Zomaar wat jeugdherinneringen

Ik lig in bed en zie de schaduw van een tak die enge gedaanten schetst op het gietijzeren dakraam. Mijn twee broers slapen op dezelfde kamer.

Ik stap uit bed, loop naar het dakraampje en duw deze met mijn hoofd open. Het aan de binnenkant vochtige raam maakt mijn haren nat. De naaldboom die net op buurmans deel van het twee onder een dak dijkhuisje staat kan ik net niet aanraken. Ik kijk over de stille dijk en het akkerland dat ik links aan de overkant zie liggen, de naalden in de dakgoot en de boom die altijd maar boven het dak uit torent. Je zou er uit omlaag kunnen klimmen maar ik doe het nooit.

Ik speel bij S. Zijn vader werkt bij Rijkswaterstaat en kan heel goed met zijn handen werken. Voor zijn zoon maakte hij een speelgoedbrug en boten. Behalve onderleggertjes voor kopjes en mokken van stukjes stam maakt hij houten boten en bruggen voor zijn zoon om mee te spelen.

S. spaart balpennen en is heel netjes. Dat bewonder ik maar zelf doe ik dat soort dingen niet. Hij heeft twee zusjes waarmee we thee drinken als we uit school komen. Het is tegen vijf uur en ik ga naar huis. Vanuit het wijkje waar hij woont over een bruggetje de dijk op. Links en rechts dijkhuisjes daarachter links akkerland, rechts woonwijk. Dichter bij huis, aan een kruispunt, links het pand van een voormalige fietsenzaak, rechts de voormalige kruidenier. Naast de kruidenier het huis van een vriendje waar ik wel eens speel, daarnaast een katholieke kerk. Over het kruispunt rechts de aardappelboer. Thuis ruik ik dat moeder kookt. Binnen spelen broers en zus hun spel en ik voel me onthecht omdat ik er tussenuit geweest ben. We eten krootjes met gesnipperde ui, aardappelen en een speklapje.

Mijn moeder brengt mij naar mijn eerste judoles. Een gymlokaal in een deel van een buitenwijk waar ik nooit kom. Ik heb nog geen judopak aan maar een trainingsbroek en t-shirt, de andere kinderen natuurlijk wel. Ik zal judo wel leuk vinden want ‘ik ga er op’. Praten met kinderen doe ik niet. Ze negeren mij, pak ik het verkeerd aan?

Na een judoles word ik bij het weggaan door een jongen in mijn gezicht gespuugd. Dat vergeet ik niet en zodra ik mijn kans zie zal ik wraak nemen. Dat is vandaag. We doen judorugby (wat ik opvat als hard van de ene naar de andere kant van de mat rennen). Spuughannes rent naast mij en net voor we bij de muur zijn laat ik hem struikelen. Hij doet zich pijn.

Ik pak mijn fiets en ik merk dat mijn licht het niet doet. Ik ben een aanstellerige dramaqueen en hoop dat ik een politiewagen tegenkom om de agent te vragen of ik nu naar huis moet lopen. Ik snap wel dat ik een beetje vreemd ben.

Achter de oude halfronde bouwloods op ons erf ligt een mini weitje. Het is er flink verwilderd. Mijn ouders hebben woorden met buren die een heel klein tuintje hebben en wel een deel van de wei willen kopen. Mijn ouders verkopen niet. Dat heeft meer met de tactiek van de buren te maken dan met grondliefde. Vanuit de keuken kijken de buren uit op het weitje. Vader houdt er niet van om bekeken te worden en komt er zelden. Zeker nu die boze buren hem in de gaten houden.

Tegen de loods zit ons konijn in een ren. We komen er niet vaak maar hij krijgt wel voer en voor verschoning wordt ook gewoon gezorgd.

Konijn blijkt op een dag plotseling vanaf zijn onderrug verlamd te zijn. Vader houdt er niet van om dat soort dingen te doen maar verlost konijn uit zijn lijden. We hebben er niet van gegeten. Er staan ook fruitbomen in de wei. Daar eten we ook niet veel van. De boze buren verhuizen. De wei wordt aan de nieuwe bewoners en hun buren verkocht.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *