Behang

Ik was geen gelukkig kind. Daar bestond geen twijfel over. 

Met z’n tweeën waren we er opeens. Nog altijd denk ik dat ik het me herinner. Dat warme moedervocht snel onaangenaam koud wordend op mijn huid. Geluiden die tot dan toe als in een gesloten kamer verderop geklonken hadden en nu snerpend binnenkwamen. Het felle licht.

Pas later leerde ik er de woorden voor, maar de begrippen pasten naadloos in de indrukken. 

Het is me niet bevallen. Mijn broertje leek er geen last van te hebben. Die had kort de tijd gehad om zich nu eens flink in de baarmoeder uit te rekken maar volgde mij snel. Uiterst tevreden, hoe kan het verkeren. Hij huilde dat het een lieve lust was terwijl ik te geschrokken was om op te starten.

Ik moest er mee geholpen worden maar alles wat ik voortbracht was een Wagneriaanse Kundry-klacht.

Met frisse tegenzin doorliep ik de noodzakelijkheden van de jeugd. Terwijl mijn broertje, wat al snel ‘broer’ werd omdat de levenslustigen nu eenmaal groter worden gemaakt, plezier had met vrienden, meisjes, zat ik buiten school op mijn kamertje naar de streepjes op het behang te staren. Het is waar, veel meer deed ik echt niet.

Ik wist nog niet precies wat het was maar ik wilde dood. Dat leek me nog eens heerlijk! Dood gaan was overkomelijk, daar maakte ik mij niet druk over. Over wat het met mijn familie zou doen maakte ik mij geen zorgen.

We hadden twee katten thuis waarvan degene die onder een auto liep toevallig ook degene was die nogal met zijn nageltjes kon uithalen. Wat had het met ons gedaan? Vrijwel niets eigenlijk. We zeiden het niet hardop maar iedereen was natuurlijk stiekem blij dat we van die kat af waren. Nee, die andere kat dood, dat had een drama geweest. Zo dacht ik er zelf ook over.

Echt overwogen om er een einde aan te maken heb ik eigenlijk nooit. Als de gedachte een vanzelfsprekendheid is, dan is de aantrekkingskracht weg. Dagelijksheid is niet de moeite waard. 

Mijn broer speelt buiten voetbal. We worden binnenkort achttien jaar oud. Ik staar nog steeds naar het behang en ik ben er iets aan gaan vinden. Heel mijn leven heb ik al begrepen.

Zo het loopt

Het was raar maar ze lieten hem maar begaan.

Toen hij vijftig werd en echt begon te voelen dat ‘de tijd geweest’ op de weegschaal doorsloeg, ving hij een taak aan waarvan slechts het lot het einde bepaalde.

Zwaar was het niet, wel ingewikkeld om te regelen. 

Gelukkig kende hij mensen. Hij stond midden in het leven, toen, wat sommigen die het wisten een gekte noemde, aanving. De horde werd dan ook vrij snel genomen. Duur was het wel. En voor wat!

Hoe kwam hij er toe? We zullen het nooit weten want hij deelde het met niemand. 

Wat er achteraf over te zeggen valt kan alleen enigszins uit zijn handelen begrepen worden. Een gevoelig mens omschreef het als vertrouwdheid creëren.

De meeste mensen komen er incidenteel. Hij niet meer. Elke dag. Hij onderhield wat later vrijwel links gelegen gelaten zou blijven. Dat wist hij. Dat deerde hem niet.

Op een dag werd hij onwel. Hij was achtenzestig jaar. Beroerte. Goed kwam het niet meer. Mails die hij ontving werden niet meer gelezen. Hij kon zich vrijwel niet meer uitdrukken. Hij werd in een verpleeghuis opgenomen.

De man van routine leefde onder het regime van het verpleeghuis. Leefde. Niet veel meer.

Toch pas vijf jaar later overleed hij. Er werd netjes afscheid van hem genomen in een crematieplechtigheid waarbij zijn naaste verzorgers toch nog een traantje lieten.

En zijn graf? Dat werd geruimd. De rechten waren verlopen. Geen botten, geen kist. Op de administratie vond men de verklaring. 

Meneer was niet meer te bereiken.

De vraag

Lang geleden. In een tijd waarin mensen zich nog niet afvroegen of vogelgezang onderdeel was van wat ze op hun oortjes of hoofdtelefoon hoorden, liep Hans door een weide net buiten het dorp B, ergens in het Zuiden van ons land. 

Jojanneke kon niet mee en daar had hij de pest in. Hij had zich er zo op verheugd. Samen buiten het dorp. Ongezien niet, daar kon je niet op rekenen. Ongehoord wel. Buiten het dorp kon je goed bij mensen uit de buurt blijven.

Hij had haar al lang lief. Veel te lang. Zij kon maar niet tot een ja komen en Hans was bereid om te wachten. Veel te lang wachten. Wanhopig wachten.

Kapers op de kust waren er niet. Jojanneke was niet populair onder de jongens. Ze las boeken. Ze speelde piano. Ze leerde over God. Geen zaken waarmee jonge mannen in dit dorp bezig waren. Geen zaken waar de meeste vrouwen zich mee bezig hielden.

Hans maakte het niets uit. Meisjes in het dorp zagen hem niet zitten. Zijn wilde haren, bril, kleding, zijn door de pummels onbegrepen enthousiasme over zaken die hen niets zegden.

Hans wilde verder leren maar er was thuis geen geld voor. Hij was nodig in de bakkerij van zijn vader maar hij was nergens goed voor. Hij deed het wel maar het leek wel of hij nergens bedreven in raakte. 

Alleen in het schrijven, maar er waren geen lezers. Zelfs Jojanneke niet.

Ze had ooit iets van hem gelezen, maar dat had ze zo hartstochtelijk gevonden, zo duidelijk op haar betrokken, dat ze het halverwege gegeneerd had weggelegd en er verder altijd tegen hem over gezwegen had.

Terwijl Hans verder en verder de weide inloopt, bijna tot aan het volgende dorp, wordt hij meer en meer door een man genaderd die hij uiteindelijk als de pastoor herkent. Hij brengt geen blijde boodschap.

Hij nodigt Hans uit om met hem op het gras plaats te nemen. Vriendelijk kijkt hij Hans aan, zoekt naar woorden en zegt dan ronduit dat waarvoor hij bij Hans gekomen is, waarvoor hij als het ware naar Hans gestuurd is.

Jojanneke kiest er voor om haar leven in dienst van Christus te stellen. Jojanneke gaat het klooster in op drie uur gaans gelegen.

Hans is verslagen. Zijn hoop, zijn toekomst hing van Jojanneke af. Hoe kon hij nu nog verder?

De pastoor geeft hem een gedachte mee om verder te kunnen; ‘Jojanneke behoort vanaf nu Christus toe. Ook jij, Hans, kunt Christus toebehoren door jouw leven in zijn dienst te stellen. Ik ken je al van jongs af aan. Je bent niet van deze wereld. Ik nodig je uit om tot onze wereld te horen. Zo komen jij en Jojanneke tot elkaar in de eenheid van de Kerk van Christus. Voor jou is er plaats op het Seminarie. Denk er over na.’

De pastoor staat op, slaat wat grasjes van zijn soutane, knik Hans vriendelijk toe en maakt aanstalten om terug te gaan. 

Nu Hans geen eigen toekomst meer ziet geeft hij het over aan Christus. Hij staat op en zegt de pastoor zacht; ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’

De pastoor glimlacht toch wat geschrokken, schudt zijn hoofd en denkt; och, met deze theatrale stumper krijgen we nog heel wat te stellen.

Gezamenlijk wandelen ze terug naar het dorp. Hans schrijdt en huilt. Toekomstig geestelijke, maar mens. 

Weer thuis

Ik ben weer thuis. Het is mislukt. Mijn jongenskamer vol met dozen. Spullen die niet weg kunnen, maar wel uit de weg moesten, zullen een andere plek krijgen. Hopelijk tijdelijk.

Alles wat ik niet meenam staat en hangt hier nog. Posters van artiesten die nu hoogstens nostalgie oproepen, op behang dat ik nooit meer zou kiezen. Het uitzicht door het raam lijkt op wat ik vroeger zag, maar het is allemaal net anders. Het dak van de aanbouw is niet meer zo fris grijs als toen, struiken zijn veel groter, een boom is weg en de achtertuin van de buren rechts is helemaal heringericht. Er wonen nieuwe mensen.

De hanglamp is wat stoffig. Hij was oranje, pompoenvorm. In de lades van het voor mij weer leeggeruimde bureau heeft zich wat er van mij nog inzat vermengd met wat mijn ouders er de laatste vijfentwintig jaar indeden.

Ik ga op de bureaukruk zitten en kijk in het pennenbakje. Nog steeds nutteloze ijzeren ‘ik weet niet wat het isjes’ die ik nooit weggooide tussen gum, potloden en een balpen die het nog blijkt te doen ook, maar wel groene inkt geeft.

Mijn radio-cd-speler van toen staat er gewoon maar de antennedraad gaat nergens meer naartoe. CD’s heb ik niet bij me. Er ligt nog iets van Gloria Estefan. Ik zet het op en ben terug in de late jaren tachtig, begin jaren negentig. 

Boven mijn bed een wereldkaart. Wat aardig eigenlijk, zo’n ding dat je niet op telefoon of tablet tevoorschijn tovert maar ongevraagd aanwezig is. BRD en DDR, Joegoslavië, Tsjechoslowakije. Het is een oude kaart.

Hier en daar zitten gaatjes in de kaart. Mijn broertje heeft er eens met dartpijltjes naar gegooid in de hoop dat hij op vakantie kon waar de pijltjes terechtkwamen. Ik was er niet blij mee geweest. 

Onder het bed een op afstand bestuurbare auto met afgeknipte ijzeren antenne, zonder controller. Een tv op het kastje aan het voeteneinde. Geen antenne, geen hdmi-aansluiting.

Toch kijk ik naar het scherm. Groengrijs, lichte bolling, houten kast. Ik zie mezelf zoveel jaren ouder dan dat ik was toen ik er het laatst inkeek. 

Mijn moeder roept of ik voor het middageten naar beneden wil komen. Aan haar stem hoor ik dat ze het fijn vindt om weer te moederen.

Mijn vader zit al aan tafel. Ik weet dat ik welkom ben maar mijn vader heeft meer reserve. Gewoon geraakt aan het comfortabel samenzijn. Hoe moet dat vanavond met het kiezen van wat we op tv kijken?

Mijn zoon belt mij. Ik loop even achter het terras op. De hond van de buren blaft. Die moet er ook aan wennen.

Naam

Ze had een prachtige naam. Gevoeligen van geest werd de adem ontnomen als ze de samenstelling van letters lazen of de klank hoorden. 

De naam drukte een lieve droom uit, wekte verlangen, werd zoete inspiratie, bracht zin in het leven.

Maar nee, hoe had het zo kunnen komen? Een klein hard dikkertje. Dat was ze. 

Het leven had haar in een moment van onoplettendheid aan een mannetje geholpen met net zo’n overweldigende naam. Kleiner dan dat zij was nog. Ze vormden een naar paar. Bijna karikaturaal.

Het leek wel of ze elkaars begrip van ontevredenheid met het leven uitdrukten. Vreugdeloos en vruchteloos. Weerzinwekkendheid kent de voorwaarde om tot iets vruchtbaars te komen niet.

