Klem

Ik sneed haar af. Zomaar. Niet zonder reden. Ik denk er liever niet over na. Het was een weinig verlicht voetpad naast een fietspad. Ik zag haar lopen en in een vlaag van fatalistische waanzin reed ik mijn rijwiel, schuin, tot net voor waar ze liep.

Ik liet mijn fiets onder mij vandaan vallen en sprong frontaal tegen haar aan waardoor wij beiden vielen. Ik lag bovenop haar, ging snel zo zitten dat ik met mijn benen om haar middel zat en hield haar handen vast zodat haar armen schuin omhoog op het pad lagen.

Toen zag ik het. Ze was mijn buurmeisje. Een leuke twintiger waarmee ik af en toe een praatje maakte.

‘Buurman!’, riep ze in paniek. De geile waanzin vloot uit mijn lijf en daar zat ik dan. 

Toen werd ik wakker. Mijn vrouw vroeg lief of ik eng gedroomd had. ‘Heel, heel vreemd’, zei ik. Natuurlijk wist ik nog waarover, maar ik verzweeg het.

Drie dagen gingen voorbij en toen gebeurde het. Ik reed op het fietspad, ‘s avonds vanuit werk, en daar zag ik haar lopen. 

Hoewel ik haar figuur lastig kon onderscheiden twijfelde ik niet. ‘Hoi Daphne’, zei ik, maar Daphne reageerde helemaal niet. 

Ik ging langzamer fietsen en zei nog eens, maar nu wat nadrukkelijker ‘Hoi Daphne’.

Weer niets.

Ik voelde mij in mijn eer gekrenkt en sneed haar nu daadwerkelijk af zodat ik haar ter verantwoording kon roepen. Ze schrok ongelooflijk. Ik zag nu dat ze oordopjes in had. Ze had mij waarschijnlijk niet gehoord.

Ik wist niet hoe ik mij uit deze situatie moest redden. De waarheid vertellen leek mij het beste; ‘Ik dacht dat je me negeerde’, ze ik.

Enigszins van de schrik bekomen maar zeer op haar hoede keek ze me achterdochtig aan. We wisten beiden dat we als buren met elkaar verder moesten en dat maakte de situatie niet makkelijker.

‘Sorry, sorry, sorry’; zei ik; ‘wat ben ik vreselijk lomp’ ‘Lomp?’, antwoordde ze; ‘ik voel me hier heel unheimisch bij. Wilt u alstublieft maken dat u wegkomt. Wat geeft u het recht antwoord van mij te verlangen als u op een donker pad langsfietst? Ik hoorde wel dat er iemand tegen mij sprak maar heb ik niet het recht om niet in het donker te worden lastiggevallen? Ik vind dit heel bedreigend.’

Ik snapte het volkomen. Ik dacht aan mijn droom en had het gevoel dat ik in een nachtmerrie zat. 

‘Het spijt me’, zei ik nogmaals en ik fietste hard weg. Hoe moest ik nu verder?

Thuis vertelde ik alles aan mijn vrouw. Van de droom, van het voorval deze avond. Natuurlijk was ze boos, verdrietig ook. De man bij wie zij zich veilig voelt, die iemand anders zo onveilig laat voelen. Even leek het of zij zich ook niet meer veilig bij mij voelde.

Beschaamd zit ik op de rand van mijn bed. Ik ben altijd bang geweest voor onomkeerbare zaken. In een poging om het goed te maken stuur ik de buurvrouw een bericht via de telefoon. We zitten in een buurtgroep dus haar nummer heb ik gewoon. 

Ze reageert niet. Na tien minuten probeer ik het nogmaals. Eenzelfde boodschap maar met andere woorden. Geen reactie.

Ik stuur een link naar een lief liedje, twee dagen later een zelfgeschreven gedichtje waarin ik de situatie probeer uit te leggen.

Geen reactie.

Ik voel een grote onrust die ik niet kwijt kan. Ik maak mezelf helemaal gek. Ik probeer zo hard wat gebeurd is ongedaan te maken. Ze geeft me er geen ruimte voor.

Ik weet gewoonweg niet wat ik moet doen. Was ze maar weer vriendelijk. Als normaal.

Wat overblijft

Op zolder, tussen paperassen, een kinderstoel, een oude typemachine; staat de schooltas van mijn verongelukte broertje Maarten.

Ik ben achtennegentig jaar, mijn broertje was drieënnegentig toen hij van de trap afviel. Zo’n drama is het dus ook weer niet.

Niettemin moest zijn huis leeg. Zijn kinderen en kleinkinderen pakten nog wat mee wat voor hen van emotionele, en naar zij vooral hoopten, financiële waarde zou zijn. Dat was niet veel. Het kon in drie kartonnen dozen. 

