I
‘Dit is het. Niets aan toegevoegd, niets uit weggelaten.’
‘Ik kan het echt niet plaatsen meneer. Niet in z’n geheel, niet in afleveringen.’
‘Vindt u het niet goed geschreven?’
‘Jawel. Dat zeker. Een redacteur zou het nog eens goed moeten doorlezen natuurlijk, maar u schrijft prima. Daar ligt het niet aan. Het gaat alleen niet onder non-fictie en fictie publiceren wij niet.’
‘Maar het is geen fictie. Dat weet u. Ik weet waar ik wil publiceren. Ik ben niet voor niets naar u toegekomen.’
‘Nee meneer. Ik kan niets voor u doen. Het zou gekkenwerk zijn. Ik heb uw verhaal met smaak gelezen. U kunt schrijven. Probeert u het bij een andere uitgever.
Segan nam zijn manuscript aan, die de uitgever hem over het bureau aanreikte. Een korte groet en hij stond in de centrale hal van de uitgeverij. Met zijn hoed in de hand en zijn lange jas aan viel hij uit de toon tussen jong hip sensitief dat hier rondliep. ‘Traumaschrijvers’ zei hij tegen zichzelf en hij keek wel uit om een van die meisjes aan te kijken of jongens in zijn wandel naar de draaideur aan te stoten. Buiten sloeg hij rechtsaf, ging twee grachten over, nog een stukje links en liep het eerste café binnen dat hij tegenkwam. Niet veel soeps. Twee jenever en een handje nootjes later stond hij weer op straat. In een nurkse bui propte hij zijn manuscript in een vuilnisbak. ‘Wat kan mij het ook boeien. Ik ben muzikant, geen schrijver.’
II
Minte nam een laatste slok uit haar café latte en wilde het bekertje in de vuilnisbak gooien die op zo’n drie meter afstand van haar aan de waterkant stond. Een half in de bak, tegen de achterwand vastgeklemde stapel papier verhinderde het haar de kartonnen beker netjes naar binnen te duwen. Ze trok het papier uit de bak, wierp haar bekertje door de opening en stak de vellen weer terug die de opening wederom blokkeerden. Ze was in een zorgvuldige bui dus nam ze het papier weer uit de bak, nam de bovenste helft van de stapel, duwde deze kleinere, dus meer buigzame hoeveelheid, door de opening en gooide het tweede deel er daarna achteraan. Ze vervolgde haar weg en dacht na over hoe ze het toch met haar vriendje zou uitmaken.
III
Tegen vijf uur leegde de stadsreiniging de vuilnisbakken in de straat waarin het uit elkaar geraakte manuscript in een van die bakken lag. Teklit was een toegewijde bakkenleger. Zo veel papier in een vuilnisbak; hij kon het niet aanzien! Hij stak de stapel onder de bestuurdersstoel van zijn wagentje en vervolgde zijn weg. Hij zou het straks op het afvalstation wel bij het oud papier gooien. Dat mensen zo veel achter elkaar konden schrijven! Het leek de bijbel wel, maar aangezien het de bijbel niet was interesseerde het pak hem verder niet.
IV
Op het afvalstation staat een enorme papiercontainer. Teklit wierp het manuscript in die bak en glimlachte naar de baas die net voorbij liep. ‘Afvalscheiding baas!’ ‘Heel goed Teklit!’
De zon daalde over de stad. De schrijvende muzikant zat tot rust gekomen op z’n gitaar te tokkelen en zong de meest fantasierijke liedjes. Minte had haar ex-vriend net verteld dat hij te goed voor haar was, dat ze gewoon nog niet klaar voor hem was en voelde zich opgelucht omdat hij niet te emotioneel was geworden. Teklit kwam thuis, kuste zijn vrouw en kinderen en ontving bezoek waarmee hij nog lang gezellig sprak.
In de papiercontainer lag een fantastische geschiedenis.