Maar haar naam, wat bezielde haar ouders? 

Lieve mensen, dat waren het zeker. Noeste werkers. Door het leven bezeerde zielen. Naïef, telkens vol hoop. Te teer om zich staande te kunnen houden in een wereld waarin je voor jezelf moet kunnen opkomen.

Wat waren ze blij geweest met hun kindje. Wat een zoete troost. Een wezentje dat ze konden beschutten. Een wezentje dat hun in het leven tekortgekomen harten kon vullen. Ze drukten het uit in de naam die ze voor haar kozen. Liever kun je het niet verzinnen.

Maar niets van dat. Het kindje was zelfzuchtig. Zakelijk. Al veel te jong.

Ze had er de trekken naar. Onverschilligheid had geen ander gezicht kunnen kiezen. Haar bestaan kwetste haar ouders. Ze was niet gemeen tegen ze. Nee, niets van dat. Het liet haar gewoon koud. Daarin was ze volkomen oprecht.

Haar ouders hadden elkaar. Deze geschiedenis is al miserabel genoeg, een sterfgeval hoeft er niet bij. Haar ouders bleven samen. Tot op de dag van vandaag.

Hun dochter zien ze, al is ‘tenminste’ als troost hier niet van toepassing. Ze komt er, maar zonder hart. Ze heeft nooit ergens bij stilgestaan. Nooit een moment van wegdromen. Nooit een moment van inleven. Nooit een moment van dochter voelen.

Alles wat ze maar in zich kon hebben is door haar naam opgeslokt.

Moederinstinct

Ik heb een afspraak met mijn neef maar ik weet niet hoe ver terug. Op de gok neem ik een agenda uit de kast, sla hem willekeurig open en wijs een datum aan. 

De eerste van juni 1996. Lastig, ik denk niet dat we toen al mobiele telefoons hadden. Hij woont dan nog thuis dus als ik er niet uitkom dan kan ik eventueel zijn ouders bellen.

Ik bereid mij voor want ik moet met de bus en trein. De fiets staat in de schuur. Nadat ik de banden heb opgepompt rij ik naar het station. Ik wil een kaartje aan het loket kopen. In mij portemonnee zitten alleen euro’s. Hoe had ik daar nou niet aan kunnen denken!

Ik loop naar buiten en kijk naar de lucht. Mijn verbeelding laat me in de steek. Aan alles heb ik gedacht, behalve de gulden.

Wat nu te doen? Naar huis? Mijn moeder uitleggen hoe het zit? Ze is begripvol maar ze zal te veel vragen stellen. Mijn oma dan? Nee, daar zou ik willen blijven hangen. Ik heb een afspraak. Die tijd kan ik niet nemen.

Ik besluit mezelf te bellen. Dat moet lukken. Gewoon naar mijn ouders bellen en naar mezelf vragen. 

Mijn moeder neemt op. Ik leg het uit. Ze snapt het niet. ‘Roep hem nou maar’, zeg ik. ‘Later wordt het wel duidelijk. Maak je geen zorgen.’

‘Ben je de dood?’, vraagt mijn moeder verdrietig. ‘Nee ma, ik ben het leven. In ieder geval dat van over dertig jaar.’

Ik hoor mezelf op de achtergrond. Raar, maar voor mijn moeder moet het vreemder zijn.

Ze hangt de telefoon op. Dit heeft geen zin. 

‘Wel een telefoonkaart bij me maar geen guldens’, mopper ik. Dan zie ik mijn ov-studentenkaart in mijn portemonnee zitten. Wat stom. Rennen. Geen poortjes, dat scheelt.

Een trein waarvan de raampjes open kunnen. Dat maak ik nog maar zelden mee. Ik geniet van het geluid van rijden over spoor, de wissels. Veel jonge mensen hebben muziek op hun discman en ik verbaas me er over dat wat nu al niet meer gebruikelijk is toen nog niet bekend was. Men praat, leest van papier, kijkt uit het raam, snoept of slaapt.

De conducteur komt langs, stempelt de kaartjes. Verdomd, ik herken hem nog. Hij groet mij vriendelijk. Hoe zou het hem vergaan zijn? 

De stad zo vanaf het spoor bezien is nog zo anders dan dat hij zou worden. Ik word er melancholisch van. 

Iedereen die ik hier in de coupé zie is in mijn tijd anders, of niet meer. Heel veel gaat anders, of is niet meer. Een oude vrouw zit tegenover mij. Ze kijkt vriendelijk. Iemand van tachtig is nog tijdens de Eerste Wereldoorlog geboren. Ik heb nog twee oma’s, denk ik verrast. Als is de ene dement. In mijn tijd zijn ze er beiden niet meer. 

Zo komen we een half uurtje later op het station van de andere stad aan. Ik neem de bus. Ik geniet van de dieselgeur en voel me schuldig. Wat een heerlijk motorgeluid! Ik heb de buschauffeur gevraagd om bij de gewenste halte te stoppen. Ik ben slecht in routeherinnering. Bang dat de chauffeur het vergeet druk ik een halte te vroeg op de stopknop. De chauffeur ziet het en merkt op dat ik de volgende halte moet hebben.

Daar stap ik uit. Het huis van mijn oom en tante is nu vijf minuten lopen. Ik bel aan en mijn neef doet zelf open. Stapt naar mij toe de straat op, sluit de voordeur en zegt; ‘Je bent verkeerd. We hebben iets in 2026 staan. Kom mee.’

De volgende ochtend, samen met mijn neef aan het ontbijt in een ander land, hotel ‘De Verlossing’, bel ik mijn moeder. Ik vraag haar waarom ze in 1996 dacht dat ik de dood was?’ Aan de andere kant van de lijn blijft het even stil. Dan zucht ze diep en zegt; ‘Niet ‘de dood’ jongen, maar ‘dood’. Jullie zijn vorige week verongelukt. 

Ze huilt en maakt kusgeluidjes door de telefoon. Ik kus terug. Mijn mobieltje raakt leeg. Ik zoek naar haar profielfoto en kijk naar haar vertrouwde gezicht. De verbinding valt weg. Mijn telefoon gaat uit. Mijn uitdoofpunt is daar. Wat dat betreft was ik ouderwets.

De overname

Ik sta voor mijn boekenkast iets uit te zoeken wat ik als project voor de komende tijd zou kunnen oppakken. De Essays van Montaigne waar ik nog steeds niet aan toegekomen ben, Oorlog en vrede van Tolstoj, Doctor Faustus, de roman van Mann die ik nog niet las of de sprookjes van Grimm. Wat ik ook kies, het zal me inspireren. Het zal mijn denken enige tijd sturen.

Als ik mijn keuze gemaakt denk te hebben hoor ik beneden, want ik bevind mij boven in de bibliotheek, een bekende stem roepen die ik zo direct niet kan plaatsen. De derde keer dat ik hoor roepen weet ik wie het is.

Mijn baas. Raar. Wat doet hij hier, bij mij thuis? Wie heeft hem binnengelaten?

Ik roep naar beneden; ‘Meneer Van Roo, wat doet u hier?’ Meneer Van Roo kijkt mij streng aan en zegt dat ik niet moet proberen vrijheden te nemen nu we elkaar in een andere omgeving treffen.

Ik merk dat ik gelijk in mijn normale werkrol schiet en ik vraag hem beleefd waarmee ik hem kan helpen. Zijn blik gaat langs mijn kleding, hij negeert mijn vraag en op zijn beurt vraagt hij waar ik in godsnaam mee bezig ben?

‘Ik ben vrij meneer Van Roo’, antwoord ik. Ik zocht net uit wat ik zou kunnen gaan lezen. ‘Van Heuvelen’, zegt hij; ‘Er valt veel aan je te verbeteren. Waarom hou je je daar niet mee bezig? Ga mij voor. Laat mij je werkkamer zien.’ ‘Bibliotheek meneer’, antwoord ik. ‘Een bibliotheek? Waar heb jij een bibliotheek voor nodig?’ Zijn minachting vult heel mijn ruimte zodat het zijn ruimte wordt. ‘Wat doet die rotzooi op de trap?’, op de trap liggen een paar tijdschriften; ‘Als je je er je nek over breekt dan zit ik met een zieke. Geef maar hier. Ik gooi het straks wel weg.’

Dociel geef ik hem de tijdschriften. Ik vraag me niet eens oprecht af of ik droom en loop de trap op met mijn baas achter mij aan. Heel mijn bibliotheek komt mij opeens belachelijk voor. Schilderijtjes die mij nu tuttig lijken, een geurbuiltje hier, een pop in de hoek. Een bureau met een mooie lamp waarvan mijn baas gelijk zegt dat hij zoiets nog nooit heeft gezien bij iemand in mijn functie. Hij sommeert mij de muziek die opstaat uit te zetten want zo kan hij niet nadenken.

Met zijn voet schuift hij een stapeltje boeken opzij, gaat in mijn bureaustoel zitten, zegt dat ik het bureau wel eens mag opruimen en vraagt hoe de computer werkt omdat hij niet wijs wordt uit wat hij op het beeldscherm ziet.

Ik help hem er mee en hij laat mij inloggen in de werkomgeving van kantoor. Dat duurt even en ik vraag mijn baas of hij een kopje thee meedrinkt. ‘Koffie’, zegt hij. ‘Je weet hoe ik het drink.’

Zenuwachtig zet ik koffie. Wat duurt dat lang als je niet op je gemak bent! Ik schenk koffie voor ons beiden in en voor hem zoek ik een mok uit waar ik weinig herinneringen aan verbonden heb. Boven pakt hij de mok die ik voor mezelf bestemd had uit mijn hand, de mok die ik van mijn vrouw gekregen heb, neemt een slok en merkt verder niet op dat ik mijn koffie anders drink dan dat hij zijn koffie drinkt.

Ik zeg hem dat ik naar het toilet moet en hij zegt dat dat dan maar moet maar dat het niet te veel moet voorkomen. Ik word niet betaald om daar rond te hangen.

Nu zit ik op het toilet en ik weet niet hoe dit verder moet.

Stemmen

Ik ben er mee naar de huisarts geweest. Al dagen hoorde ik spreken. , Boze stemmen, zwaarmoedige, verdrietige.

Het leek mij niet gezond. De huisarts keek mij peinzend aan. ‘U zou teksten kunnen declameren. Heeft u toneelwerken in huis?’ 

Wat een eigenaardig advies maar toneelteksten heb ik. Internationaal nog wel. Wilde, Tsjechov, Heijermans, Schiller; noem maar op. 

Ik vond de opdracht van de dokter helemaal niet onaardig, vermakelijk zelfs. Wat ik er aan zou kunnen hebben wist ik niet maar ik vermoed dat de dokter een weg voor me zocht om de stemmen te overstemmen.

Thuis nam ik Schiller uit de kast, Don Carlos. Ik snapte er geen bal van en ik raakte telkens uit het ritme omdat de stemmen leken te gaan golven. Aanzwellend, afnemend. Ik raakte in paniek. Dit hielp niet. Dit was van de regen in de stortregen.

Snel probeerde ik Wilde, daarna Brecht, Goethe zelfs, Claus. Het was niets. Helemaal niets. 

Tot waanzin gedreven nam ik de bijbel uit de kast, sloeg hem bij Hooglied open en begon invoelend te declamerend. Het hielp niet.