Een professioneel leegruimer werkte de rest weg maar belde de oudste dochter van mijn broertje op met de vraag wat hij met die tas moest. De leegruimer was een gevoelig man en hij hield er niet van foto’s of persoonlijk schrijfwerk weg te gooien. De tas zat vol met persoonlijk schrijfwerk. 

Ik wist niet van de tas af maar op mijn verjaardag kreeg ik hem van de dochter aangeboden. Een geschenk dat als een last voelt. Ik zie niet goed meer, mijn enige zoon heeft wel iets anders aan zijn hoofd, mijn vrouw is reeds lang overleden (net als de vrouw van mijn broertje overigens) en ik twijfel aan het talent van mijn broertje zodat ik de inhoud ook liever niet door iemand die er meer van af weet laat beoordelen.

Zo zit ik met de tas. 

Vandaag moest ik op zolder zijn. Ik zocht een verhaal van Gabriel García Márquez. Iets over een oude man. Over ook vitale leeftijdsgenoten lezen houdt mij op de been. 

Ik vond het verhaal niet. De zolder is te donker, de dozen met boeken staan op elkaar en ik heb er de kracht niet meer voor om daarmee te rommelen.

De schooltas van mijn broertje stond wel voor het grijpen en nu zit ik op mijn billen onder het dakraam door zijn tas te graaien.

Het is werkelijk niets bijzonders maar het is wel van mijn broertje. Ergens vind ik het rot dat hij het bewaard heeft, dat zijn dochter er bij mij mee aankwam. Hoopte hij postuum ontdekt te worden?

Verdrietig maak ik de tas weer dicht. Een klein, afgescheurd, hoekje papier heb ik over het hoofd gezien en moet ik alsnog in de tas terugdoen. Dit staat er op:

‘Ik heb het Duizendjarig Rijk verslagen,
in het begin op wastablet.
Dat bleek niet zo’n succes te zijn’

Ongetwijfeld een begin van iets. Misschien een vastgelopen gedichtje. 

Met moeite ben ik overeind gekomen. Uiterst behoedzaam ging ik daarna de trappen af. Van de zolder naar de woonkamer. 

Nu zit ik op de bank en hoor de klok tikken. Buiten vliegt een vogeltje het nestkastje in en uit. Straks komt de huishoudelijke hulp. Nog een uurtje wachten. 

Getroffen

Bloed. Eigenlijk over alles wel. 

Hij sloot de kledingkast en ging op zijn bed zitten. Zij bleef hem verbazen. Er bleef werkelijk niets over om naar buiten aan te trekken.

Hij riep haar. Ze antwoordde lief en ging naast hem op het bed zitten. Verbandje om haar ringvinger. ‘Wat heb je nou gedaan meisje?’ 

Toen hij haar onschuldige gezichtje zag, die mooie bruine ogen, kon hij gewoonweg niet boos zijn.

Zij had haar mooiste zomerjurk aangetrokken. De stof sloot om haar ranke jonge figuur. Hoe kon ze zoiets waanzinnigs doen en tegelijkertijd zo ongelooflijk aantrekkelijk zijn? 

Ze sliepen nooit samen. In ieder geval niet de hele nacht. Beiden hadden ze hun eigen omgeving. Gebied waar zich afspeelde wat voor de ander verborgen mocht blijven. 

Daartoe doordringen bleef een spel. Een tipje van de sluier. Soms, diep in de nacht, sloop hij haar kamer in. Was even bij haar en sloop dan weer weg. Soms werd hij ‘s nachts wakker als zij tegen hem aan kwam liggen. 

Nooit werd het gewoon. Ze leefden hun eigen leven, verslaafd aan elkaar.

Hij was tevreden. 

Beide handen legde hij om haar middel. De zachte dunne stof, haar warme buik tegen zijn buik. Zijn lid groeide. Handen om haar middel werd een omhelzing. Zij wierp haar hoofd naar achteren. Zon scheen door haar bruine haren. Met zijn neus en lippen beroerde hij haar nek omhoog naar haar vochtige mond waar hun tongen wat worstelden. Een vrijpartij volgde. Het bloed in zijn lid verdreef het bloed dat hij nog in gedachten had.

Ze zonderde zich weer af. Sloot de toegang tot haar gebied. 

Verzadigd nam hij een douche, sloeg een badjas om zijn blote lichaam.

Voorzichtig drong hij haar ruimte binnen. Daar lag ze. Haar jurk over de bedrand. Ze keek hem aan. Hij liet zijn bekleding van zich afglijden, vlijde zich tegen haar aan en vroeg zich af hoe dit toch verder moest.

Een ruk aan zijn schouder, gitzwarte ogen, vertrokken mond. Een mes in zijn lichaam. Steek na steek. Terwijl het leven uit zijn buik vloeide besefte hij dat hij haar gekte niet had moeten negeren.   

