In de hete schaduw in een hoog zomerse achtertuin van een jaren vijftig rijtjeshuis, overdenk ik, terwijl ik de gastvrouw door de open deur in de keuken bezig hoor, terwijl haar buurman hoest en in de flat die op de achtertuinen uitkijkt volksmuziek klinkt, mijn leven.
Ik weet er nog niets van want ik ben zo jong maar dat voelde ik toen nog niet. Ik loop vast in onbelangrijke details als ik denk. Er zijn zo veel zijwegen! Van het al dan niet bestaan van God dwaal ik af naar wat een grasspriet daarover zou denken als een grasspriet denken kon. Van de grasspriet gaat mijn gedachte over op de droge brokjes aarde in het perkje waarin rozenstruikjes staan. Ik kijk naar de dakrand van de rijtjeshuizen en dan weer naar het tegelpad naar de achterdeur.
Een iets minder warm briesje dan de stilstaande lucht voel ik langs mijn armen. Ik sta op en open de deur van het schuurtje waarin het naar een opgewarmde variëteit van spullen ruikt.
De gastvrouw komt de tuin weer in met een dienblad waarop twee glazen met frisse cola staan. De glazen zijn zo leeg!
Ik wil goed gezelschap zijn maar het is te warm. Ik ben te loom. Ik kom tot niets. Zij is sowieso geen prater.
‘Ik moet maar weer eens gaan’; zeg ik en ik neem het dienblad met de glazen voor haar naar de keuken waar ik ze op het aanrecht zet en het dienblad tussen het fornuis en het keukenblok.
Ik kijk de woonkamer in en kan me bijna niet voorstellen dat ik hier ook ‘s winters kom.
Ze staat achter mij in de gang als ik nog even in de spiegel kijk. Dat ik het heet heb is mij aan te zien.
Dan open ik de voordeur en neem afscheid. Aan het einde van de straat kijk ik voordat ik de hoek omsla om. Ze zwaait. Ik zwaai terug. Ik weet niet wat ik nu ga doen. Misschien een rondje over het winkelplein. Maar het is zondagmiddag en bovendien 1998. Nee; ik weet het niet.