Mann, Grunberg, Bilderdijk; ze deden helemaal niets.

Ten einde raad nam ik de handleiding van mijn elektrische tandenborstel en tot mijn verbazing zwegen de stemmen. 

Ik merkte aandachtig luisteren op. Of ik nou in het Duits, Frans, Deens of Nederlands las, het maakte niet uit. Het bleef rustig.

Ik probeerde de handleiding van het koffiezetapparaat, de televisie; het ging goed. 

Studieboeken dan; niets hoor. Handleidingen, alleen handleidingen brachten de stemmen tot bedaren.

Dit is geen leven zo. De stemmen zijn vreselijk maar het alternatief ook! Radeloos belde ik de klantenservice van Ikea. Het meisje dat opnam was heel begripvol. ‘Ze begrijpen het niet meneer. Dat zijn wij gewend. Hoe ze bij u terechtgekomen zijn weet ik niet maar ik ben er zeker van dat het stemmen zijn van mensen die er in gebleven zijn. Ze zoeken naar een uitweg en als ze iets opmerken dat naar stap voor stap nijgt dan worden ze kalm, dan krijgen ze hoop.’

‘Maar hoe kom ik er van af?’, vroeg ik haar. 

‘Het spijt me meneer’, antwoordde ze. U zult het er mee moeten doen. Leer er mee leven, accepteer het. Draag af en toe een handleiding voor en laat het zijn.’

Ik bedankte het meisje en belde direct de huisarts. ‘Toneelteksten werken niet, handleidingen wel. Hoe kwam u op het idee van toneelteksten dokter?’ ‘Bij mij helpt het’, antwoordde hij. ‘Ik heb nog wel wat handleidingen voor u, heeft u voor mij dan wat van uw toneelteksten?’

De doorn in het vlees

I

Vandaag spreekt Johan in een kleine evangelische gemeente in Dordrecht. Vorige week stond hij in Puttershoek, twee weken geleden in Rhenen. ‘Gods zegen is groot.’ zegt hij tegen zijn vrouw Deborah. ‘Amen?’ ‘Amen!’ kraaien zij en haar peuter. Het is acht uur ‘s ochtends en Johan maakt zich klaar voor de dienst. Gisteren is hij heel de dag in gebed en studie geweest en heeft door de Heilige Geest openheid in het woord van God gekregen; de bijbel. In een visioen zag hij zijn vader die hem riep. Niet zijn Hemelse Vader, nee, Gerard, een Evangelisch voorganger, die alweer twintig jaar geleden met een groepje broeders uit de kerk op evangelisatiereis in Thailand verdwenen is. Er is nooit meer iets van hem vernomen. Tien jaar geleden heeft de moeder van Johan hem voor de wet dood laten verklaren. Johan, is in de voetstappen van zijn vader getreden en reist als jonge voorganger, als gastpredikant van Evangelische kerk naar Evangelische kerk. Johan is er van overtuigd dat zijn aardse vader leeft en zo kwam hij in de droom tot hem. ‘Hij strijdt met zijn medebroeders tegen de macht van het kwaad. Ik zag hem spreken, voor hem macht der demonen, achter hem een engelenschaar die met hem gaat. Mijn vader draagt het licht van Christus in duisternis. Halleluja, God is groot!’

De vrouw van Johan, Deborah, kijkt bewonderend naar het spreken van haar man. Hij merkt het op en zegt; ‘kind, zie niet op mij. Zie op De Heer die mij als spreekbuis gekozen heeft. God heeft een groot plan met deze generatie!’

Hij is nog thuis maar toch is hij alweer vertrokken, denkt Deborah. Oh, ze bewondert haar man maar hij is eigenlijk nooit echt bij haar. Wel lijfelijk, maar de Heer is zo groot in zijn leven dat zij zich soms een Martha voelt, dienend. Als hij haar in de ogen kijkt lijkt hij toch afwezig. Hij omhelst haar maar ze voelt dat het meer uit innerlijk enthousiasme is dan om haar. Maar, hij heeft een belangrijke taak, grote verantwoordelijkheden. God heeft hem gaven gegeven en hij gehoorzaamt. Over haar eigen gaven is ze nog niet zo zeker. Ze kan goed luisteren en ze is gehoorzaam, dat komt goed uit. Niet dat Johan veel van haar vraagt, helemaal niet, maar soms zou ze ook gewoon wat meer op gewone mensen willen lijken. Wat geld om het hier thuis gezellig te maken. Ze zijn hier een jaar geleden ingetrokken en afgezien van de meubels die ze van alle kanten af cadeau kregen hebben ze het huis niet eigen gemaakt. Gewoon nog het oude behang, het laminaat beneden en boven liggen er zelfs kleden op de kale betonnen vloer waar de vloerbedekking door de vorige bewoners verwijderd was. Ze hebben een oude computer, een oude tv, geen stereomeubel, als ze al eens muziek draaien dan is dat via internet. Ze hebben geen andere boeken dan wat bijbels, christelijke lectuur. Johan speelt gitaar, zij harp. Dat is het wel zo’n beetje.

De voor- en achtertuin zijn betegeld. Voor staan twee fietsen, die van hem, een afgetrapte herenfiets, die van haar, een oude damesfiets met een kinderzitje achterop. Voor hun huis geparkeerd staat een oude auto, ze hadden tot God gebeden toen hun vorige auto niet meer door de keuring kwam en gelukkig hadden ze hun gebed met een gemeentelid gedeeld die via via met dit oude exemplaar op de proppen kwam. De Heer voorziet!

Deborah werkt als kraamverzorgster. Nu even wat minder sinds hun zoon David geboren is. Ook zij komt uit een Evangelisch gezin, al speelt het geloof bij haar ouders thuis een minder prominente rol dan in haar gezin met Johan en David. Zij kende hem al van heel jongs af aan in de kerk. Het oudste kind van de voorganger die in Thailand verdwenen is. Ze had medelijden met Johan gehad, hij was altijd zo trots op zijn vader. Gebroken was hij toen die verdween, maar Jezus heeft hem uit de put gehaald en een doodlopende gang ingetrokken, denkt ze wel eens. Goed, hij is gewoon waanzinnig, dat weet ze wel. Ze is niet dom. Maar wat moet ze? Ze hadden zo lang verkering, al vanaf hun zeventiende! Ze had nooit een ander vriendje gehad en de toekomst lag nog een beetje open. Ze wist niet dat hij voorganger wilde worden. Het was dat visioen dat hij kreeg. Hij zag zijn vader en toen was het duidelijk voor hem. Inmiddels waren ze getrouwd en ze was zwanger. Straks, als ze weer meer als kraamverpleegster zou werken, dan had ze ook weer een beetje eigen leven. Dat is, als Johan tenminste geen eigen gemeente zou krijgen. Dan zou ze echt voorgangersvrouw worden en het leven als halve heilige in moeten. Het is niet anders.

II

Johan is klaar met zijn voorbereidingen en maakt zich op om te vertrekken. Zo’n kleintje brengt wat organisatie met zich mee maar hij voelt zich gezegend. Als hij eerlijk tegenover zichzelf moet zijn voelt hij zich vandaag niet zo goed. Hij is gejaagd, altijd maar gejaagd. Satan trekt aan hem, beproeft hem, laat hem maar niet los. Hemelse scharen staan achter hem, dat voelt Johan wel, maar ze kunnen zijn beproevingen niet wegnemen. Daar moet hij zelf doorheen. Hoe hij het ook bij Jezus neerlegt, de rust komt maar niet.

Het begon in zijn tienertijd. Vader was net weg en hij mistte hem enorm. Aan zijn zusjes had hij niet veel. Ze waren te jong en ze waren niet zoals hij was. Bij een vriend thuis op de bank had hij het voor het eerst echt bewust gevoeld. Voor het eerst dat hij er iets aan kon verbinden dat zondig was. Ze keken naar een tienerfilm en hij merkte dat hij de jongen waarover de film ging wel erg graag zag. Dat joch bleef in zijn hoofd zitten en ‘s nachts was hij met een natte onderbroek wakker geworden. Dat was geen plas. Zijn moeder had niets gemerkt want hij had zijn onderbroek in de badkamer uitgespoeld en in de wasmand gegooid, zich van onderen gewassen en een schone onderbroek aangetrokken. Hij was weer gaan slapen maar hij voelde zich schuldig en blij tegelijkertijd.

Later op de middelbare school was er een klasgenootje, Ashwin, dat in de verte op de jongen uit de film leek. Johan deed er alles aan om zijn vriendje te zijn, had zo nu en dan ‘s nachts een natte droom over Ashwin, voelde zich schuldig maar ook blij. Vanaf de derde klas bleef Ashwin af en toe logeren en hij logeerde ook af en toe bij Ashwin. Op een nacht, bij Ashwin thuis, lag Johan wakker en luisterde naar de ademhaling van zijn vriend. Hij lag met zijn matras op de grond naast het bed van Ashwin en hij ging overeind zitten. Ashwin lag op zijn rug en sliep vast. Eerst wist Johan niet wat hij zou doen maar toen zag hij de contouren van de plasser van Ashwin onder de deken. Heel voorzichtig legde hij zijn hand op de plasser van zijn vriend. Er gebeurde niets. Ashwin sliep door. Johan nam zijn hand weg en heel voorzichtig schoof hij zijn hand, zonder het lijf van zijn vriend aan te raken, onder de dekens, richtig Ashwins onderbroek. Nu legde hij zo zacht als hij kon zijn hand op de onderbroek waaronder de plasser van zijn vriend zat. Nu voelde hij de plasser stijf worden en tegelijkertijd werd zijn eigen plasser nog stijver dan die al was. Zachtjes streelde hij de plasser van zijn vriend terwijl hij met zijn andere hand zijn eigen plasser streelde. De ademhaling van Ashwin veranderde, hij werd wakker. Johan trok zijn hand heel snel terug en ging doodstil liggen. ‘Deed jij dat?’, vroeg zijn vriend slaperig en Johan hield zich slapende. ‘Jij deed het!’, zei hij nu hardop en hij boog zich over het matras van zijn vriend. ‘Ik wist het wel.’, zei Ashwin. ‘Nu ben ik geil. Lekker is dat.’

Johan had dat woord wel als scheldwoord gehoord maar zelf had hij het nog nooit gebruikt. ‘Ben je boos?’, vroeg Johan? ‘Nee, ik ben niet boos maar ik vind het wel vreemd dat je dat doet als ik slaap. Zou jij het leuk vinden als ik dat zou doen als jij slaapt?’ Johan dacht dat hij dat inderdaad wel leuk zou vinden en zelf ook zo geil als maar zijn kan fluistert hij;’Ja, ik denk het wel.’

Ashwin pakt de hand van Johan en brengt deze naar zijn inmiddels weer slap geworden lid. ‘Ik ga weer liggen. Wil je nog een keer doen wat je net deed?’, vraagt hij. Johan vecht met zijn geweten, dat deed hij eerder ook maar nu zou er iemand echt in de zonde delen, een getuige van de zonde zijn. Hij kon niet weigeren. Het gevoel was te groot. Jezus kan de pot op dacht hij en hij streelde het lid van zijn vriend weer zacht. Die werd zo stijf als het maar zijn kon. God wat was dit groot! Hij ging naast Ashwin liggen, zijn vriend streelde nu ook zijn lid, strelen werd aftrekken, ze kwamen beiden klaar en veroorzaakten een kliederboel in bed.