Betekenis

Ergens. We weten niet waar, maar het bestaat. Anders zou ik er niet over kunnen schrijven.

Daar, in een grijs betonnen stad met primair kleurige kunststofcontrasten, loopt Jacob. Het is geen zonnige dag. Grauw, daarentegen, is het ook niet. Het is gelijkmatig licht depressief weer. Goed genoeg om voort te gaan.

Hij heeft een afspraak met Astrid, de heks van Nurelpensuğin. Zo nu en dan is ze er. Dan spreekt de halve stad met haar af, de andere helft ziet er geen been in.

Het is een gewoontegang. Zijn kennissen gaan, hij ook. Niemand lijkt er ooit iets mee op te schieten maar is dat een reden om het maar niet te doen? Jacob denkt van niet. 

Astrid staat doorgaans op een hoek te wachten. Telkens weer een andere hoek dus het is even goed kijken en wat straten doorwandelen.

Alle winkels, bedrijven, flatgebouwen waar mensen kunnen verblijven zijn potdicht. Dit is een deel van de stad dat even niet gebruikt wordt. Dat komt wel weer. Het komt vaker voor.

Dan vindt hij haar. Astrid hangt tegen een lantarenpaal en eet een stuk chocolade. Ze breekt een stukje voor hem af. Helaas niet het onbeknabbelde deel. Hij doet het er maar mee.

Samen lopen ze een eindje op. Het gaat nergens over, maar iets in haar feloranje haar inspireert hem. Het zit slordig en hij denkt; zo kan het ook. 

Twee straten verderop nemen ze afscheid. Jacob geeft haar als gebruikelijk een willekeurig spreekwoord mee. Dat kan ze waarderen. 

Dan loopt ze een stukje vooruit. Een andere hoek. Een meisje loopt op Astrid af.

Hoe het komt weet Jacob niet. Hij zet het op een lopen, grist het meisje bij Astrid vandaan en trekt haar mee, drie straten door, naar het park waar twee paarse bloemen bloeien. Het kan nog net. Ze zijn nu op hun mooist.

Jacob gaat op zijn buik liggen. Een van de twee bloemen is recht voor zijn neus. Het meisje volgt zijn voorbeeld. Zij heeft de tweede bloem recht voor haar neus. In het onscherpe deel van het beeld zien ze elkaar in de achtergrond van hun duidelijk zichtbare bloem.

‘Ja, daarom doen we dit’, zegt ze. Ze kijken elkaar aan met het paars nu onscherp. ‘Hou dit vast’, horen ze op de achtergrond zeggen.

Een zonnestraal breekt door. Astrid trekt zich terug. Jacob vraagt het meisje naar haar naam. Ze heet Nyssa.

Vanzelfsprekend

Ik stap uit. Het is later dan normaal. Een paar minuutjes maar. Korte seinstoring.

Een vrij leeg perron. Bijna alleen loop ik naar het paaltje om uit te checken. 

Een vrouw met een lange beige jas wacht aan het begin van het perron, zwaait en loopt onze richting in. Ik kijk haar niet aan maar haar uitstraling spreekt mij aan. 

Ze is nog niet heel dichtbij maar haar gang valt mij op. Heel duidelijk precies op de denkbeeldige lijn waarin ik loop. Ik kijk achter mij maar de drie mensen die ik zie zitten niet op dezelfde lijn. 

Nu kijk ik de vrouw in haar gezicht. Ze glimlacht en ik glimlach terug. Wat moet je anders?

Een pas of vijf zijn wij van elkaar vandaan als ze begint te praten. ‘Hoi joh, zag je me niet?’

Ze omhelst me en automatisch leg ik mijn handen on haar middel. Een zoen. Op mijn mond. Gewoon, alsof het heel normaal is. Vluchtig bijna. 

Ze slaat haar arm om mijn middel en we lopen het perron af. Ik ben verbluft en durf de situatie niet te doorbreken. Verbaasd reageren zou haar ongedwongen spontaniteit aantasten en dat wil ik niet. 

Ze babbelt over haar dag, een leven dat ik helemaal niet ken. Ze vraagt hoe mijn dag was en ik vertel haar er over en ik verwacht dat het misverstand zo wel duidelijk zal worden. Maar nee, ze neemt het als vanzelfsprekend op. 

Mijn God, wat is dit? Ze loopt naar de parkeerplaats. Ik loop met haar mee, aangemoedigd doordat ze voortdurend tegen me praat. Als een boek dat ik lees hoop ik door verder te komen grip op de situatie te krijgen. Benieuwd en geamuseerd luister ik naar haar. Ik vind haar grappig. Het is allemaal zo ongewoon en ze doet zo gewoon. Het is een raadsel.

We stappen in haar auto. ‘Naar mijn huis dan maar?’, zegt ze. In haar denken heb ik dus ook een huis. Dat geeft mij wel wat ruimte. ‘Prima’, zeg ik, maar dan valt ze stil.

