Hij zag haar daar zo liggen. Niet meer wie ze was. Nooit meer bereikbaar. Toen hij zijn portemonnee opende om haar lieve pasfotogezicht te zien werd zijn pijn adembenemend. In volheid van eenzaamheid voelde hij zichzelf. Helemaal alleen. Zo ver hij kon denken. Hij wilde niet meer en een besluit schoot als een flits door zijn hoofd.
Natuurlijk wilde hij dood maar hij was bang voor de dood. Bang voor de seconde pijn bij het springen. Bang om het lichaam waar hij ondanks alles van hield kapot te maken. Bang voor hoe hij er uit zou zien als gevonden lijk, al zou hem dat niet moeten uitmaken.
Klaar met het leven maar niet klaar voor de dood.
Op de parkeerplaats van het ziekenhuis stapte hij in zijn auto, reed naar een verzorgingshuis en schepte twee, drie bejaarden die hij met een rollator op de stoep zag lopen. Vervolgens parkeerde hij zijn auto rustig aan de kant van de weg, daar waar helemaal geen auto’s mogen staan, en ging hij op een bankje zitten dat op een parkje, vijver en een verzorgingshuis uitkijkt. Hij wachtte rustig af.
Een paar minuten maar. Natuurlijk hoorde hij geschrokken stemmen en verontwaardigd geschreeuw. Geen burgerman durfde hem echter te benaderen.
Toen de politie verscheen liet hij zich eenvoudig arresteren. Hij werd naar het bureau meegenomen, ondervraagd en in de arrestantencel gezet.
In het verhoor was hij volkomen duidelijk geweest. Zijn vrouw was overleden, hij zag geen weg meer om nog alleen door te gaan en had in een flits besloten dan maar voor altijd de gevangenis in te moeten. Zichzelf van kant maken kon hij niet en alles wat hem aan zijn vrouw herinnerde, huis, baan, vrienden, kennissen en familie, zouden alleen maar vreselijke pijn doen.
Waarom hij dan andere mensen vreselijke pijn deed? Er waren immers twee mensen op slag dood en de derde, een meneer, vocht voor zijn leven.
Hij had er zijn schouders over opgehaald. Hij had mensen uitgekozen die tegen het einde van hun leven liepen. Het viel hem niet moeilijk te erkenen dat het vreselijk was voor de families, maar een steeds verder aftakelende geliefde is ook vreselijk. Er zou verdriet zijn, zeker, maar al snel zouden de voordelen voor de nabestaanden opwegen tegen het verdriet. Daar was hij van overtuigd.
Waar hij echter geen rekening mee gehouden had was zijn opname, ter observatie, in een bewaakte psychiatrische kliniek.
Wegrotten wilde hij. Helemaal niet meer bezig zijn met begrepen worden. Nooit een kans op vrijheid krijgen. Hij wilde zitten, discipline, routine en uiteindelijk sterven. Hij wilde haar geïsoleerd van de wereld waarin zij samen leefden kunnen vergeten, zodat hij niet meer kapot moest leven totdat het over zou zijn. Hij wilde niet reflecteren. Niet op het overlijden van zijn vrouw, niet op zijn gruwelijke daad.
Op een dag. In de gymzaal die de instelling rijk is, besloot hij dat het zo niet kon.
In een onbewaakt ogenblik rende hij in volle vaart van de ene kant van de zaal naar de andere kant. Toen hij vlak bij de muur was bracht hij zijn hoofd in een houding waarin hij hoopte dat hij zijn nek zou breken. Hij klapte tegen de muur op.
Hij brak zijn nek niet, maar verloor wel zijn verstand. Als een kraaiende baby zit hij voortaan in een speciale rolstoel. Blij met aandacht die hij krijgt, sabbelend op zijn rammelaar.
Vredig voortlevend, maar niet het einde.