Toen kwam de bezinning. De geilheid was uit hun lichamen. De plakkerigheid werd koud. Een half uur van heel stilletjes klooien met verschonen van het bed, zichzelf wassen, irritatie en schaamte tegenover elkaar; het was geen verliefdheid, het was dierlijke lust geweest, het ging voorbij. Ze gingen slapen, Ashwin nam ‘s morgens vervreemd afscheid van Johan en Johan voelde aan dat het tussen hem en zijn vriend eens, maar nooit meer, geweest was.

Ashwin wist dat dit gebeurd was, hij wist het, Jezus wist het maar niemand verder. Johan leefde met de voortdurende angst dat het uitkwam, maar ook met voortdurende angst voor opleven van dit soort gevoelens. Die oplevingen kwamen, waren er voortdurend. Voor Ashwin hoefde hij niet bang te zijn. Die voelde zich minstens even ongemakkelijk en zou er bij volle bewustzijn nooit op terugkomen.

III

Het is half tien. Een half uur voordat de kerkdienst begint. Deborah, Johan en David Zijn voor in de kerk te vinden. Ze bidden een kringgebed met iedereen die deze ochtend bij de totstandkoming van de kerkdienst betrokken is. De oudsten, voorganger, De muziekgroep, zang en zangleider, mensen van de koffie, de nazorg, kinderdienst en crèche. Johan heeft hier vaker gesproken. Hij weet dat hij kans maakt om de ‘mantel van de profeet’ over te nemen maar het werk van broeder Dick is nog niet klaar. Johan weet dat hij niet charismatisch genoeg is om zelf een gemeente op te richten. Gelukkig is er altijd wel ergens gedonder in de Evangelische wereld dus er komt nog wel eens wat vrij. Zo denkt Johan natuurlijk niet, hij denkt oprecht aan hoe Satan telkens weer voorgangers ten val brengt en dat hij klaar is om een stokje over te nemen.

Hij is jong met z’n drieentwintig jaar. Dat maakt hem misschien wel populair onder tieners. Dat streelt hem maar hij weet ook dat het een gevaar is. Zijn vrouw en kind geven hem een zekere vertrouwenwekkende uitstraling naar buiten toe; een jonge maar gesettelde predikant. Zijn voor enthousiasme aangeziene waanzin is groot en hij weet dat hij binnen deze gemeenschap op enthousiasme voor zijn persoonlijkheid kan rekenen. Hoe gekker hoe beter, denkt Deborah wel eens. Met nuchtere voorgangers kom je niet ver. Je moet gevoelig zijn voor de wereld van de magie van het Evangelisch christendom, een beetje naïef zijn ook. Aan een voorganger die nuchterheid boven religieuze gevoeligheid verkiest hebben, wat in de evangelische kerk ‘traditionele kerken’ genoemd worden, meer. Dominees zijn niet wedergeboren, hier noemt zo’n beetje iedereen zich wedergeboren of is op weg via de volwassen doop wedergeboren te worden. Dat is iets anders dan geloofsbelijdenis doen. Volwassen doop is sterven met Christus, je oude ik afleggen en opstaan in een nieuw leven met Hem. Kinderdoop is weer net iets anders. Deborah is als kind gedoopt, dat deden haar ouders voor opa en oma, zelf waren ze toen nog niet tot bekering gekomen al stonden ze nog als lid van de Nederlands Hervormde Kerk ingeschreven, ze gingen alleen nooit, kwamen later tot geloof en Deborah werd op haar achttiende als volwassene gedoopt. Wederdoop. Dat was samen met Johan. Ze schelen twee maanden in leeftijd. Deborah is ouder.

Het gebouw stroomt vol. Een relatief jonge gemeente. Niet bepaald multicultureel. Het is wat velen gezellig zullen noemen. Kinderen rennen heen en weer, tieners staan met elkaar buiten in het voorportaal. Een enkeling rookt. De paar ouderen die er zijn, vaak door een haal en brengdienst van de kerk opgehaald, strompelt met behulp behulp van rollators binnen. Paartjes praten met elkaar. Johan ordent zijn papieren, wordt dan weer door de een, dan weer door de ander aangesproken en Deborah brengt David naar de crèche.

Dan begint de dienst. Wat mededelingen, gebed, zang en nog meer zang, aanbidding door zang en dan is Johan aan de beurt. Hij zit er niet goed in vandaag. Hij spreekt over het huisgezin van God waarmee hij primair deze gemeente bedoelt. Hij knoopt Bijbelteksten uit het oude en nieuwe testament aan elkaar die op zich niets met elkaar van doen hebben maar in een betoog toch leuk in elkaar grijpen. Hij ziet sommige mensen aantekeningen maken, mannen en vrouwen aandachtig luisteren, jonge meiden zich met hun mooie verstilde kopjes op hem richten en hij ziet Jozua. Jozua zijn hemelse duiveltje. Jozua zit zoals hij ongeveer altijd zit waar Johan spreekt, ergens in het midden van de kerkgangers zodat Johan zijn blik onverdacht op hem kan laten rusten. Dat doet Johan dan ook regelmatig en hij verlangt naar Jozua. Jozua vertrekt echter altijd direct na de kerkdienst. Voor de kerkdienst krijgt Johan hem ook nooit te zien. Johan leeft voor Jozua. Hij is zo ver weg maar telkens in de buurt. Jozua is Jezus voor Johan. Een liefdevol gezicht, begripvolle ogen. Als Johan bidt verwart hij Jozua met Jezus. Eigenlijk bidt hij naar hem. Wat maakt het uit. Alleen Johan weet dat en Jezus natuurlijk. Misschien weet Jozua het ook. Als hij Jezus is.

IV

De kerkdienst is voorbij. Het is half een geweest. Er waren weinig mensen afgekomen op de oproep tot gebed of bekering. Alleen een wat achterlijke jongen die hij vorig jaar zelf gedoopt had. ‘Een misverstand.’, fluisterde de jongen toen Johan met hem ging bidden. Geen idee wat die jongen daarmee bedoelde. Johan bad het gebed van de bekeerling met hem en gaf hem over voor een nagesprek achter in de kerk. Later kreeg hij te horen dat de jongen in het nagesprek vertelde dat hij de avond daarvoor in de jeugddienst met een meisje gesproken had die hem op het hard legde minder kritisch te zijn. De jongen was verliefd op het meisje, had nauwelijks naar Johans preek geluisterd en de oproep verkeerd geïnterpreteerd waardoor hij daar stond. Omdat hij daar helemaal alleen stond kon Johan alleen maar exclusieve aandacht op hem richten. Het was een debiele situatie.

Er wordt koffie gedronken. Johan praat met zijn vrouw. Broeder Wiebe breekt even in. De oudsten zijn in het achterzaaltje verzameld. Hun voorganger, broeder Dick is er ook. Of Johan zich even bij hen wil voegen. Johan gaat mee. De kerk is jong, broeder Dick is vijftiger. Hij heeft een jong man naast zich nodig om de gemeente te leiden, om jonge mensen erbij te houden. Na veel gebed en vasten zijn oudsten en voorganger, door wat Christus hen openbaarde, tot het inzicht gekomen dat Johan nu de man is die dan wel niet de mantel krijgt overgedragen maar een mantel krijgt aangereikt om zijn plaats als duo-voorganger in te nemen. Is hij daartoe bereid?

Johan zinkt op zijn knieën neer, roept met zijn armen naar boven uitgestrekt; ‘Vader, Vader’, vouwt zijn handen, buigt met zijn voorhoofd tot de grond en blijft zo zitten. De broeders zien dat hij bidt, zijn lippen bewegen. Dan staat hij op, vraagt of ze zijn vrouw en kind willen halen, sluit ze in zijn armen als ze binnenkomen, zegt Deborah zacht maar voor iedereen hoorbaar wat hem gevraagd is, vraagt of zij naast hem zal staan, beantwoordt haar ja met een kus op haar voorhoofd. Hij kijkt omhoog en zegt; ‘Vader, hier ben ik.’

Alleen Deborah lijkt de theatraliteit van dit alles niet te ontgaan. Broeder Dick kijkt geroerd. De mannen zegenen Johan. De mannen zegenen Deborah. Dicks vrouw en de vrouwen van de oudsten worden er bij geroepen en samen roepen ze de Here met gezang aan. Volgende week, voor de dienst waarin Dick zal voorgaan, zal broeder Johan als duo-voorganger aan de gemeente gepresenteerd worden. Johan loopt op wolken, al wil hij dat niet uitstralen. Deborah slaat de schrik om het hart, al wil ze dat niet uitstralen. Ze gaan naar huis maar eerst belt hij zijn moeder.

V

Johan, Deborah en David komen thuis. Het hart van Johan jubelt, Deborah is ergens bang en David is nog onwetend. De buren rechts zijn ook naar de kerk geweest, de Nederlands Hervormde Kerk, niet wedergeboren dus. Johan groet de buurman die al een tijdje thuis is en in zijn voortuintje met plantjes bezig is. Buurman is niet zo happig op praatjes met Johan. Hoewel hij een aardige bijbelkennis heeft, komen de teksten met boeken in de bijbel waar ze in staan Johan naar zijn zin iets te makkelijk uit de mond rollen. Toen Johan en Deborah hun buren werden sprak hij de eerste keer dat het er op kwam en bij Johan is dat ongeveer binnen vijf minuten, vrij en uitgebreid over het geloof. Daar had buurman een onbevredigd gevoel aan overgehouden. Deborah had er verlegen bijgestaan, zijn eigen vrouw was na een kwartiertje wijselijk naar binnen gegaan om eten voor te bereiden. Zo stond hij met Johan en Deborah en op een gegeven moment kreeg hij het gevoel dat ze met hem wilde bidden. Dat werd hem te gortig en met verlegen afweren had hij zich uit de voeten gemaakt; zogenaamd zijn vrouw helpen met aardappels schillen.

Johan groet de buurman die even geen kant op kan omdat hij met een bak vol stekjes op z’n knieën zit. ‘Goedemiddag buurman, bent u weer van die mooie tulpen aan het planten als vorig jaar?’, zegt Johan. Nee imbeciel, denkt buurman, dit zijn viooltjes. Maar hij zegt; ‘Nee jongen, dit zijn viooltjes, tulpenbollen zaten er dit jaar niet in.’ David kijkt even, de buurman zwijgt maar neemt wel een houding aan die een gesprek niet uitsluit. Johan weet verder eigenlijk niet wat hij moet zeggen, buurman heeft geen zin om iets te zeggen. ‘Nou, succes dan maar hoor buurman.’, zegt Johan en hij trippelt de drempel van de voordeur over. De buurman groet terug en hij is blij dat er geen gesprekje op gang kwam. Johan voelt zich wat verslagen. Het was het woordje ‘jongen’ dat de buurman zei dat hem van slag bracht. Hoe kan je daar vanuit nog op een volwassen manier meedelen dat je duo-voorganger geworden bent. Hij voelt zich nu ook echt een jongen, kijkt met David op zijn arm in de spiegel in de gang en zegt; ‘Jozua.’ Hij schrikt er zelf van. David kraait nu Jozua, Jozua. Johan probeert hem af te leiden en stapt vanuit de hal de keuken in. Deborah smeert boterhammen en heeft niets gehoord of doet of ze niets gehoord heeft.

