Er wordt geschoten. Ik wil blijven kijken, mijn vrouw trekt mij, verstandig dat ze is, mee weg. ‘Rennen!’, schreeuwt ze.
We duiken een steegje in. Doodlopend.
‘Verder’, roep ik. ‘Nee, liggen!, gebaart ze. Dat doen we en zo liggen we wel vijf minuten waarin er nog minstens drie minuten geschoten wordt.
‘Er is blijkbaar heel wat aan de hand’, roep ik in het oor van mijn vrouw terwijl we sirenes horen. Er komt nu schreeuwen bij en schoten van een ander caliber vuurwapen.
‘Dit moeten wij weer hebben’, moppert mijn vrouw; ‘Moet je mijn jas nu eens zien! En je broek; jongen, had je niet een beetje uit kunnen kijken waar je ging liggen?’
Hondenpoep, aan mijn rechterbroekspijp, net onder mijn kruis. ‘Zo kunnen we de avond natuurlijk wel vergeten’, zegt ze. ‘De winkels zijn ook al dicht, anders hadden we een nieuwe kunnen halen.’
Haar zin voor praktische zaken verlaat haar nooit. Het verdrijft zelfs angst. Ik zie dat ze baalt en ik sla een arm om haar schouder terwijl ik iets ga verliggen. ‘Kom niet te dichtbij viespeuk. Ik wil het niet over mijn kleding hebben. Je doet je broek straks maar in het schuurtje uit. Ik hoef dat ding niet meer in huis.’
Het schieten houdt op. Ik kijk naar de straat waarop de steeg uitloopt en zie heel snel even een hoofd met een politiecap verschijnen. Het is zo’n koddig gezicht. Ik kan het niet laten om; ‘Pieuw Pieuw!’ te roepen.
Mijn vrouw stoot mij aan. De agent kijkt langer de steeg in en zegt; ‘Sta op idioot en u ook mevrouw.’
We staan op en een klodder poep drupt van mijn broek. De agent ziet het en trekt een vies gezicht. ‘Wat daar ligt’, zegt hij en hij knikt met zijn hoofd in de richting waar het schieten klonk; ‘is niet fraai, maar ook u benijd ik niet meneer. Wacht u hier even. Nee, niet dichterbij komen, ik ga bijna over mijn nek. Mijn collega komt straks een verklaring van u beiden afnemen.’
Gelaten wachten wij. Ik voel me ongemakkelijk. De agent gaf bijna over, zelf ben ik flink misselijk. Mijn vrouw doet een stapje opzij en houdt een zakdoekje onder haar neus, wat ik niet aardig vind. Ik zit er ook maar mee.
Na een paar minuten verschijnt een tweede agent. Zij is duidelijk op de hoogte gebracht van mijn situatie en negeert de viezigheid.
We hebben haar weinig te vertellen. We laten onze gegevens achter waarna we mogen vertrekken.
We moeten omlopen. Langs wat op straat ligt kunnen we niet gaan. Dat willen we niet zien.
Thuis trek ik mijn broek in het schuurtje uit. Hij gaat gelijk in een vuilniszak de vuilcontainer in.
Ik stap onder de douche en probeer ook de indrukken van zojuist van mij af te spoelen.
Mijn vrouw heeft eten besteld . We zitten tot ruim na de geschatte bezorgtijd te wachten. Ze belt het restaurant. Geen gehoor. Dan komt er een nieuwsbericht binnen. Helder. Afrekening in het milieu.
Dan maar pizza.
