere helft ziet er geen been in.

Het is een gewoontegang. Zijn kennissen gaan, hij ook. Niemand lijkt er ooit iets mee op te schieten maar is dat een reden om het maar niet te doen? Jacob denkt van niet. 

Astrid staat doorgaans op een hoek te wachten. Telkens weer een andere hoek dus het is even goed kijken en wat straten doorwandelen.

Alle winkels, bedrijven, flatgebouwen waar mensen kunnen verblijven zijn potdicht. Dit is een deel van de stad dat even niet gebruikt wordt. Dat komt wel weer. Het komt vaker voor.

Dan vindt hij haar. Astrid hangt tegen een lantarenpaal en eet een stuk chocolade. Ze breekt een stukje voor hem af. Helaas niet het onbeknabbelde deel. Hij doet het er maar mee.

Samen lopen ze een eindje op. Het gaat nergens over, maar iets in haar feloranje haar inspireert hem. Het zit slordig en hij denkt; zo kan het ook. 

Twee straten verderop nemen ze afscheid. Jacob geeft haar als gebruikelijk een willekeurig spreekwoord mee. Dat kan ze waarderen. 

Dan loopt ze een stukje vooruit. Een andere hoek. Een meisje loopt op Astrid af.

Hoe het komt weet Jacob niet. Hij zet het op een lopen, grist het meisje bij Astrid vandaan en trekt haar mee, drie straten door, naar het park waar twee paarse bloemen bloeien. Het kan nog net. Ze zijn nu op hun mooist.

Jacob gaat op zijn buik liggen. Een van de twee bloemen is recht voor zijn neus. Het meisje volgt zijn voorbeeld. Zij heeft de tweede bloem recht voor haar neus. In het onscherpe deel van het beeld zien ze elkaar in de achtergrond van hun duidelijk zichtbare bloem.

‘Ja, daarom doen we dit’, zegt ze. Ze kijken elkaar aan met het paars nu onscherp. ‘Hou dit vast’, horen ze op de achtergrond zeggen.

Een zonnestraal breekt door. Astrid trekt zich terug. Jacob vraagt het meisje naar haar naam. Ze heet Nyssa.

Vanzelfsprekend

Ik stap uit. Het is later dan normaal. Een paar minuutjes maar. Korte seinstoring.

Een vrij leeg perron. Net als maar een paar andere reizigers loop ik naar het paaltje om uit te checken. 

Een vrouw met een lange beige jas wacht aan het begin van het perron, zwaait en loopt onze richting in. Ik kijk haar niet aan maar haar uitstraling spreekt mij aan. 

Ze is nog niet heel dichtbij maar haar gang valt mij op. Heel duidelijk precies op de denkbeeldige lijn waarin ik loop. Ik kijk achter mij maar de drie mensen die ik zie zitten niet op dezelfde lijn. 

Nu kijk ik de vrouw in haar gezicht. Ze glimlacht en ik glimlach terug. Wat moet je anders?

Een pas of vijf zijn wij van elkaar vandaan als ze begint te praten. ‘Hoi joh, zag je me niet?’

Ze omhelst me en automatisch leg ik mijn handen on haar middel. Een zoen. Op mijn mond. Gewoon, alsof het heel normaal is. Vluchtig bijna. 

Ze slaat haar arm om mijn middel en we lopen het perron af. Ik ben verbluft en durf de situatie niet te doorbreken. Verbaasd reageren zou haar ongedwongen spontaniteit aantasten en dat wil ik niet. 

Ze babbelt over haar dag, een leven dat ik helemaal niet ken. Ze vraagt hoe mijn dag was en ik vertel haar er over en ik verwacht dat het misverstand zo wel duidelijk zal worden. Maar nee, ze neemt het als vanzelfsprekend op. 

Mijn God, wat is dit? Ze loopt naar de parkeerplaats. Ik loop met haar mee, aangemoedigd doordat ze voortdurend tegen me praat. Als een boek dat ik lees hoop ik door verder te komen grip op de situatie te krijgen. Benieuwd en geamuseerd luister ik naar haar. Ik vind haar grappig. Het is allemaal zo ongewoon en ze doet zo gewoon. Het is een raadsel.

We stappen in haar auto. ‘Naar mijn huis dan maar?’, zegt ze. In haar denken heb ik dus ook een huis. Dat geeft mij wel wat ruimte. ‘Prima’, zeg ik, maar dan valt ze stil.

‘Dit kan niet.’ Ze schudt met haar hoofd en kijkt mij recht in mijn ogen. ‘Ben je net zo gek als dat ik ben?’

Het moest er van komen maar zo had ik het niet verwacht. Deze eigenaardige situatie kon natuurlijk niet voortduren maar ik was een beetje in verwonderde droomtoestand. 

‘Stap maar uit. Dit gaat gewoon niet. Wat dacht je; leuke vrouw, ik speel gewoon mee?’

‘Ik wilde je vrolijkheid niet verstoren. Je was zo ongedwongen, zo vertrouwd. Ik vond je aantrekkelijk en wat moest ik doen?’

‘Je had niet romantisch moeten denken. Als iets te mooi is om waar te zijn dan is het niet waar.’

‘Maar kan dat dan niet, iets totaal onconventioneels als nieuwe werkelijkheid aanvaarden?’

‘Het is gewoon een vieze mannen fantasie.’

‘Misschien ook wel. Of niet. Ergens geloof ik nog in sprookjes of wil er tenminste in geloven.’

‘Ga nu maar.’

Ik stap uit, zij rijdt weg. Verslagen sta ik nog een tijd stil op de stoep. Ik voel me uitgekleed, naakt en om te bespotten. 

Niemand heeft iets gemerkt. Ik schaam mij en ik kan haar niet weg fantaseren. 

Zij zal voortaan altijd ergens zijn om mij klein te laten voelen. Al is het in mijn hoofd.