De dood van Erika B.

In de beschutting van een viaduct van een stad in het zuiden, staat het huis waar Erika B. haar hele leven woonde. Vader was één van de laatste hondenkarmannen van de stad. Olieboer. De opslagruimte naast het huis werd al lang gelden verkocht, de kennel afgebroken. Het huis van Erika B. is nu deel van een rijtje huizen. 

Buren kwamen en gingen en nu staat het rijtje huizen, inclusief het huis van Erika B, op de nominatie om afgebroken te worden. Het wordt niet meer van deze tijd gevonden, huizen zo dicht op een viaduct waar treinen overheen razen, waar een drukke stadsweg onderdoor gaat.

Het ene na het andere huis wordt dichtgetimmerd. Buren werden door Erika uitgezwaaid. Ondanks het eeuwige geluid werd het stil. Stil aan mensen.

Erika B. is oud. Eigenlijk te oud om te leven. Haar bestaan is anachronisme. 

Ze nam voluit deel aan het leven, tot zo’n vijfentwintig jaar geleden. Toen was ze begin zeventig, honderd is ze nog niet en dat wenst ze ook niet te worden.

Computeren kan ze, mobiele telefoon en tablet heeft ze. Ze liggen op de tafel. Voor noodgevallen. Dat ze ook opgeladen moeten zijn begint Erika te ontschieten. En met wie moet ze contact opnemen? Ze heeft hulp en die mensen zijn wát handig!

Op een dag gaat het niet meer. De adem wil niet meer komen en ze sterft in haar stoel. Heel gewoontjes. Niemand die het weet. Niemand die het echt pijn doet. Haarzelf raakt het ook nauwelijks. Een beetje naar gevoel, dat is alles.

Haar tijd vond haar waardevol en dat was wederzijds. Haar papierwerk en fotoboeken, inmiddels bij het oud papier en in de container, getuigen daarvan. 

Haar inboedel ging grotendeels naar de kringloop. Haar huis werd afgebroken. De plannen voor een skatepark werden gepresenteerd.

Bittersweet

De oude maakt mij een complimentje. Daar zit ik eigenlijk niet op te wachten maar hij is de enige die het doet en omdat ik wel op aanspraak zit te wachten moet ik het er maar mee doen.

Mijn date is niet verschenen. Ik heb hem nog gebeld maar hij nam niet op. Ik was al binnen en ik had al besteld. Het regende namelijk en dan blijf je niet op de stoep wachten.

Het café is behoorlijk vol. Dat verbaast mij wel hier, gelegen in een buitenwijk van een weinig interessante stad. Volksmensen. Misschien wat ordinair, maar onderling zo ver ik kan zien heel vriendelijk.

Een meisje van de bar gaat met blokjes kaas door de ruimte. Ik neem er ook een. Mijn veel te zoete witte wijn, op de kaart staat bij wijn alleen rood en wit en ik koos zoals vaker in de zomer voor wit, krijg ik bijna niet weg en nu ik doorkrijg dat het niets met de date zal worden vind ik het ook eigenlijk niet de moeite om het glas beleefd leeg te drinken. 

Ik doe het toch. Door de gemoedelijke sfeer en in de hoop dat ze me wel sympathiek zullen vinden.

Mijn auto staat twee straten verder langs de muur van wat ik vanwege de boomkruinen achter de muur verwacht een parkje te zijn. 

Ik heb er toch nog een uur voor moeten rijden. Ik kom nooit deze kant uit. Het is buiten de randstad en voorlopig richting niets.

Ik moet er maar wat van maken. Ik friemel wat aan mijn zilveren kettinkje en het is dan dat de man zijn compliment maakt. 

Ik glimlach naar hem en neem een veel te grote slok zoet. Ik proest het uit en hij dept mijn gezicht met een zakdoekje dat hij uit zijn slaphangende oudemannenjasje trekt. De zakdoek ruikt naar Old Spice. Heerlijk eigenlijk maar het is wel raar wat hij doet.

Ik zeg hem dat hij zijn handen thuis moet houden. Hij kijkt beteuterd. Niet als een vieze oude man maar met grote kinderogen.

‘Het spijt me juffrouw’, zegt hij en hij maakt een kleine buiging waarna hij naar de deur loopt, een hoedje van de kapstok neemt en door de open deur naar buiten, de stoep opstapt.

