Konijn was ziek. Dat was duidelijk. Nog niet zo ziek dat ze mager werd of er vies ging uitzien, maar ze at minder, ze bewoog minder en ze maakte een lamlendige indruk.
Ik denk dat het wel zo’n beetje voorbij is zei vader en toen we ‘s middags uit school kwamen was ziek konijn ingewisseld voor een heel jong, snoezig, konijntje. Wij, drie kinderen, waren er gelijk dol op. Moeder had verse worteltjes gekocht die wij zelf die avond met vis, nieuwe aardappeltjes en boterjus zouden eten. Jong konijn kreeg kleine stukjes ongekookte wortel. Moeder keek ontroerd naar het geknabbel. Ziek konijn was vergeten.
‘S avonds in bed, na het gebed vroeg ik moeder nog even te blijven. Nu het buiten donker was en er schaduw over mijn gemoed gekomen was werd jong konijn in mijn gedachten door oud konijn verdrongen.
Ik dacht aan haar oortjes. Gek hoe je op zoiets komt, dat daar emotie aan gaat hangen. Die oortjes die ik zo vaak had zien bewegen. Nieuwsgierig, een beetje angstig of blij (al kan ik dat niet uitleggen).
Ik vroeg moeder ronduit te vertellen wat er van ziek konijn geworden was. ‘Ga maar lekker slapen’ was haar antwoord en ze glimlachte met een vleugje medelijden in haar blik. Ik lag nog een tijd wakker maar uiteindelijk won slaap van mijn ongerustheid.
De volgende dag was ik er niet meer mee bezig. Jong konijn was zo nieuw!
Jong konijn wendde en het jaar vorderde. Boterjus en nieuwe aardappeltjes aten we al lang niet meer.
Op een hete zaterdagmiddag, ik was alleen thuis. De rest van het gezin was naar het tuincentrum. Ik had hoofdpijn. Misschien teveel in de zon gespeeld. Wie zal het zeggen?
In de schuur stond een grote vriezer waarin van alles bewaard werd waaronder waterijsjes waarvan ik er eentje wilde hebben.
Ik opende de vriezer en rommelde er met mijn handen doorheen. Aardappelkroketjes, koelelementen voor de koelbox, verschillende zakken diepvriesgroenten, ijsjes en in plastic verpakte klompen vlees.
Ineens zakt het bloed uit mijn hersenen. Wat voor klomp vlees heb ik daar vast! Buiten hoor ik het hekje van de poort opengaan, ik verlies mijn bewustzijn en als ik bijkom zit ik ongemakkelijk tegen de open vriezer aangeleund. Moeder kijkt mij bezorgd in mijn ogen. ‘Gaat het jongen? Heb je nog zo’n hoofdpijn? Zocht je verkoeling?’
‘Waar is papa?’ fluister ik.
Vader komt de schuur binnen en samen met moeder helpt hij mij naar de keuken waar ik een koel nat washandje op mijn voorhoofd gedrukt krijg. Ik zie dat vader het pasje voor de vuilcontainer op de vensterbank in de keuken legt.
‘Was het ziek konijn?’ vraag ik. ‘Lieve zieke bunny van me’ zegt moeder. Ze kijkt me zo vriendelijk aan dat ik me aan onwetendheid overgeef.