‘S avonds laat kan Johan niet slapen. Hij is onrustig en zijn neiging speelt op. Hij sluipt uit bed, Deborah slaapt, doodop van het jonge moeder zijn. Hij sluipt naar beneden waar de computer staat. Met alleen het licht van het beeldscherm aan zoekt hij naar homoseks. Uit ervaring weet hij dat hij beter aan zijn neiging kan toegeven dan er tegen strijden. Niemand, niemand weet dit. Alleen Jozua maar van Jozua heeft hij niet te vrezen. Met zijn broek op zijn knieën en zijn lid in zijn hand zoekt hij zijn favoriete filmpje op. De buurman komt thuis van het uitlaten van zijn hond en ziet door het dunne gordijn het silhouet van Johan achter de computer klaarkomen. Hij heeft een kalme, milde natuur en heeft met deze jongen te doen. Waarop Johan klaarkwam weet hij niet maar iets in het zijn van Johan stuurt zijn vermoeden in de juiste richting. Toch wil hij Johan waarschuwen en slaat de voordeur iets harder dicht dan normaal. Dit moet Johan horen en dat doet hij ook. Het triggert hem. Hij wacht een paar minuten en sluipt naar buiten. Vanaf de straat ziet hij door het licht van het computerscherm een deel van de kamer in silhouetten. Hij realiseert zich dat hij als een wajangpop moet zijn bezig gezien. Zekert weten dat de buurman of buurvrouw, of wie meer, hem gezien hebben heeft hij niet maar een diepe angst komt over hem. Hij sluit de computer af en vergeet zijn zoekgeschiedenis te wissen.

De volgende dag, hij slaapt nog, wil Deborah wat lieve liedjes voor David via de computer opzetten, als ze de zoekgeschiedenis van Johan ziet. Ze is verbijsterd. Dat had ze niet van hem verwacht. Ze huilt als ze de geschiedenis wist. Hij moet niet weten dat ze dit zag.

Johan roept van boven of even een schroevendraaier uit de schuur wil halen. Als ze weer binnenkomt loopt Johan van de computer weg. Hij zegt niets, is niet boos maar zij weet dat hij weet wat zij gezien moet hebben. Dat klopt. Johan verzint smoesjes die hij niet uitspreekt, Johan denkt er aan om open kaart te spelen, Johan bidt eerst tot God en Johan weet het gewoon niet. Hij blijft uren op zijn kantoortje boven, eet niet, drinkt niet, totdat Deborah zonder kloppen het kamertje binnenloopt, zijn hoofd tussen haar armen neemt en zegt dat buiten hij en zij niemand hier ooit van hoeft te weten. Een voorganger die nog voor zijn inzegening valt kan ze niet hebben. In die schaamte wil ze niet meegetrokken worden. ‘De buren weten het misschien.’, snikt hij. ‘Mijn God,’, zegt ze; ‘dat kan er ook nog wel bij! We gaan dit samen doen!’ Johan kan niet anders dan zich overgeven. Het lucht hem op maar hij weet ook dat zijn vrouw nu iemand voor hem is om rekening mee te houden. Hij is chantabel binnen het huwelijk. ‘Ik weet ook van Jozua.’, zegt ze. ‘Hoe?’, roept hij terwijl hij achteruit deinst. ‘Je praat in je slaap jongen. Nooit over Jezus, altijd over Jozua. Je zag hem gisteren en dat zag ik. Er zijn geen geheimen meer, hoop ik.’ ‘Er zijn geen geheimen meer.’, antwoordt Johan en hij denkt aan dat ene geheim dat hij nooit zou delen. Met niemand. Dat geheim is dood!

VI

‘Is Jezus nog wie hij altijd voor je was?’, vraagt Deborah hem een paar dagen later. ‘Ja natuurlijk.’, antwoordt Johan. Misschien hou ik wel meer van hem dan dat jij doet, juist om wat ik ben. Ik bedoel niet, zie het niet als slecht, maar ja.’ ‘Maar hij keurt dit toch af?’, antwoordt Deborah. ‘De apostel Johannes hield van Jezus en Hij hield van Johannes. Daar hou ik het bij.’, zegt Johan. ‘Hoe kun je je in de kerk nog tegen homoseksualiteit uitspreken als je het zelf bent?’, vraagt Deborah. ‘Ik ben niet homoseksueel Deborah, de duivel valt mij er mee aan. Het is niet van mij, het is van de duivel. Soms is de duivel, de zonde, te sterk. Ik ben een man van God en ik word krachtig aangevallen. Juist op waar ik tegen ben. Maar God is barmhartig. Ik breng mijn zonde bij hem en hij wast mij witter dan sneeuw. Ik zal altijd tegen homoseksualiteit zijn want het is niet van mij, het komt van de duivel. Als ik homoseksuele daden verricht dan ben ik zwak, maar God vergeeft. Juist mij, omdat ik hem dien. Ik ben niet vrij van de aanvechting maar wel vrij van de schuld. Hij heeft mij aan het kruis vrijgekocht en dat is de zekerheid waarop ik sta.’

‘Dat is wel heel makkelijk.’, zegt Deborah maar ze ziet aan zijn gezicht dat ‘de waarheid’ hem in zijn greep heeft. Hij is zo makkelijk, denkt ze. Alles dreigt als een kaartenhuis in te storten maar hij heeft zichzelf al weer bij elkaar gepakt en ik zie geen enkele deemoedigheid meer. Straks is hij er nog blij mee ook. ‘Ik heb een doorn in mijn vlees Deborah. Paulus schreef ook over een doorn in zijn vlees.’ Deborah wist nu hoe ver het was. Hij zou in elke spreekbeurt vrijmoedig over de doorn in zijn vlees spreken, maar niet uitspreken wat die doorn dan wel is. Het zal hem Evangelische streetcredit geven. Hij zal er zijn voordeel mee doen. Zo lang ik, of een buurman of zoiets hem niet verraad zit hij goed. Daar heb ook ik belang bij. Ik blijf zijn vrouw. ‘En Jozua Johan, wat moet je daarmee?’ ‘Jozua is er steeds maar is ook ver weg. Hij is het begin en het einde van mijn denken. Hij is de belichaming van Jezus voor mij. Zonder aan hem te denken kan ik niets. Hij helpt mij er doorheen. Juist omdat ik hem niet meer spreek kan hij Jezus voor mij zijn. Dat is geen homoseksualiteit. Dat is houden van.’ ‘Maar ik dan Johan, wie ben ik dan voor je?’ ‘Mijn zuster Deborah, de spreekwoordelijke dienstmaagd. Ik hou van je met Zijn liefde. Dat moet genoeg zijn. Dat is alles.’ ‘En ik dan? Heb ik geen recht op het verlangen van een man? Heb ik er geen recht op om zelf te verlangen?’ ‘Dat is het kruis dat je te dragen hebt Deborah. Het zal nooit te zwaar zijn want Jezus geeft je niets dat te zwaar is.’ ‘Ik weet het niet Johan. Jij hebt altijd overal een antwoord op. Het klinkt heel logisch wat je zegt maar ergens is het niet eerlijk.’ ‘Het zijn woorden van God. Hij besluit wat goed is en wij hebben te gehoorzamen. Juist als het moeilijk is. Ik wil nu niets meer van je horen. We moeten allemaal onze plaats kennen en ik ben het hoofd van dit huisgezin. Zorg er voor dat ik in rust kan werken. David huilt. Ga nu maar.’

Deborah gaat, het tot ruzie laten komen heeft geen zin. Toen ze net getrouwd waren hadden ze flinke ruzie gekregen. Dat had een paar dagen geduurd, totdat er een paar vrouwen van oudsten uit de gemeente voor de deur stonden om met haar in gebed te gaan. Johan had zijn verdriet met oudsten gedeeld en zij deden wat goede broeders en zusters dan doen, de weerspannige pacificeren. Ze was zo overdonderd geweest dat ze het had laten gebeuren. Wat moest ze anders? Opstandig zijn? Nee, dat was geen optie. En nu, een paar dagen nadat zijn gevoelens waren uitgekomen voelde ze iets van gelijkheid. Hij leek respect, achting voor haar te hebben maar de gekte had de overhand weer genomen en hij haalde kracht uit zijn zwakte. Voor haar is dit uitzichtloos, voor hem een verrijking.

VII

De moeder van Johan en haar dochters komen net voordat de kerkdienst begint het gebouw binnenlopen. Hun tegenzin is groot maar wegblijven is geen optie. Sinds het verdwijnen van haar man noemt zij zichzelf geen christen meer en haar dochters zijn er amper in opgegroeid en hen zegt het allemaal niet bijzonder veel. Toch een beetje bang dat haar dochters door het geloof gegrepen worden is Cleo, want zo heet ze, bang voor wat komen gaat. Ze weten in dit soort kerken zo sterk op de emotie in te werken. Wat ongerust, met aan beide armen een dochter, stapt ze de kerkzaal door. Ze nemen zonder verder dan de ontvangstdame bij de ingang van de kerk door iemand aangesproken te zijn plaats op de gereserveerde plekken vooraan. Vier plekken terwijl ze toch met hun drieën waren. Ze kon zich niet voorstellen dat hun zoon bij hen kwam zitten en dat deed hij ook niet. Een nogal charismatische jongeman van rond de vijfentwintig jaar neemt plaats naast haar oudste dochter die rechts van haar moeder zit. Hij kijkt heel blij maar hij maakt eigenlijk geen contact anders dan een vriendelijke hoofdknik als hij naast hen plaatsneemt. A

Naomi is wel van hem gecharmeerd, al voelt ze dat hij zo ontspannen naast haar zit dat ze zich in haar vrouwelijke waardigheid voelt aangetast. Ze weet dat de meeste jongens toch enigszins verlegen zijn als ze zo maar een poos naast haar plaatsnemen. Ze voelt absoluut geen spanning van zijn kant wat het pleziertje dat ze zichzelf in haar hoofd had gehaald toen hij aan kwam lopen wat verpest. Aan de andere kant van het pad waaraan ze zitten was een jonge vrouw aan de dienst voorafgaand blijkbaar diep in gebed verzonken. Later deed ze eigenlijk redelijk opvallend aan de dienst mee. Poseur, denkt Cleo. Een beetje het devote meisje uithangen en ondertussen zo gekleed zijn en bewegen dat de jongens achter en naast je amper met Jezus bezig zullen zijn. Nee, Cleo hoeft tenminste niet bang te zijn dat haar dochters naïef recht in het vissersnet zullen zwemmen.

Johan wordt ingezegend, moeder en zussen hoeven goddank niet op het podium te komen. Johan houdt een preek waar zijn zusjes geen touw aan vast kunnen knopen. Ze hebben geen kaas gegeten van Evangelische retoriek. Vrijgekocht door het bloed van het lam roept bij hen associaties met voodoo op wat hier toch niet de bedoeling kan zijn. Cleo zelf vermaakt zich met de vele clichés waarin haar zoon spreekt. Geen zoon van zijn moeder denkt zij vergenoegd en ze voelt zich gelijk schuldig omdat ze het denkt. Hij kijkt telkens naar hen, denkt ze. Toch ontmoeten zijn ogen nooit de hare. Kijkt hij nou voortdurend naar zijn zus? Nee, toch niet. Cleo kijkt naar rechts en ziet het blije gezicht van de jongeman. Hij ook, schiet door haar hoofd. Johan Toch! Geen twijfel over mogelijk. Haar man. Hij heeft het van hem, maar, wat kan het haar eigenlijk schelen. Een interessante situatie. Ze is benieuwd hoe dit zich gaat ontwikkelen.

