Ergens. We weten niet waar, maar het bestaat. Anders zou ik er niet over kunnen schrijven.
Daar, in een grijs betonnen stad met primair kleurige kunststofcontrasten, loopt Jacob.
Het is geen zonnige dag. Grauw, daarentegen, is het ook niet. Het is gelijkmatig licht depressief weer. Goed genoeg om voort te gaan.
Hij heeft een afspraak met Astrid, de heks van Nurelpensuğin. Zo nu en dan is ze er. Dan spreekt de halve stad met haar af, de andere helft ziet er geen been in.
Het is een gewoontegang. Zijn kennissen gaan, hij ook. Niemand lijkt er ooit iets mee op te schieten maar is dat een reden om het maar niet te doen? Jacob denkt van niet.
Astrid staat doorgaans op een hoek te wachten. Telkens weer een andere hoek dus het is even goed kijken en wat straten doorwandelen.
Alle winkels, bedrijven, flatgebouwen waar mensen kunnen verblijven zijn potdicht. Dit is een deel van de stad dat even niet gebruikt wordt. Dat komt wel weer. Het komt vaker voor.
Dan vindt hij haar. Astrid hangt tegen een lantarenpaal en eet een stuk chocolade. Ze breekt een stukje voor hem af. Helaas niet het onbeknabbelde deel. Hij doet het er maar mee.
Samen lopen ze een eindje op. Het gaat nergens over, maar iets in haar feloranje haar inspireert hem. Het zit slordig en hij denkt; zo kan het ook.
Twee straten verderop nemen ze afscheid. Jacob geeft haar als gebruikelijk een willekeurig spreekwoord mee. Dat kan ze waarderen.
Dan loopt ze een stukje vooruit. Een andere hoek. Een meisje loopt op Astrid af.
Hoe het komt weet Jacob niet. Hij zet het op een lopen, grist het meisje bij Astrid vandaan en trekt haar mee, drie straten door, naar het park waar twee paarse bloemen bloeien. Het kan nog net. Ze zijn nu op hun mooist.
Jacob gaat op zijn buik liggen. Een van de twee bloemen is recht voor zijn neus. Het meisje volgt zijn voorbeeld. Zij heeft de tweede bloem recht voor haar neus. In het onscherpe deel van het beeld zien ze elkaar in de achtergrond van hun duidelijk zichtbare bloem.
‘Ja, daarom doen we dit’, zegt ze. Ze kijken elkaar aan met het paars nu onscherp. ‘Hou dit vast’, horen ze op de achtergrond zeggen.
Een zonnestraal breekt door. Astrid trekt zich terug. Jacob vraagt het meisje naar haar naam. Ze heet Nyssa.
