De oude maakt mij een complimentje. Daar zit ik eigenlijk niet op te wachten maar hij is de enige die het doet en omdat ik wel op aanspraak zit te wachten moet ik het er maar mee doen.
Mijn date is niet verschenen. Ik heb hem nog gebeld maar hij nam niet op. Ik was al binnen en ik had al besteld. Het regende namelijk en dan blijf je niet op de stoep wachten.
Het café is behoorlijk vol. Dat verbaast mij wel hier, gelegen in een buitenwijk van een weinig interessante stad. Volksmensen. Misschien wat ordinair, maar onderling zo ver ik kan zien heel vriendelijk.
Een meisje van de bar gaat met blokjes kaas door de ruimte. Ik neem er ook een. Mijn veel te zoete witte wijn, op de kaart staat bij wijn alleen rood en wit en ik koos zoals vaker in de zomer voor wit, krijg ik bijna niet weg en nu ik doorkrijg dat het niets met de date zal worden vind ik het ook eigenlijk niet de moeite om het glas beleefd leeg te drinken.
Ik doe het toch. Door de gemoedelijke sfeer en in de hoop dat ze me wel sympathiek zullen vinden.
Mijn auto staat twee straten verder langs de muur van wat ik vanwege de boomkruinen achter de muur verwacht een parkje te zijn.
Ik heb er toch nog een uur voor moeten rijden. Ik kom nooit deze kant uit. Het is buiten de randstad en voorlopig richting niets.
Ik moet er maar wat van maken. Ik friemel wat aan mijn zilveren kettinkje en het is dan dat de man zijn compliment maakt.
Ik glimlach naar hem en neem een veel te grote slok zoet. Ik proest het uit en hij dept mijn gezicht met een zakdoekje dat hij uit zijn slaphangende oudemannenjasje trekt. De zakdoek ruikt naar Old Spice. Heerlijk eigenlijk maar het is wel raar wat hij doet.
Ik zeg hem dat hij zijn handen thuis moet houden. Hij kijkt beteuterd. Niet als een vieze oude man maar met grote kinderogen.
‘Het spijt me juffrouw’, zegt hij en hij maakt een kleine buiging waarna hij naar de deur loopt, een hoedje van de kapstok neemt en door de open deur naar buiten, de stoep opstapt.
Hij is blijkbaar gekwetst en dat raakt mij. Snel reken ik mijn glas wijn af en loop ook naar buiten. Mijn jas heb ik in de auto gelaten. Verder heb ik alleen mijn telefoon. Gewoon, los in mijn hand.
De oude is al een stukje verderop maar ik haal hem in. Hij kijkt verrast op als ik hem aanspreek. Ik zeg hem dat ik misschien te ruw tegen hem was, dat ik het zo niet bedoeld had.
‘In mijn tijd, juffrouw, stonden wij mannen nogal snel klaar met onze zakdoeken. Ik weet dat het niet bij deze tijd hoort maar zo hoor ook ik niet bij deze tijd.’
Natuurlijk zeg ik hem dat hij wel bij deze tijd hoort en dat ik juist net een vervelende ervaring had waardoor ik prikkelbaar was.
Het mannetje, want hij is opmerkelijk klein, knikt vriendelijk, neemt zijn hoed een klein stukje af en zegt dat het een waar genoegen was.
Hij steekt de stille straat over, loopt achter mijn auto langs en dan is hij weg.
Weg. Precies. Verdwenen. Geen spoor. Opgelost. Foetsie!
Ik sta bij de auto en realiseer mij dat ik mijn sleutels op de bar heb laten liggen.
Ik keer terug naar het café en daar liggen ze inderdaad, op de bar. Nu neem ik een pilsje van de tap, veilig bitter.
Terwijl de barvrouw tapt vraag ik haar naar het oude mannetje. ‘Hij weer?’, vraagt ze. ‘Ik zie hem nooit. Viel hij u lastig?’
Verbaasd over dat ze hem niet zag verzeker ik haar dat hij mij niet lastig viel en ik drink mijn pilsje op waarna ik nog even naar achteren loop om het toilet te bezoeken.
In de smalle doorgang naar het toilet hangt een ouderwetse telefoon aan de muur met daarnaast een stadsplattegrond. Een rode stip geeft aan waar ik mij bevind.
Ik zoek op en zie dat het niet zomaar een park is waar mijn auto geparkeerd staat.
Het zal toch niet…
Ik zit in mijn auto en overdenk deze avond. De date die niet kwam opdagen heb ik uit mijn telefoon gewist. Het regent. Straks fijn onder de dekens. Lekker slapen.