VIII

Jozua zit op een bankje in de binnenstad. Johan heeft hem gebeld. Hij moet praten. Jozua snapt dat het er eens weer van moest komen. Drie jaar geleden is het nu dat ze elkaar op een jonge evangelisten weekend ontmoetten. Waar Johan zijn roeping bevestigd zag wist Jozua dat hij een groter man Gods was. Hij is een leider van leiders. Hij zegt niet veel. Hij kijkt, straalt liefde en vertrouwen uit. Met een enkele voorganger heeft hij een wat inniger relatie. Zij vinden hem. Zo ook Johan.

Ze zitten op een terras. Beiden met een glas fris voor zich praten ze. Dat wil zeggen, Johan praat, Jozua luistert en stelt af en toe een vraag. Zonder het zelf te weten voert Jozua een socratisch gesprek met Johan. Het charisma van Jozua heeft Johan volledig in de ban. Verliefdheid jaagt door zijn lichaam en hij durft bijna niet een tweede glas fris voor te stellen omdat hij bang is dat Jozua dat zou weigeren. Als hij het dan eindelijk voorstelt weigert Jozua inderdaad vriendelijk. Dit betekent dat hun ontmoeting tot een eind komt. Met een gevoel van spijt neemt Johan afscheid en fietst intens verlaten naar huis waar David op het kleed speelt en Deborah aan het koken is. ‘Was het fijn Johan?’, vraagt ze. Met een grote snik zegt hij dat hij zich zo ontzettend verlaten voelt. ‘Moet je hem dan nog wel zien jongen?’, zegt ze. ‘Wat kan ik anders Deborah.?, zegt hij; ‘Hij houdt niet van mij zoals ik zou willen en dat doet ontzettend pijn. Hoe leef ik dit leven in deze kramp? Ik probeer me op Hem te richten maar als ik de andere Hem gezien heb weet ik het niet meer. Hij weet het misschien niet eens. Als ik bij hem ben dan is het goed maar ik word ook al verdrietig bij de ontmoeting omdat het afscheid telkens zo erg is. Ik moet het bij Jezus neerleggen. Dat ga ik nu doen.’

Deborah heeft intens medelijden. Jaloers op Jozua is ze niet. Haar man voelt niet meer als haar man. Sinds die ochtend, toe ze zijn geschiedenis zag, is hij een gewond vogeltje voor haar. Even had hij zich nog met nieuw zelfvertrouwen opgeblazen maar nadat hij Jozua op de eerste rij zag was hij alleen nog afhankelijk van wat hij zijn vriend noemt. Zij vindt Jozua geen vriend. Jozua is een charismatische psychiatrische patiënt met een Messiascomplex. Haar man mankeert ook wat. Ze weet het zeker. Alleen onderdrukking van homoseksualiteit kan het niet zijn. Die waanzin die hij in zijn ogen kan hebben als hij in zijn glorieroes zit. Daar viel ze ooit voor. Ze dacht dat het levenslust was maar het is overspannen. Wat kon ze weten. Ze was nog zo jong.

IX

Een klap op het plaatsje achter. Johan is gesprongen! Ze weet het gelijk. Ze rent naar buiten en stort zich op zijn lichaam. ‘Grote God, wat heb je gedaan!’, roept ze. Hij leeft, dat ziet ze wel maar er moet hulp komen. De buurman komt zijn achtertuin in lopen, gaat achterlangs, komt hun tuin in gerend en roept; ‘Bel de ambulance Joke.’ De buurvrouw, Joke, staat al met haar telefoon in haar handen, eigenlijk te onrustig om fatsoenlijk te communiceren. De buurman rent terug naar haar en neemt de telefoon over. Het is te laat. Johan krijgt een akelig witte kleur. Zijn pupillen wijzen naar boven. Deborah drukt nog op zijn borst maar zijn ribben lijken wel allemaal gebroken. Ze schreeuwt wat ze nog nooit geschreeuwd heeft. De ambulance daar. Voor hem kunnen ze niets meer doen. Zij moet verder; ‘godverdomme!’

Date in den vreemde

I

Ik ben op vakantie in Noord-Duitsland. Bij de fietsenverhuur op het station van Travemünde, de kustwijk van de Noord-Duitse oude Hanzestad Lübeck, zie ik een vrouw op een fiets wachten. Ze intrigeert me. Ik denk dat ze achter in de dertig is, een meisje, nog steeds. Ze heeft een lichtgele rok aan, een wit coltruitje, daaronder leuke kleine borstjes en lang, donkerblond, loshangend haar. Ze heeft mooie, natuurlijke volle wenkbrauwen, heel lichte grijsblauwe ogen, een smalle maar kloeke neus, een brede mond met volle lippen en een kaaklijn die niet opvalt maar het geheel mooi complimenteert. Verder is ze vrij lang, slank en relatief breed geschouderd. Haar manier van bewegen is wat jongensachtig en dat maakt haar voor mijn gevoel authentiek.

De eigenaar van de fietsenverhuur neemt zijn tijd. Er staan heel wat mensen die op deze schitterende dag de kustroute willen volgen. Hij behandelt elke klant of het de enige die dag is met aandacht. Een grapje, verhuurformulier opzoeken, nog even terug voor een pen, de fiets pakken, zadel afstellen, zelf een proefrondje op fietsen, de klant er een proefronde op laten fietsen, een slot pakken, het slot uitleggen, een kaart pakken, vragen waar de klant naartoe wil, de route die duidelijk aangegeven staat uitleggen en tenslotte in alle rust afrekenen. Borg is niet nodig.

Zij merkt op dat ik Nederlander ben als ik voor haar groepje aan de beurt kom. Twee Nederlanders tussen de Duitsers wekt de behoefte aan een praatje in de eigen taal op en zij trekt mijn aandacht als de fietsenman zijn proefrondje rijdt. ‘Hoi, ik hoor aan je accent dat je ook Nederlander bent.’ Ik neem mijn zonnebril af om haar aan te kijken terwijl ik mijn Nederlanderschap glimlachend bevestig. ‘Je viel me al op’, zeg ik. ‘Wat leuk! Ik ben Anna’, antwoordt ze en ze ze steekt haar hand uit om mijn hand te schudden. Ik schud haar hand dankbaar met haar enthousiasme. Ik stel mezelf voor vraag en vraag haar hoe ze in Travemünde verzeild geraakt is. Ze blijkt normaal ‘s zomers zeilinstructrice in het Zeeuwse stadje Veere te zijn en door Duitse toeristen die ze de vorige zomer les gegeven had uitgenodigd te zijn om het enorme stalen zeilschip ‘Passat’, dat in de haven van Travemünde ligt, te bezoeken. Aangezien ze een liefhebber van de in Lübeck geboren schrijver Thomas Mann is, had ze besloten om een bezoek aan zijn geboortestad met de uitnodiging van de toeristen te combineren.

Ik vertel haar dat ik simpelweg een dartpijltje op de landkaart van Europa gegooid heb. In de buurt van Lübeck had het pijltje zich in de kaart geboord dus het werd Lübeck. Anna zegt dit ontzettend banaal te vinden maar ik zie dat ze toch geamuseerd is. Ik vertel haar dat ik geoloog ben. ‘Dit is mijn vakantie. Ik leef in een woongroep van oud studenten van mijn vroegere, nogal alternatieve, studentenvereniging. Alleen op vakantie voelt als even echt vrij zijn van de groep. Daar heb ik echt behoefte aan.’ Anna knikt mij aanmoedigend toe.

‘De laatste tijd voel ik dat ik de idee van een woongroep ontgroeid ben, dat ik steeds meer mijn best moet doen om mijn deelname aan het groepsgebeuren ongecompliceerd te laten lijken. Ik ben geen mens voor gedoe en ik doe mijn uiterste best om niet in gedoe betrokken te raken. Zonder dat andere woongroepgenoten er van af weten staat ik voor een huurwoning ingeschreven. Ook een kamer zou ik accepteren, maar het schiet niet op.’ ‘Je hebt al een poosje met niemand gesproken denk ik zo, Simon.’, merkt ze op. ‘Dat klopt’, zeg ik. Ik voel me een beetje betrapt en ik glimlach tegen haar.

Praten, tja, ik heb vriendin, al is het inmiddels alleen in naam. Na haar studie vertrok ze voor een promotietraject naar Berlijn. Aanvankelijk vond ik dat heel moeilijk. Ik had geen gelegenheid haar te volgen en na het eerste jaar veel gereis, vooral van mijn kant, heel veel bellen, vooral door haar, vooral om als uitlaatklep voor haar gevoelens, was er de klad wat ingekomen. Het is nu bijna twee jaar geleden dat ze vertrok en vooral op Facebook zie ik dat ze het met een klein groepje mensen gezellig heeft waarbij één man wel heel vaak op de foto staat. Te vaak naar mijn zin.

II

De fietsenman geeft mij mijn fiets. Anna vraagt mij waar ik heen zal fietsen en ik antwoord dat ik een stukje langs de kust wil gaan. Het land ligt aanzienlijk hoger dan het water weet ik en ik ziet uit naar mooie uitkijkpunten. Gewoon eigenlijk wat fietsen en daarna nog even het stadje in. Zij vraagt mij of ik geen zin heb om samen met haar en de groep het zeilschip te bekijken. Hoewel ik daar wel degelijk zin in heb zeg ik toch dat ik liever een stukje fietst. Onverwacht legt zij haar hand op mijn hand, kijkt mij lachend aan en zegt dat ze hoopt dat ze mij nog zal tegenkomen. Dan wordt ze door de fietsverhuurder aangesproken, in beslag genomen, en ik fiets met een gevoel van spijt weg.

Ik ga de lange straat richting de boulevard in. Waarom sluit ik mij niet bij de vrouw en de groep aan? De vrouw! Ik weet niet eens hoe ze heet. Hoe groot is de kans dat ik haar nog tegenkomt als ik niet direct naar het zeilschip ga of bij de fietsverhuur op haar blijft wachten? Die hand op mijn hand. Wat een toenadering! Het verwart me. Terug gaan? Voor haar zou ik het wel willen, maar ik zie die groep Duitsers niet zitten. Toch? Nee, ik ga wel terug. Het heeft totaal geen zin om nu te gaan fietsen. Het is raar maar de rust is uit m’n donder. Durf ik het denken; zonder haar is er geen donder meer aan? Hoe kan dat nou zo snel? Is dit het dierlijke? Is dit op slag verliefd zijn? Is het eenzaamheid die keihard doorbreekt en is zij de mogelijke verlosser?

