Ik was geen gelukkig kind. Daar bestond geen twijfel over.
Met z’n tweeën waren we er opeens. Nog altijd denk ik dat ik het me herinner. Dat warme moedervocht snel onaangenaam koud wordend op mijn huid. Geluiden die tot dan toe als in een gesloten kamer verderop geklonken hadden en nu snerpend binnenkwamen. Het felle licht.
Pas later leerde ik er de woorden voor, maar de begrippen pasten naadloos in de indrukken.
Het is me niet bevallen. Mijn broertje leek er geen last van te hebben. Die had kort de tijd gehad om zich nu eens flink in de baarmoeder uit te rekken maar volgde mij snel. Uiterst tevreden, hoe kan het verkeren. Hij huilde dat het een lieve lust was terwijl ik te geschrokken was om op te starten.
Ik moest er mee geholpen worden maar alles wat ik voortbracht was een Wagneriaanse Kundry-klacht.
Met frisse tegenzin doorliep ik de noodzakelijkheden van de jeugd. Terwijl mijn broertje, wat al snel ‘broer’ werd omdat de levenslustigen nu eenmaal groter worden gemaakt, plezier had met vrienden, meisjes, zat ik buiten school op mijn kamertje naar de streepjes op het behang te staren. Het is waar, veel meer deed ik echt niet.
Ik wist nog niet precies wat het was maar ik wilde dood. Dat leek me nog eens heerlijk! Dood gaan was overkomelijk, daar maakte ik mij niet druk over. Over wat het met mijn familie zou doen maakte ik mij geen zorgen.
We hadden twee katten thuis waarvan degene die onder een auto liep toevallig ook degene was die nogal met zijn nageltjes kon uithalen. Wat had het met ons gedaan? Vrijwel niets eigenlijk. We zeiden het niet hardop maar iedereen was natuurlijk stiekem blij dat we van die kat af waren. Nee, die andere kat dood, dat had een drama geweest. Zo dacht ik er zelf ook over.
Echt overwogen om er een einde aan te maken heb ik eigenlijk nooit. Als de gedachte een vanzelfsprekendheid is, dan is de aantrekkingskracht weg. Dagelijksheid is niet de moeite waard.
Mijn broer speelt buiten voetbal. We worden binnenkort achttien jaar oud. Ik staar nog steeds naar het behang en ik ben er iets aan gaan vinden. Heel mijn leven heb ik al begrepen.