‘Dit kan niet.’ Ze schudt met haar hoofd en kijkt mij recht in mijn ogen. ‘Ben je net zo gek als dat ik ben?’

Het moest er van komen maar zo had ik het niet verwacht. Deze eigenaardige situatie kon natuurlijk niet voortduren maar ik was een beetje in verwonderde droomtoestand. 

‘Stap maar uit. Dit gaat gewoon niet. Wat dacht je; leuke vrouw, ik speel gewoon mee?’

‘Ik wilde je vrolijkheid niet verstoren. Je was zo ongedwongen, zo vertrouwd. Ik vond je aantrekkelijk en wat moest ik doen?’

‘Je had niet romantisch moeten denken. Als iets te mooi is om waar te zijn dan is het niet waar.’

‘Maar kan dat dan niet, iets totaal onconventioneels als nieuwe werkelijkheid aanvaarden?’

‘Het is gewoon een vieze mannen fantasie.’

‘Misschien ook wel. Of niet. Ergens geloof ik nog in sprookjes of wil er tenminste in geloven.’

‘Ga nu maar.’

Ik stap uit, zij rijdt weg. Verslagen sta ik nog een tijd stil op de stoep. Ik voel me uitgekleed, naakt en om te bespotten. 

Niemand heeft iets gemerkt. Ik schaam mij en ik kan haar niet weg fantaseren. 

Zij zal voortaan altijd ergens zijn om mij klein te laten voelen. Al is het in mijn hoofd.

Verstrooiing

Konijn was ziek. Dat was duidelijk. Nog niet zo ziek dat ze mager werd of er vies ging uitzien, maar ze at minder, ze bewoog minder en ze maakte een lamlendige indruk.

Ik denk dat het wel zo’n beetje voorbij is zei vader en toen we ‘s middags uit school kwamen was ziek konijn ingewisseld voor een heel jong, snoezig, konijntje. Wij, drie kinderen, waren er gelijk dol op. Moeder had verse worteltjes gekocht die wij zelf die avond met vis, nieuwe aardappeltjes en boterjus zouden eten. Jong konijn kreeg kleine stukjes ongekookte wortel. Moeder keek ontroerd naar het geknabbel. Ziek konijn was vergeten.

‘S avonds in bed, na het gebed vroeg ik moeder nog even te blijven. Nu het buiten donker was en er schaduw over mijn gemoed gekomen was werd jong konijn in mijn gedachten door oud konijn verdrongen.

Ik dacht aan haar oortjes. Gek hoe je op zoiets komt, dat daar emotie aan gaat hangen. Die oortjes die ik zo vaak had zien bewegen. Nieuwsgierig, een beetje angstig of blij (al kan ik dat niet uitleggen).

Ik vroeg moeder ronduit te vertellen wat er van ziek konijn geworden was. ‘Ga maar lekker slapen’ was haar antwoord en ze glimlachte met een vleugje medelijden in haar blik. Ik lag nog een tijd wakker maar uiteindelijk won slaap van mijn ongerustheid.

De volgende dag was ik er niet meer mee bezig. Jong konijn was zo nieuw!

Jong konijn wendde en het jaar vorderde. Boterjus en nieuwe aardappeltjes aten we al lang niet meer. 

Op een hete zaterdagmiddag, ik was alleen thuis. De rest van het gezin was naar het tuincentrum. Ik had hoofdpijn. Misschien teveel in de zon gespeeld. Wie zal het zeggen?

In de schuur stond een grote vriezer waarin van alles bewaard werd waaronder waterijsjes waarvan ik er eentje wilde hebben.

Ik opende de vriezer en rommelde er met mijn handen doorheen. Aardappelkroketjes, koelelementen voor de koelbox, verschillende zakken diepvriesgroenten, ijsjes en in plastic verpakte klompen vlees.

Ineens zakt het bloed uit mijn hersenen. Wat voor klomp vlees heb ik daar vast! Buiten hoor ik het hekje van de poort opengaan, ik verlies mijn bewustzijn en als ik bijkom zit ik ongemakkelijk tegen de open vriezer aangeleund. Moeder kijkt mij bezorgd in mijn ogen. ‘Gaat het jongen? Heb je nog zo’n hoofdpijn? Zocht je verkoeling?’

‘Waar is papa?’ fluister ik.

Vader komt de schuur binnen en samen met moeder helpt hij mij naar de keuken waar ik een koel nat washandje op mijn voorhoofd gedrukt krijg. Ik zie dat vader het pasje voor de vuilcontainer op de vensterbank in de keuken legt.

‘Was het ziek konijn?’ vraag ik. ‘Lieve zieke bunny van me’ zegt moeder. Ze kijkt me zo vriendelijk aan dat ik me aan onwetendheid overgeef.