Ik zet er de vaart in. De verhuurder is nog met de fietsen van de groep bezig. De vrouw ziet mij aankomen en zwaait. Waarom ben ik zo krankzinnig opgetogen? ‘Hoe heet je’ vraagt ik als ik met mijn fiets naast haar kom. Zij lacht en noemt nogmaals haar naam; ‘Anna, ik heb me net aan je voorgesteld. Ben je het nou alweer vergeten?’. Ik stel mezelf ook voor en zij schudt haar hoofd; ‘Simon, jongen, dat weet ik toch!’ Ik geneer me kapot. Ze moet wel heel goedhartig zijn als ze mij niet volstrekt belachelijk vindt. ‘Ga je toch mee?’ vraagt ze. Dat lijkt mij toch geen goed idee want ik zie een van haar groepsgenoten wat grimmig naar me kijken. ‘Dat wordt geen leuke middag zo.’ zeg ik en ik knik met zijn hoofd richting de man die nu wegkijkt. ‘Ach wat’, zegt Anna; ‘dat is Werner. Hij heeft vannacht bij mij geslapen en sommige jongens worden daar wat bezitterig van. Dat kan ik mij wel voorstellen en ik probeer mijn jaloersheid jegens Werner met een glimlach te maskeren. Een glimlach die mij als gegoten zit, die heb ik vaak ook in de woongroep ingezet.

‘Wat doen we’ zeg ik. Anna glimlacht en herhaalt het woordje ‘we’. ‘We bevalt me’ antwoord ze. Ik druip bijna van sentimentaliteit. Het voelt allemaal als zo verdomd tintelend. Misschien ook net of ik als planeet een nieuw onbekend sterrenstelsel in duik. Een geestelijk orgasme en in mijn broek een kloppend lid dat goddank niet opvalt omdat ik achter mijn fietszadel sta. ‘Vanavond een hapje en een drankje in mijn hotel, is dat een idee?’ vraagt ze. Ik ben blij, maar verschuil me achter een meer hoffelijke, dan blije, glimlach. Zij noemt mij de naam van haar hotel en we spreken af elkaar daar om zeven uur te zien. Dan fietst ze weg en ik besluit me op ontspannen van mijn zinnen te concentreren.

III

Ik kies het fietspad langs het water in de tegenovergestelde richting van het zeilschip. Broodjes en een flesje water heb ik mee, gekocht in een supermarkt onderweg van mijn hotel in Lübeck naar het station. Zo’n zin als ik vanmorgen in dit tripje had, zo’n onrust beroert mij nu. Het is de kunst om de onrust weg te laten vloeien. Hoe? Ik fiets een heel eind tussen boomgroepen en langs velden die aan mijn linkerhand liggen. Het parcours is heuvelachtig. Ik stop, doe oordopjes in en zet de eerste symfonie van Mahler op. De magie van het openingsdeel wordt sterker dan mijn onrust. Net voorbij een boerderijachtige woning kan ik via een lange stalen trap naar het water. Er is hier geen strand. Keien en kiezels, betonnen richels en een doodkalme Oostzee.

Ik ga op een richel liggen. Even verderop lopen wat mensen, stelletjes zo te zien. Hoe had ik kunnen denken dat alleen weg zijn iets voor mij was? Ik ben een groepsmens, daarom in eerste instantie ook de woongroep. Alleen zijn betekent gedachten de vrije loop bieden. Ik heb sturing nodig. Niet voor het dagelijks leven, maar voor de geest. Ik vind het een problematische gedachte, maar met een ander bij me voel ik me het meest mezelf. Dat ik überhaupt, zonder concreet doel, in mijn eentje naar Lübeck reisde! Met een vriendin, of vroeger met vrienden, voel ik mij overal thuis. Thuis bij mezelf eigenlijk ook. Ik weet nog hoe het met Elza, in naam nog altijd mijn vriendin, was als we in een hotel overnachtten. Samen in bed voelden we ons overal thuis.

Elza was aanwezig. Ze was de storm waarbij ik juist door haar onrust in het oog rust vond. Zoals je op je lijn let wanneer iemand in je buurt zich onverschrokken laat gaan, minder drinkt als je je tussen pathetische alcoholisten weet, juist een drankje neemt als iedereen voor appelsap gaat.

Elza, uit Brabant. Lohengrin. Ik vond het leuk om haar zo aan te spreken. Ik was er vooraf al bang voor dat haar promotietraject in Berlijn onze relatie zou schaden. We pasten echt goed bij elkaar maar dat ging op voor de Elza uit Brabant. Elza in Berlijn maakt van alles mee zonder mij. Daar kunnen we beiden niets aan doen. Ik voel het als het lot. Krampachtig vasthouden aan de relatie wil ik niet. Dat stuit mij tegen de borst. We kwamen laat bij elkaar, onze wegen kruisten.

Ik heb Anna net verteld dat ik geoloog ben. Dat ben ik niet. Ik ben schrijver. Eigenlijk journalist voor een regionaal katern van een landelijke krant. Ik studeerde geschiedenis, in Utrecht, en daar woon ik in de woongroep. Ik leef voor literatuur. Ik vond het een beetje creeperig om gelijk zoiets groots met Anna gemeen te hebben, daarom presenteerde ik mezelf als geoloog. Dat van het dartpijltje op de Europese kaart was wel waar. Waarom ik dat nou gedaan had, het zit niet in mijn natuur. Dat was het lot.

De zon schijnt, het is bijna drie uur, wat dunne bewolking, zacht over kiezels kabbelend water. Zeilbootjes buigen af naar de haven van Travemünde of komen juist vanaf de haven de zee op die eigenlijk nauwelijks zee genoemd kan worden. De steile zanderige helling waarlangs de trap omhoog leidt biedt boven een wankele basis aan bomen die er uit zien of ze elk moment naar beneden kunnen storten. Een koel windje maakt het aangenaam. Het is een graad of vierentwintig. Met mijn telefoon in mijn hand twijfel ik. Zal ik Elza bellen? Van het telefoongesprekje laten afhangen hoe ik de avond in ga? Ik heb haar al drie weken niet gesproken. Ik belde niet, zij evenmin. Ik zat wel op een berichtje van haar te wachten. Als ik contact op zou nemen zou ik niet weten of zij dat nog zou doen. Niets bindt haar aan mij. We woonden niet samen, niets van betekenis dat van haar is heb ik op mijn kamer. Wat ondergoed, een jurkje, maandverband, deodorant en een tandenborstel voor als ze zou besluiten om bij me te blijven slapen. Ze heeft het zelf bij me achtergelaten, toen ze nog in Nederland woonde. In Berlijn heb ik niets liggen. Daar blijf je niet plotseling slapen. Dat plan je.

Ik bel. Elza neemt enthousiast de telefoon op. Ik zeg; ‘Vind je het goed als ik vanavond bij een andere vrouw blijf slapen?’ Gelijk daarna zeg ik dat ik haar mis. Het is even stil. ‘Ik mis je ook Simon, maar ik mis je als een vriend’ zegt ze met een zucht. Het blijft weer even stil waarna zij zegt dat ze geen spijt heeft maar dat ik gelijk had met mijn zorg over uit elkaar groeien. ‘Ken je die Film, Manhattan, Woody Allan met dat veel te jonge meisje, die actrice, Mariel Hemingway? Tracy, zo heet ze in de film, gaat voor een theateropleiding, meen ik, naar Londen, hij, Isaac, ziet dat niet zitten want dan zouden ze uit elkaar groeien. Zij vindt dat hij wat vertrouwen moet hebben. Ik dacht ook zo over ons. Simon, wij hebben een geschiedenis samen, nog niet zo’n lange geschiedenis maar we hebben het verleden. Laat het ons niet binden. Jij wil de nacht met een andere doorbrengen. Als je dat echt wilt dan ben ik daar blij mee. Laten we vrienden zijn. Is dat goed?’

Ik denk kort na. Daar zit ik dan. Ik bel mijn vriendin op het kruispunt van relaties. Ze is vriendelijk, lief zelfs. Ze heeft mij ongetwijfeld niet gevraagd of ze het bed met een ander mocht delen. Dat doet ze, denk ik, al. Ik voel me in de getrooste positie, daar zit ik eigenlijk ook in maar dat is ongemakkelijk. Een aai over mijn bol heb ik weliswaar nodig, maar ik vind het knap vernederend. ‘Dat is goed.’ zeg ik met vaste stem, vriendelijk rustig maar beslissend. ‘Je bent een leuke meid Elza. Tot ziens.’ Direct hang ik op, blokkeer haar nummer en verwijder het van mijn telefoon. Ik wis mijn berichten over en weer met haar en verwijder de sms-berichtjes van gemiste oproepen uit het verleden. Ik log uit bij sociale media waar zij ook op zit. Ik moet me echt voor haar afsluiten. Ook al heb ik geen hoop dat ze me nog een berichtje zal sturen, de mogelijkheid om mij nog een bericht te sturen mag er niet zijn. Niet uit wraak, maar om mijn geestelijke gesteldheid te beschermen. Alleen op deze manier kan ik echt verder. Los van haar, open voor een ander. Is dit normaal, zo snel, zo abrupt? Het voelt raar. Hoewel ik natuurlijk niet weet of er iets tussen Anna en mij zal ontwikkelen, mengen gevoelens van verlatenheid en verwachting. Is het mogelijk, probleemloos wisselen? Ik probeer voor zichzelf helder te krijgen of mijn gecharmeerd zijn van Anna voortkomt uit een onbewust gevoel van Elza missen, of dat Anna iets in mij oproept ondanks mijn, tenminste in naam, verbonden zijn met Elza. Een cruciaal verschil. Vind ik Anna om haarzelf interessant, of als compensatie voor Elza? Echt met Elza bezig was ik de laatste tijd niet. Ik werd door werk in beslag genomen. Stomvervelend werk. Ik had zelfs nauwelijks rust om te lezen en van werken aan mijn literaire verhalen kwam het al helemaal niet. Als ik Elza al mistte, dan was dat onderbewust. Ik slaap goed en heb zin. Bijvoorbeeld in deze vakantie, al heb ik Lübeck na deze paar dagen ook wel gezien.

IV

Tijd om verder te gaan. Ik verlaat mijn plek aan het water en fiets naar de verhuur bij het station terug. In de hoofdstraat naar het station neem ik nog een biertje. Vanaf het wat onbetekenende terras met voornamelijk oude Duitsers, heb ik uitzicht op het station. Rond kwart over vier fietsen de Duitse mannen met Anna langs. Ze zien mij niet en zo observeer ik Anna. Over twee en een half uur zullen we elkaar in het hotel begroeten. Ik ben benieuwd en vind het maar wonderlijk. Nu niet nog een biertje nemen. Het gevoel van magie mag geen aangeschoten zijn worden. Dat zou de avond niet helpen, zeker niet als zij niet met mij opdrinkt. De groep oogt wat futloos. Het valt mi nu op dat er eentje bij is die niet helemaal goed is. Gewoon zijn houding, die is anders. Ze verdwijnen in het station. Ik zal de volgende trein nemen. Een begroeting waar de mannen bij zijn lijkt mij niet wenselijk.

Over een paar uur zal ik met een vrouw eten die ik absoluut niet ken. Een uur geleden sprak ik nog met wat inmiddels mijn voormalige vriendin is. Het is surrealistisch. De zin in een tweede, overdenkbiertje wordt groter, maar ik beheers me. Ik reken af en wandel met mijn fiets aan mijn hand richting de verhuur. De trein gaat pas over twintig minuten. Een moeder probeert haar dochtertje te vermaken die duidelijk wel genoeg heeft van de dag. Ik lach naar het kind. Moeder lacht naar mij. ik voel het gelijk aan. Een flirt, de tweede vandaag. Nu een, waarschijnlijk alleenstaande, moeder. Ook zij heeft recht op wederzijdse interesse maar ik besluit zogenaamd een langer telefoongesprek te moeten voeren. Ik glimlach nog eens naar haar, hou mijn telefoon met een verontschuldigend gebaar op en bel mijn moeder. Lang gesprek verzekerd. Zij is niet verbaasd als ik bel. Zij is ook niet verbaasd als ik om niets bel.