Hij is blijkbaar gekwetst en dat raakt mij. Snel reken ik mijn glas wijn af en loop ook naar buiten. Mijn jas heb ik in de auto gelaten. Verder heb ik alleen mijn telefoon. Gewoon, los in mijn hand.

De oude is al een stukje verderop maar ik haal hem in. Hij kijkt verrast op als ik hem aanspreek. Ik zeg hem dat ik misschien te ruw tegen hem was, dat ik het zo niet bedoeld had. 

‘In mijn tijd, juffrouw, stonden wij mannen nogal snel klaar met onze zakdoeken. Ik weet dat het niet bij deze tijd hoort maar zo hoor ook ik niet bij deze tijd.’

Natuurlijk zeg ik hem dat hij wel bij deze tijd hoort en dat ik juist net een vervelende ervaring had waardoor ik prikkelbaar was. 

Het mannetje, want hij is opmerkelijk klein, knikt vriendelijk, neemt zijn hoed een klein stukje af en zegt dat het een waar genoegen was.

Hij steekt de stille straat over, loopt achter mijn auto langs en dan is hij weg.

Weg. Precies. Verdwenen. Geen spoor. Opgelost. Foetsie!

Ik sta bij de auto en realiseer mij dat ik mijn sleutels op de bar heb laten liggen. 

Ik keer terug naar het café en daar liggen ze inderdaad, op de bar. Nu neem ik een pilsje van de tap, veilig bitter. 

Terwijl de barvrouw tapt vraag ik haar naar het oude mannetje. ‘Hij weer?’, vraagt ze. ‘Ik zie hem nooit. Viel hij u lastig?’

Verbaasd over dat ze hem niet zag verzeker ik haar dat hij mij niet lastig viel en ik drink mijn pilsje op waarna ik nog even naar achteren loop om het toilet te bezoeken.

In de smalle doorgang naar het toilet hangt een ouderwetse telefoon aan de muur met daarnaast een stadsplattegrond. Een rode stip geeft aan waar ik mij bevind.

Ik zoek op en zie dat het niet zomaar een park is waar mijn auto geparkeerd staat.

Het zal toch niet…

Ik zit in mijn auto en overdenk deze avond. De date die niet kwam opdagen heb ik uit mijn telefoon gewist. Het regent. Straks fijn onder de dekens. Lekker slapen.

Zand

‘Dag zandstorm. Dank dat je even bij me was. Mijn vlakte is leeg. Je bracht iets en je neemt het weer mee. Nu moet ik mijn huid weer zelf beroeren. Alhoewel, een kleine spin heeft mij gevonden. Ik heb mijn bril niet op dus ik noem het maar een spin. Een torretje of iets anders, waarvan ik nooit gehoord heb, kan het natuurlijk evengoed zijn.

Ik lig mijn armen gestrekt. Het loopt op mijn onderarm. De makkelijkste weg, vrij vlak richting mijn schouders. 

Ik laat het begaan. Mijn aandacht verslapt. Met mijn tenen beweeg ik het zand in. Zo ver tot nattig zand tussen mijn grote teen en de nagel komt. Dat is onaangenaam. Ik stop.

Opstaan kan ik niet. Wil ik eigenlijk niet. Laat het maar gaan! Die verdomd hete zon. Rooster mij! Verdomme, je wint!

Het spinachtig minuscule beestje komt op mijn schouder. Daar blijft het zitten. Schijnbaar gefascineerd door een moedervlek. Met een pootje betast het de vlek. Niets natuurlijk. Dan gaat het verder. Mijn schouder over. Mijn rug op.

Mijn telefoon gaat. Sterven gaat moeilijk als je wordt lastiggevallen. Ik neem op.’

Ja, dat was jullie moeder jongens. Ze vroeg of ik wilde helpen om haar computer te updaten. 

Ik kwam natuurlijk. Bij wie moest ze anders terecht? 

Soms verlang ik terug naar dat zand. Maar maken jullie je maar geen zorgen. Ik blijf bereikbaar.

Eenzaam

Allemaal lieve mensen om me heen. Nu is het avond. Ik zie er niet veel van maar op de gang schijnt groen licht. De jonge zusters lachen met elkaar. Ze zijn zo gezellig. 

Ik heb het goed hier. Echt waar. Als je jong bent snap je niet hoe het is. Ik vind het heerlijk om zo maar te zitten. 