Terwijl ik met zijn moeder over haar tuin praat wandel ik over het perron. De trein komt aan en ik stap een flink eindje van moeder en dochtertje in. De volle twintig minuten van de reis blijft ze aan de lijn. Als ik op station Lübeck uitstap hang ik haar, verzekerend dat ik volgende week langskom, op. In de boekenzaak op het station koop ik een krant. Waarschijnlijk zal ik er amper inkijken, zo gaat dat wel vaker als ik een krant op het station koop, maar het geeft mij naast wat mijn telefoon biedt tussen nu en de afspraak nog iets te lezen. In het toeristenwinkeltje aan de andere kant van de hal koop ik een stalen, rond ondiep, blikje marsepeintaart, de traktatie waar Lübeck bekend om staat, voor Anna. Het is kwart voor zes als ik mijn hotel tegenover het station inloop. Nog even tijd om te douchen, daarna een wandeling van ongeveer een half uur naar Hotel IV Jahreszeiten, Anna’s hotel.

V

Zeven uur. Ik sta vijf minuten bij de receptie van het hotel. Ik heb het makkelijk kunnen vinden. De buurt is niet aantrekkelijk. Zakelijke bebouwing, kantoren, ik zag een bouwmarkt en een autowasbedrijf. Het hotel valt echter niet tegen. De receptie is achter een glazen pui, de medewerker is vriendelijk.

Tien over zeven. Ik weet dat Anna op de trein gegaan is maar of ze bij het hotel is aangekomen kan ik niet uitmaken. Bij de receptie wordt dat niet bijgehouden. Ik weet haar achternaam niet dus kan ik verder niet veel. Ja, haar voornaam noemen, haar omschrijven en laten weten dat ze een Nederlandse is. Ik vraag niets maar besluit tot kwart over zeven te wachten. Om tien voor half acht zit ik er nog. Ik kan mezelf niet bewegen weg te gaan. Dan zou al het perspectief dat ik tussen vanmiddag en nu had wegvallen. Wat kan haar bezielen? Waarom komt ze niet?

Met mijn hoofd tussen mijn handen kijk ik naar de grond als ze plotseling uit een deur de receptie in stormt. ‘Gelukkig, je bent er nog! Ik was in slaap gevallen. Sorry, sorry, sorry! Kom mee, ik moet me even opfrissen. Daarna kunnen we eten.’

Verbaasd maar gelukkig loop ik met haar mee naar de lift in een volgende ruimte van het gebouw. Ze geeuwt. ‘Zo moe?’ vraagt ik lachend. ‘Ik ben net wakker. Ik dacht niet dat ik moe was maar ik ben zomaar op bed in slaap gevallen. Ik had denk ik een reset nodig. Ik ben blij dat je er nog zat.’ Ik wilde eigenlijk; ‘Maar dan zou ik zo’n leuk meisje als jij mislopen.’ zeggen, maar de opmerking zwakte ik af tot; ‘ik was zelf wat later. Ik was eerder bang dat ik jou gemist had.’ Ze glimlacht. De lift stopt op de zesde en we gaan haar kamer binnen. Er staat een stoel naast het bed waar ik op ga zitten terwijl zij wat kleren pakt en in de douche verdwijnt. ‘Neem een stukje marsepein’ roept ze. Het ligt bij de tv.

Ik neem het en luister naar het geluid van de douche. Ik stel me voor, maar fluit mijn voorstelling weg met het melodietje uit de film Turks Fruit. Zij hoort het en tot mijn verrassing fluit ze mee. ‘Lastig’, roept ze, ‘mijn lippen zijn te vochtig door het douchen.’Kon het maar altijd nu zijn, denk ik. Kon het maar altijd de eerste periode van kennismaking zijn. Die tijd waarin haar geur nieuw is, nog niet gemengd tot de geur van samenwonen, alles aan haar voor mij voor het eerst is. Verrast zijn door haar reacties, opmerkingen, bewegingen; betovering die wel verbroken moet raken, gewoonte wordt en misschien zelfs ergernis zal opleveren. Ik denk aan Elza, alleen haar naam al was magisch. Voor mij was het de meest speciale naam ooit geweest, maar na een tijdje, toen eerste ruzies geweest waren en ik de naam niet al te liefdevol uitgesproken had, was het speciale naar lagere regionen afgedaald. Zij was gewoon mijn vriendin geworden, niet meer de hoofdprijs waarvan ik mijn altijd bewust was. Toen ik haar in Berlijn opzocht, haar een tijd niet gezien had, toen was de magie grotendeels terug. Hoewel de huisgeur in haar kleding nooit de mijne geworden is, kwam ik in Nederland wel zo vaak bij haar over de vloer dat haar geur mij niet meer opviel. Toen in Berlijn rook zij weer exotisch. Anders dus, niet van mij, in de buurt van spannend. Ander territorium dat aantrekkelijk maakt.

Anne komt gekleed uit de badkamer. Ik ruik zeep van het hotel. Die geur overheerst. Pas na heel wat uur zou ik haar er doorheen kunnen ruiken. We zijn gewoon dieren, denk ik. Ik heb dan wel geen behoefte om aan haar kont te ruiken, maar geur is belangrijk. Veel belangrijker dan we elkaar toegeven. Anna is nu klinisch. Ik heb haar in de lift geroken. Niet dat ik daar mijn best voor deed of dat ze sterk geurde, ze had in de kleine ruimte bewogen en ik heb haar haren en adem geroken. Heerlijk, maar alleen van degene waartoe je je aangetrokken voelt. Van een ander is het nogal onaangenaam.

Ze heeft een dun kettinkje Dat ik achter in haar hals mag vastmaken. Ik weet heus wel dat ze dat voorlangs makkelijk zelf kan, maar haar haren met mijn pols weghouden, mijn handen tegen haar nek, het is de uiterste intimiteit bij iemand die je eigenlijk niet kent. Zij is er klaar voor, ik ben er klaar voor.

Als ik zijn jack bij het uit de kamer gaan van de stoel wil meepakken merkt zij op dat het toch niet nodig is om mijn jack mee te nemen naar het restaurant twee verdiepingen hoger. Hoewel die opmerking niet als een ticket voor een overnachting met haar gezien moet worden geeft het mij wel een vooruitzicht waarnaar ik, gezien mijn niet tegenvallende ervaring tot nu toe, uitkijk. We nemen de trap. We worden verwacht.

VI

Het was de klassieke klick. Ik heb het vaker gehad als ik iemand tegenkwam waarmee ik gewoon van nature veel te bepraten had. Zou je me achteraf gevraagd hebben waar ik al die uren mee volgepraat had zou ik wel wat onderwerpen kunnen noemen, maar me nauwelijks voor kunnen stellen dat ik er zo veel uren mee vol had gekregen, en ook nog eens het gevoel had dat de ontmoeting te kort geduurd had. Zo ging het met Anna. Waarom ze hier was, wat ze gestudeerd had, wat voor werk ze deed, waar ze woonde natuurlijk, wat haar interesses waren en hoe de dag met de mannen verlopen was. Ik vertelde over de woongroep, hoe ik mij daar al in mijn studententijd bij had aangesloten, als alternatief studentenhuis met naïeve gasten die net als mij het leven dat ze op dat moment leefden altijd vast wilden houden. Dat had nog verbazend lang gewerkt maar in de loop van de tijd ging de een en kwam de ander als aanvulling. De geschiedenis samen raakte zoek, het wilde nooit meer zo’n groep worden als de oorspronkelijke. Toen de eerste man introk die niet gestudeerd had, en later toegaf dat het hem vooral vanwege de kosten en de geringe kansen op de woningmarkt ging, was de lol er voor mij helemaal af.

Ik vertelde over mijn ex-vriendin in Berlijn maar verzweeg dat we het vanmiddag pas hadden uitgemaakt. Anna sprak over het leven in open relaties en hoe dat toch minder mooi werd naarmate ze ouder wordt. we spraken het tegenover elkaar niet uit maar het was wel duidelijk dat we beiden vrij waren en open stonden voor verkenning van iets nieuws. Anna dronk een biertje en ik bestelde een bruiswater nadat ik van Anna te weten was gekomen dat ze haar eerste alcoholisch drankje die dag dronk. Ik wilde gelijk op gaan, het risico minimaliseren dat ik zat zou zijn en Anna dat hoogstens licht aangeschoten moest aanzien. Niet dat ik een kwade dronk heb, ik word er filosofisch van. Terwijl ik dit overdacht moest ik aan een vriendin van heel vroeger denken. Ik was het me toen nog niet bewust dat drank mij filosofisch maakt, zo noemde zij dat althans, zij had dat wel leuk gevonden en zette mij bij bezoekjes aan haar al snel een glas wijn voor de neus. De combinatie drank en filosofisch heb ik er ingehouden. Ik vind het wel een uniek selling point. Dat de vriendin misschien wel bedoelde dat ik van drank ging wauwelen kwam niet bij me op.

Anna vermaakt zich zichtbaar prima. Ik probeer niet uit te stralen overdreven van haar onder de indruk te zijn, ik luister aandachtig naar wat zij zegt en antwoord niet naar haar instemming zoekend. Nog een drankje doen, dat denken we beiden na de koffie. Het is geen omgeving voor een avondwandeling. ‘Ik neem nog wat, jij ook?’ vraagt Anna. ‘Wel ja’, zeg ik. ‘Ik lust wel een whiskey, jij ook eentje?’ Nee, Anna drinkt geen whiskey. Ik trek, wat voor mij blijkt te pleiten, mijn voornemen niet in om dan maar samen met haar een glas port te drinken, waar zei erg van houdt.

Na de port en de whiskey, het loopt al tegen elf uur, wordt het tijd om het restaurant te verlaten. Het meisje dat ons bediend heeft is heel geduldig. We waren na een uur of half negen nog de enig overgeblevene gasten. We weten het niet zeker maar ze moet zich verveeld hebben. Ik betaal, daar sta ik op, en ik geeft een flinke fooi. Niet dat Anna dat ziet. Ik doe het aan de bar.

Dan doe ik iets dat Anna aangenaam ouderwets galant vindt. Als zij opstaat sta ik achter haar stoel en geef haar ruimte door de stoel wat naar achter te schuiven. Ik maak een gebaar van insteken en zij biedt haar arm aan. Zo schreiden we naar de lift. Dit voelt niet als uitsloverij. Dit is gelukkig zijn in handelen uitdrukken.

Wat volgt? ik weet het niet. Elza had het vaak over in het moment zijn en dat probeer ik nu ook te zijn. Anna opent de deur van haar kamer en zegt; ‘Ik pak even je jas.’ Toch perplex blijf ik buiten de kamer wachten. Het is onverwacht maar ik heb het te accepteren. Het doet zelfs een beetje pijn en een gevoel van radeloosheid maakt zich van me meester. Terwijl ik mij afvraag hoe ik dit moet duiden komt Anna op mij aflopen en hangt mijn jas aan de kapstok bij de deur. ‘Kom binnen lieverd’, zegt ze; ‘Je bent op en top een gentleman. Je keek zo beteuterd als Isaac in de film Manhattan’, zegt ze. Ken je die film?’ Ja, die film ken ik.