Ik denk veel. Aan vroeger. Eigenlijk een beetje als de wind. Niets blijft hangen. Ik voel het en het is weer verder. 

Sommige beelden komen terug. Het zijn momenten. Helemaal geen verhalen. Soms ook gewoon uit films. Dat weet ik wel. Het is gevoel bij beeld. Dromerig. Impressionistisch.

Ach, ik vertel het de zusters. Vaak lijken ze een beetje bij mijn woorden weg te dromen. 

Vrienden vroeger zeiden dat ik filosofisch werd als ik wat gedronken had. Dat heb ik niet meer nodig. Thee en wat melkchocolade. Dat is het.

Ik luister naar muziek van Rudolf Escher. Dat vind ik zo fijn. Niemand kent dat hier. Ik wilde dat ze het zouden kennen. Niet voor mij. Voor henzelf. Het is zo prettig, oud zijn met Escher.

Er komen geuren van de gang. Ze brengen eten rond. Ik kijk ernaar uit. Ik vind bijna alles lekker. Het geluid van borden en bestek. Ik denk dat ik er Sinas bij neem. 

De zuster komt binnen. Ja, ik praat graag.

Tranen

Rode mannen rennen op me af. Ik schreeuw het uit; ‘Weg, weg! Alsjeblieft weg!’ Pijn in mijn hand. Ik heb het nachtkastje geslagen en ben wakker.

Keelpijn. Heb ik zo hard geroepen? Ik hou mijn linkerhand op mijn keel in een nutteloze poging de pijn te dempen. Afschuwelijk. Ik probeer het vreselijke weg te slikken maar het lijkt of er een vuurbal in mijn keel zit. Groot, scherp en bloedheet.

Naar de badkamer. Water. Hopen dat de pijn wegspoelt maar er gaat geen water langs. 

Ik krijg het benauwd. Hyperventileren en ik voel dat ik het bewustzijn zal verliezen.

Ik lig ongemakkelijk met mijn zij op  de badkamerdorpel. Het is licht. Uit het doucheputje zie ik wat haar steken. Ik walg er van en brom een beetje. 

Verbaasd kom ik overeind. Dat gaat wel. Ik heb niet echt pijn en mijn keel voelt als nieuw. Ik brom nog eens. Daarna roep ik ‘ahh’. 

Tranen lopen over mijn wangen. Nogmaals herhaal ik ‘ahh’ en vervolgens ‘do re mi’.

Wat een prachtig geluid! Vervolgens zing ik een liedje. Tranen blijven komen. Wat een gevoel leg ik er in! Wat een zalige klanken!

Ik kijk in de spiegel en daar sta ik met mijn betraande ochtendgezicht. Ik open mijn mond en zing nog eens. Tranen stromen weer. Mond open, tranen komen.

Wat een zegen. Wat een vloek. Wat kan ik hiermee?

Ik besluit mijn schoonzusje te bellen. Zij is de verstandigste in de familie. Misschien weet zij raad.

Ze neemt de telefoon op en onderbreekt me al snel omdat ze even een zakdoekje moet pakken. ‘Wat is het dan?’, vraag ik, nu wel wat bezorgd aan het worden.

‘Ik weet het niet.’ zegt ze; ‘Je doet iets met me.’

Dat ben ik niet gewend. Ik vraag door en ze bedoelt iets in mijn stem. ‘Ik hoor dat jij het bent maar er is iets mee.’

Nog dezelfde ochtend kan ik bij de huisarts terecht. De assistente vraagt voortaan maar te mailen want een doktersassistente moet zich natuurlijk groothouden. Ze kan niet achter de balie aan de telefoon gaan zitten snotteren. Het zou andere patiënten maar overstuur maken.

Met de dokter deel ik een doosje tissues maar we komen er niet uit. Ik moet de oplossing op langere termijn zoeken. Hij zal wel mailen als hij remedie weet. 

Een poosje zit ik thuis. Ik ben een sociaal mens, beheers de weinigzeggende stuursheid niet en er zijn ook geen cursussen voor om dat te leren. 

Om aan mijn brood te komen heb ik op sociale media geadverteerd;

‘Zit het u hoog maar willen de tranen niet komen, kom tot mij. Geheel geweldloos’.

De zaken lopen goed. De dokter heeft nog gemaild maar ik heb zijn bericht niet geopend. Waarom zou ik?

Mijn tranen neem ik voor lief.